Multatuli.online

Artikelen in Volledige Werken

[16 juli 1868
Van den Rijn (XLVII)]

16 juli 1868

Bijdrage van Multatuli in de Opregte Donderdagsche Haarlemsche Courant, no. 166. (M.M.)

Nolet de Brauwere: ofschoon in 1815 te Rotterdam geboren, werd Jan Karel Huibert Nolet de Brauwere van Steeland in Doornik en Brugge opgevoed. Sinds 1844 in Brussel gevestigd, wijdde hij zich aan de letteren, publiceerde gedichten, bepleitte de eenheid van taal in Noord en Zuid, en was zowel tegenstander van het westvlaams particularisme als van het pangermanisme; hij overleed in 1888.

Van den Rijn, 14 Julij.

Koning Wilhelm is bij zijne verleden zondag, des ochtends te 11 ure, plaats gehad hebbende aankomst te Ems door de autoriteiten aan de station opgewacht geworden. Bij zijnen rit naar het Kurhuis werd de Koning door de volksmenigte luide toegejuicht. Des avonds werd hem door de kapel van het Kurhuis eene serenade gebragt, en was de stad fraai verlicht.

De toevloed van vreemdelingen te Ems is dit jaar buitengemeen groot. Men spreekt van 9000 badgasten; een vroeger nooit bereikt cijfer. Onder de voorname gasten, die nog verwacht worden, behooren de Onderkoning van Egypte en de russische rijkskanselier, prins Gortschakoff.

- De Kroonprins van Pruissen is te Gotha aangekomen, om eenige weken op het slot Reinhardsbrunn doortebrengen, waar zijne gemalin zich reeds sedert eenige dagen bevindt. Men had op dat kasteel mede het bezoek verwacht van Koningin Victoria. Deze heeft evenwel aan het slot Rosenau de voorkeur gegeven, waarschijnlijk, omdat dit een geliefkoosd verblijf van Prins Albert was. De Hertog Ernst van Coburg-Gotha is met zijne gemalin naar Engeland vertrokken.

- Volgens eene mededeeling in de Ostsee-Zeitung, zullen Lubeck en Mecklenburg den 1sten Augustus in de algemeene noordduitsche Tol-vereeniging worden opgenomen.

- Aan de Allgemeine-Zeitung wordt uit Wiesbaden geschreven: ‘In geene der geannexeerde provincien baart de aanstaande invoering van het pruissische reglement op het onderwijs grooter bezorgdheid, dan in het voormalige Hertogdom Nassau. Men moge over de verdreven Regering denken, zoo als men wil, dit zal men moeten erkennen, dat het onderwijs door de nassausche schoolwet van 1817 beschermd werd tegen inmenging zoowel van de zijde der Regering, als van die der Kerk. De Nassauër was ten allen tijde trotsch op zijne scholen en op zijne onderwijzers. Uit dat eervol verleden laat zich de afkeer van de gevreesde veranderingen verklaren, en de scherpe critiek, waaraan men het pruissische reglement onderwerpt, spruit uit dezelfde bron voort. Zoo heeft men thans ontdekt, dat de invoering van het nieuwe maten- en gewigtenstelsel, bij stipte opvolging van het pruissische reglement, eene onmogelijkheid zal zijn. Dit schrijft namelijk voor: “dat den leerlingen geen onderrigt mag worden gegeven in de decimaal-verhoudingen en het worteltrekken, zonder speciale vergunning der provinciale schoolcommissie”; eene vergunning, die in den regel geweigerd wordt. Om dat bezwaar uit den weg te ruimen, worden door de onderwijzers de volgende voorslagen gedaan: “De Afgevaardigden des lands behooren aantedringen op een vrijzinnig en met den geest des tijds overeenkomstig schoolreglement, of althans de doorhaling te bewerken, van het woord “decimaalstelsel”, hetwelk in de ordonnantie van 1 October 1854 onder de verboden zaken voorkomt. Vervolgens trachte de Volksvertegenwoordiging, er voor zorg te dragen, dat aan zulke onderwijzers, wien, ten gevolge der bestaande bepalingen, de kennis van het decimaalstelsel onthouden werd, daarin alsnog onderrigt worde gegeven.”’ ‘Indien men bedenkt (aldus besluit het correspondentieartikel in de Allgemeine-Zeitung), dat wij leven in de 19de eeuw, en wel in den Staat der intelligentie, gelijk Pruissen zich noemt, dan is het inderdaad hoogst bedroevend, nog over zulke verkeerdheden te moeten spreken. Elke commentaar is overbodig.’

- De Kölnische-Zeitung bepaalt de aandacht bij het streven van den zuid-nederlandschen letterkundige Nolet de Brauwere van Stheeland, om aantetoonen, dat de vlaamsche taal naauwer met de skandinavi-sche talen, dan met het Suevisch (Zwabisch of Opperduitsch) en het Saksisch (Hoogduitsch) verwant is. Het beweren van dien heer, dat de geringe sympathie, welke het oprigten van een standbeeld voor Vondel in Duitschland gevonden heeft, een blijk is van het uiteenloopende der talen, en de ingenomenheid, waarmede hij daarentegen over de hartelijke deelneming ‘onzer gallische broeders’ spreekt, geven der Keulsche courant aanleiding tot de bijtende opmerking, dat de heer Nolet, die vroeger elke gemeenschap met Frankrijk ver van zich wierp, thans door eene soort van gallomanie schijnt aangetast te zijn, vermoedelijk omdat Koning Wilhelm geweigerd heeft, de opdragt der gedichten van den heer Nolet aantenemen.

- De verkiezingen in Wurtemberg, welke voor het eerst op directe en geheime wijze hebben plaats gehad, hebben den volgenden uitslag gehad: Van de 70 stemmingen zijn er 11, die tot overstemmingen aanleiding zullen geven. Van de 59 gekozen Afgevaardigden behooren 25 tot de democratische of volks-partij; 25 moeten als regeringsgezind, en in het algemeen als voorstanders van een Groot-Duitschland worden aangemerkt, terwijl 9 zoogenaamde nationalen zijn. Een nationaal-liberaal orgaan laat zich over dezen uitslag aldus uit: ‘De Regering kan er dus voortaan niet meer op rekenen, de meerderheid in de Kamer op hare hand te zien, want de nationalen zullen altijd aan de stemmingen den doorslag geven. Zij zal echter op nieuw ondersteuning vinden in de Vertegenwoordiging, voor haren tegenzin om zich naauwer aan het Noordduitsch-Verbond aantesluiten; en diezelfde Vertegenwoordiging zal het toejuichen, indien de Regering zich door eenzijdige uitlegging der verdragen aan hare verpligtingen onttrekt. Dat dit toch de politiek der Regering is, blijkt uit de rede, door den minister van Justitie, den heer Mittnacht, kort voor de verkiezingen uitgesproken, en waarin hij zeide, dat Wurtemberg gedurende de eerstvolgende twee jaren eene afwachtende politiek volgen moest, doch dat gedurende dat tijdsverloop gebeurtenissen zouden plaats grijpen, “waardoor veel zich ten gunste van Wurtemburg keeren zou.” Die gebeurtenissen zijn ongetwijfeld een oorlog met Frankrijk, en ofschoon, ingeval van oorlog, Wurtemberg zijn contingent aan het Noordduitsch-Verbond leveren moet, is het toch zeker, dat, zoo lang iemand als de heer Mittnacht deel der wurtembergsche Regering uitmaakt, het wurtembergsche contingent wel niet bijzonder veel versterking aanbrengen zal. Die Regering zal van elken oorlog pogen gebruik te maken, ten einde zich van hare op de verdragen rustende verpligtingen te ontdoen, indien het daarbij blijft; en zoo lang zal in Stuttgart eene afwachtende en dubbelzinnige politiek de bovenhand hebben. Het is echter Duitschlands pligt, tegen deze staatkunde op zijne hoede te zijn, - elken tred daarvan in het oog te houden, en zoo doende het vaderland voor groot nadeel te vrijwaren.’


Uit: Volledige Werken. Deel 13. Brieven en dokumenten uit de jaren 1868-1869, (1980)