Multatuli.online

Artikelen in Volledige Werken

[3 augustus 1867
Van den Rijn (XLIX)]

3 augustus 1867

Bijdrage van Multatuli in de Opregte Zaturdagsche Haarlemsche Courant, no. 181.

Van den Rijn, 1 Augustus.

De Kölnische-Zeitung van gisteren behelst eene gewigtige beschouwing over de eischen der keurhessische bevolking omtrent het staatsvermogen van het voormalige Keurvorstendom. Men gist, dat de redactie te dien aanzien een wenk heeft ontvangen van de leiders der nationaal-liberale partij, welke gezind schijnt, in de aanstaande vergaderingen van het Parlement, de hessische aanspraken krachtdadig te ondersteunen. Althans, het Keulsche blad, hetwelk weinige dagen geleden de integriteit der hessische fondsen eene ongerijmdheid noemde, komt nu tot de slotsom, dat het eerbiedigen van bedoeld eigendom, wel is waar, zou moeten beschouwd worden als een geschenk, doch tevens als door de billijkheid en hoogere regtvaardigheid voorgeschreven.

Het lijdt namelijk, volgens de Kölnische-Zeitung, volstrekt geen twijfel, dat in het algemeen het veroveringsregt het regt tot beschikking over de staatskas van het veroverde land in zich sluit. Eene vroeger gemaakte bedenking, dat het hessische volk, als zoodanig, niet gestorven is, en dus niet kan beërfd worden, werd reeds meermalen wederlegd door de opmerking, dat de hessische Staat vernietigd is, en dat deze, - en niet het volk, - eigenaar was van de publieke gelden. Al de baten en lasten van dien Staat aldus op Pruissen overgegaan zijnde, moeten er zeer bijzondere redenen bestaan, om ten dezen van den aangenomen regel aftewijken.

Misschien echter zouden die redenen kunnen gevonden worden in de wijze, waarop de bedoelde gelden zijn bijeengebragt. ‘Wat den eigenlijk gezegden staatsschat aangaat, deze (beweert de Kölnische-Zeitung) is ontstaan uit de gelden, die tijdens den americaanschen vrijheids-oorlog door Engeland aan de toenmalige Landgraven van Hessen zijn uitbetaald voor het verkoopen of het leveren van troepen. Sedert lang maakten de Stenden aanspraak op deze gelden, als eene regtmatige vergoeding voor het door dien menschenhandel verzwakte opbrengstvermogen des lands. De strijd daarover werd, met allerlei incidenten, jaren lang voortgezet, en eindelijk (in 1831) gedeeltelijk beslecht door de bepaling, dat de helft van dit kapitaal tot het particulier vermogen van den Souverein zou behooren, en de andere helft 's lands eigendom zou zijn; dit laatste onder de uitdrukkelijke verzekering, dat nooit iemand, onder welk voorgeven ook, die gelden aan hunne bestemming zou mogen onttrekken. De renten van dit kapitaal zouden worden gebruikt tot vermindering van belasting, en tot het aanleggen van nuttige werken.

‘Noch het een, noch het ander (vervolgt de Kölnische-Zeitung) geschiedde onder de regering van den laatsten Keurvorst, die (naar men algemeen gelooft) nog altijd hoop koesterde, het verdrag van 1831 eenmaal te zullen kunnen vernietigen, om dan het geheele, enorm aangegroeide kapitaal aan zijne morganatische familie te kunnen nalaten. Als een Argus bewaakte de Keurvorst dezen bloedschat; maar het hessische volk was niet minder waakzaam. Bij vele gelegenheden zijn de burgers, bij dag en bij nacht, op wacht getrokken; en ook de boeren waren op de been, zoodra het gerucht zich verspreidde, dat de Vorst zich heimelijk wilde verwijderen, alvorens zich omtrent deze gelden te hebben verantwoord. Eene mislukte poging van dien aard had nog plaats in Junij des vorigen jaars. Dit nu is de zoogenaamde hessische staatsschat, - een met tranen bevlekt bloedgeld, zoo als, Gode zij dank, geen andere Staat in Duitschland bezit.’

Eene andere categorie der hessische bezittingen is het zoogenaamde Laudemiaal-fonds. Dit is ontstaan uit het afkoopen van servituten en grondlasten, doch is ingelijks geheel en al onttrokken aan zijne bestemming, daar men die gelden voortdurend belegd heeft, zonder daaruit ooit die verbeteringen te bestrijden, waarvoor zij aangewezen waren. Men vreesde in Hessen, dat de Keurvorst voornemens was, zich ook deze fondsen toeteëigenen, en nadat het door aanhoudend naauwkeurig toezigt gelukt was, de bedoelde gelden tegen de hebzucht van den gewezen Souverein te beschermen, verscheen eensklaps, eenige weken geleden, het pruissische decreet, waarbij die gelden werden verklaard, een integrerend deel uittemaken van de algemeene staatskas. Aan eene deputatie, die zich daarover beklaagde, heeft Koning Wilhelm voorloopig eene herziening van het desbetreffende besluit toegezegd; en de Keulsche courant hoopt, in overeenstemming met al de hessische bladen, dat eene definitive intrekking daarvan het gevolg moge zijn. Vooral echter hoopt zij, dat deze aangelegenheid naar de begeerte der Hessen moge beslist zijn vóór de aanstaande verkiezingen, wijl de algemeene verstoordheid anders zeer ligt elementen in den Rijksdag zou kunnen brengen, weinig geschikt tot bevordering van de zoo zeer gewenschte eenheid.

De uitvoerigheid, waarmede deze zaak, als het ware uit naam der nationaal-liberale partij, door de Kölnische-Zeitung besproken wordt, doet het vermoeden ontstaan, dat de hessische aangelegenheid bestemd is om bij de aanstaande verkiezingen voor den Rijksdag als hefboom gebruikt te worden. Daartoe schijnt ook te dienen de aanbeveling der candidatuur van den heer Fred. Oetker, waarmede het artikel besloten wordt.

Het nummer der Kölnische-Zeitung van eergisteren is door de politie in beslag genomen, en wel op grond van een hoofdartikel, waarin met afkeuring gesproken werd over sommige wetten en decreten ten behoeve der nieuwe provincien, welke in den laatsten tijd zijn uitgevaardigd.


Uit: Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868, (1979)