Multatuli.online

Artikelen in Volledige Werken

[9 mei 1868
Van den Rijn (XXIII)]

9 mei 1868

Bijdrage van Multatuli in de Opregte Zaturdagsche Haarlemsche Courant, no. 110. (M.M.)

Koning George: de sinds 1866 in ballingschap levende laatste vorst van het koninkrijk Hannover.

Van den Rijn, 7 Mei.

De Kölnische-Zeitung behelst eene correspondentie uit Parijs, betreffende het zoogenaamde hannoversche legioen, hetwelk na uit Nederland en uit Zwitserland verdreven te zijn, zich gedurende den laatsten tijd in Frankrijk ophoudt. In dat schrijven komt o.a. het volgende voor: ‘Dezer dagen deelde het Journal de Paris een berigt uit Reims mede, volgens hetwelk de pruissische gezant, graaf von der Goltz, onwaardige middelen zou aanwenden om de hannoversche, hunnen Koning en hunnen eed getrouw gebleven soldaten tot afval van hunnen pligt te bewegen. Het Journal de Paris, of liever de hier aanwezige hannoversche agenten, die hunne vijandelijke gezindheid jegens Pruissen op allerlei wijzen botvieren, duiden het den ambassadeur zeer euvel, dat hij zich in aanraking heeft gesteld met een fransch handelshuis, in stede van de bemiddeling der fransche Regering interoepen, en dit zou, volgens hen, eene, den gezant eener groote natie vernederende handelwijze zijn. Waarlijk, men moet bezield zijn met den diepsten wrok om uit de brieven van den heer von der Goltz zooveel alsem te verzamelen, als door de aanhangers van Koning George geschiedt, en vooral, indien men bedenkt, dat bedoeld schrijven slechts een antwoord was op de herhaalde verzoeken om hulp, die aan het pruissische gezantschap te Parijs gerigt waren geworden. De zoo gewraakte brief aan den heer Liding de Soubiron, lid der firma Heidsieck & Co. te Reims, luidt voor het overige als volgt: ‘In verband met mijn schrijven van gisteren, haast ik mij, u medetedeelen, dat, volgens eene uit Berlijn erlangde magtiging, al de refractaire Hannoveranen (daaronder niet begrepen zij, die na de annexatie zijn gedeserteerd) vrij en zonder eenige vrees voor vervolging in hun geboorteland kunnen terugkomen. Daartoe wordt zelfs geen bepaalde termijn gesteld. Ik heb van de Berlijnsche Regering den last bekomen, allen, die zich vrijwillig ter terugkomst naar Hannover aanmelden, het noodige reisgeld uittebetalen, en zelfs hen, die zich eerst naar Parijs wenschten te begeven, met het doel om zich bij de ambassade omtrent hunnen toestand te vergewissen, in dit voornemen te hulp te komen. Daar ik niet persoonlijk in aanraking met deze lieden sta, en gaarne het opzien wenschte te vermijden, hetwelk het zenden van eenen gemagtigde naar Reims zou teweegbrengen, doe ik een beroep op de welwillendheid, waarvan gij in deze zaak reeds zoo vele blijken gaaft, om u te vragen, of gij genegen zoudt zijn, den lieden, die zich, hetzij tot regtstreekschen terugkeer naar Hannover, hetzij om zich naar Parijs te begeven, bij u aanmelden, voorloopig het noodige reis- en zakgeld uittebetalen, en mij de daarvan te vorderen kwitantien te doen geworden? Indien gij u met deze taak zoudt willen belasten, verzoek ik u, mij telkenmale daarvan, onder opgaaf van den naam, van de geboorteplaats en van den ouderdom des betrokkenen, berigt te zenden.’

‘De inhoud van dezen brief (aldus gaat de correspondent der Kölnische-Zeitung voort) werpt een helder, doch bedroevend licht op de boosaardigheid, waarmede van zekere zijde de bemoeijingen des graven von der Goltz zijn uitgelegd. Ieder begrijpt, hoe ongegrond de beschuldiging is, dat men die hannoversche krijgslieden tot trouwbreuk zou hebben willen verleiden, daar zij toch reeds sedert meer dan een jaar door Koning George van hunnen eed ontheven zijn. Het is bovendien volstrekt onwaar, dat de pruissische gezant in deze zaak de fransche Regering zou zijn voorbijgegeaan; hij heeft integendeel, op vertrouwelijke wijze, terstond aan het Kabinet der Tuilerien mededeeling gedaan van de met den heer Liding aangeknoopte onderhandelingen. Eene geheel andere, en voorzeker beter gestaafde beschuldiging meenen wij tegen de agenten van het hannoversche Hof te moeten inbrengen, deze namelijk, dat men, volkomen bekend met den deerniswaardigen toestand, waarin die arme lieden in het buitenland verkeeren, toch steeds met aanwerven voortgaat. Het is ons bekend, dat nog zeer onlangs veertig thalers handgeld aan een Hannoveraan zijn uitbetaald, om hem tot verzet tegen zijne burgerlijke en militaire pligten te bewegen, en hem daarna in den vreemde aan zijn lot overtelaten. Wat deze ongelukkigen te wachten staat, indien zij zich door een verkeerd begrepen gevoel van vaderlandsliefde laten verlokken, blijkt uit een paar brieven, aan het pruissische gezantschap te Parijs gerigt, die hunnen toestand schetsen.’ De meergenoemde correspondent deelt bedoelde brieven mede, en betoogt daaruit, dat niet van pruissische zijde pogingen tot afval zijn in het werk gesteld, doch dat integendeel de in Frankrijk omzwervende Hannoveranen zich met de bede om hulp tot Pruissen hebben gewend. Tot dit laatste schijnt zeer veel te hebben bijgedragen het gerucht, dat al de aanhangers van Koning George als het ware verkocht zouden worden aan de fransche Regering, die hen naar Algerie zou zenden. De heer Liding de Soubiron, te Reims, is een geboren Hamburger, en het is zijne hoedanigheid als Duitscher, die hem met de hannoversche vlugtelingen in aanraking heeft gebragt.


Uit: Volledige Werken. Deel 13. Brieven en dokumenten uit de jaren 1868-1869, (1980)