Multatuli.online

Artikelen in Volledige Werken

[10 juli 1867
Van den Rijn (XLIV)]

10 juli 1867

Bijdrage van Multatuli in de Opregte Woensdagsche Haarlemsche Courant, no. 160.

Van den Rijn, 6 Julij.

Alom werden dezer dagen de in het vorige jaar te Sadowa, Chlum en Königgratz behaalde overwinningen, met feestelijkheden herdacht. De dagbladen zijn opgevuld met beschouwingen over hetgeen sedert den oorlog, en als gevolg van den gunstigen uitslag daarvan, is tot stand gebragt. Bijna overal evenwel schijnen de plaats gehad hebbende veranderingen beschouwd te worden als voorboden van nog grootere wijzigingen in den staatkundigen toestand.

- Uit Hannover wordt gemeld, dat Koningin Marie een eigenhandigen brief van Koning Wilhelm ontvangen zou hebben, waarin die Souverein de Vorstin uitnoodigt, zich van hare geheele omgeving, met uitzondering van hare dochter, te ontdoen. In plaats daarvan, zou zij alsdan slechts zulke personen bij zich mogen hebben als haar door den Koning van Pruissen zouden worden aangewezen. In geval van weigering, zou de Koningin Hannover moeten verlaten. Als oorzaak dezer vordering wordt in dien brief opgegeven ‘de vijandelijke stemming tegen Pruissen van haren gemaal,’ den onttroonden Koning George. Men beweert, dat de Koningin geweigerd heeft, haar personeel te ontslaan, en dus eerlang zal vertrekken.

- Het bestuur der posterijen in het Hessische is met den eersten dezer op Pruissen overgegaan. Wel bestaan er nog eenige punten van geschil, meest van financiëlen aard, doch men heeft gemeend, de overname niet op de beslissing daarvan te moeten laten wachten. - Ook in het Thuringsche (Meiningen, Gotha, Coburg, enz.) is de Taxische administratie opgeheven. In correspondentien uit die streken wordt dit beschouwd als eene nieuwe schrede tot de duitsche eenheid. ‘Vooral in Thuringen (aldus schrijft men), waar niet minder dan acht kleine Staten zoo verward naast, door en in elkander liggen, dat men bijna aan elke poststation van grondgebied verandert, is een krachtig centraal beheer der posterij hoog noodig. En dit kan alleen van Pruissen uitgaan. De meeste ambtenaren zijn òf in pruissische dienst overgegaan, òf behoorlijk gepensioneerd.’ In hetzelfde berigt betuigt voorts de correspondent, dat de heuschheid en de beschaving der Taxische beambten niets te wenschen overlieten, en gunstig afstaken bij de ruwheid en de onwetendheid van de pruissische ambtenaren.

- Uit Dusseldorp wordt geschreven, dat de heer Groote, Afgevaardigde in de pruissische Tweede Kamer, op den 1sten dezer, den dag, waarop de noordduitsche Constitutie voor de geheele Monarchie in werking treedt, zijn mandaat heeft nedergelegd. Als redenen geeft hij op, dat het onmogelijk is, den nieuwen staat van zaken in overeenstemming te brengen met de door de pruissische Grondwet voorgeschreven verpligtingen.

- Vele couranten houden zich bezig met de vraag, of het wenschelijk zijn zou, gevolg te geven aan het vroeger bestaande en nog niet opgegeven plan der Regering, om de zegelbelasting op de dagbla-den in de nieuwe provincien intevoeren? Bijna algemeen is men van oordeel, dat het beter zou zijn, die belasting in de oude provincien afteschaffen. Vooral in Hannover ijvert men zeer tegen de invoering, en de redeneringen daaromtrent worden door de pruissische bladen overgenomen en beaamd. De Hann.-Allgemeine-Zeitung noemt de bedoelde belasting ‘eener beschaafde natie onwaardig’, en beroept zich te dien aanzien op het gevoelen van den pruissischen Afgevaardigde Michaëlis, die in de zitting van 13 December 1866 de Regering uitnoodigde, eene wet ter afschaffing aan de Kamers voorteleggen; in welk voorstel dat lid der Volksvertegenwoordiging door de meerderheid werd ondersteund. De Regering, zonder juist daaraan gevolg te geven, heeft dan ook toen de invoering in de nieuwe provincien uitgesteld, doch schijnt dezer dagen daarop te willen terugkomen. De Kölnische-Zeitung protesteert tegen dat voornemen, ‘niet (aldus drukt zij zich uit), omdat wij het bedrag van ongeveer 80,000 th., waarop de geheele belasting voor de nieuwe provincien zou nederkomen, te drukkend vinden, maar omdat de geheele zaak eene staatkundige fout van den eersten rang wezen zou. En niet minder ernstig dan vroeger komen wij op tegen het voornemen der Regering, nu er spraak is, de belasting te veranderen in eene zegelheffing op de advertentien. Dit verandert den vorm alleen, geenszins de zaak, die, hoe men zich wende of keere, onregtvaardig, nadeelig, onstaatkundig en ondankbaar is. Denkt men er wel eens aan in de ministeriële bureaux, hoe veel inspanning, ijver, kennis, geduld en kapitaal er noodig zijn om een dagblad te stichten en gaande te houden? En wat nu Hannover aangaat: weet men niet, dat juist de dagblad-litteratuur voleindigen en bevestigen moet wat het zwaard onvoltooid liet? Wanneer de Regering goed onderrigt is van den heerschenden geest in die provincie, zal zij inzien, de ondersteuning van de nationaal-liberale pers [tot die rigting behoort de Keulsche courant] volstrekt noodig te hebben, om te bewerken, dat het nieuwe gebied niet enkel door de kleur van schildwachtshuisjes en tolslagboomen, maar inderdaad door de stemming der harten van de bewoners, tot Pruissen behoore. Het is te hopen, dat de minister van Financien die zaak nog eens rijpelijk overwege.’


Uit: Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868, (1979)