Multatuli.online

Artikelen in Volledige Werken

[25 februari 1868
Van den Rijn (XIII)]

25 februari 1868

Bijdrage van Multatuli in de Opregte Dingsdagsche Haarlemsche Courant, no. 48.

Van den Rijn, 23 Februarij.

Thans zijn ook in Baden, even als in Beijeren, de verkiezingen voor het Tol-parlement afgeloopen, en moeten alleen nog Afgevaardigden gekozen worden voor Wurtemberg en voor dat gedeelte van Hessen, hetwelk niet tot het Noordduitsch-Verbond behoort.

Behalve dat het Tol-parlement bestemd is om een grooten invloed op de duitsche handelsaangelegenheden en op het verkeer tusschen de duitsche Staten onderling uitteoefenen, worden de verkiezingen voor die vergadering ook om staatkundige redenen met belangstelling gadegeslagen. Men beweert namelijk, dat zij een zeer geschikten maatstaf opleveren ter beoordeeling van de meerdere of mindere magt der pruissischgezinde partij in Zuid-Duitschland. Vooralsnog behooren de grootste ijveraars voor eene aansluiting van het Zuiden aan het Noorden, in Baden zoowel, als in Beijeren, tot de zoogenaamde vooruitgangspartij, en derhalve tot eene rigting, welke in het geheel niet overeenstemt met die van het tegenwoordige pruissische gouvernement. De voornaamste tegenstanders van de mannen der vooruitgangspartij zijn, voor zoo ver Beijeren betreft, de zoogenaamde ultramontanen, wier kracht vooral hierin ligt, dat zij rekenen kunnen op de particularistische sympathien, welke in een gedeelte der hoogste regeringskringen en ook onder de bevolking ten platten lande voortgaan, hare nawerking te doen gevoelen. Tusschen die twee uiterste partijen in staat de regeringspartij, waartoe ook zij behooren, die in Noord-Duitschland met den naam van nationaal-liberalen aangeduid worden. Het programma dier partij is: handhaving der zelfstandigheid van elken der zuidelijke Staten afzonderlijk, met aansluiting, zoo veel mogelijk, aan de wetgeving en de instellingen van het Noorden.

De uitslag der verkiezingen in Baden is nog slechts gedeeltelijk bekend; doch het lijdt naauwelijks twijfel, meent men, dat de regeringspartij daar te lande, wier pruissischgezindheid van algemeene bekendheid is, de overwinning behalen en alzoo de hoofdbedoeling, waarmede het Tol-parlement door graaf Bismarck in het leven geroepen is, in de hand werken zal. Dat het resultaat der verkiezingen in Beijeren aan de verwachting der partij van prins Hohenlohe (welke in sommige voorname opzigten wèl onderscheiden moet worden van de beijersche hofpartij) beantwoord heeft, schijnt te volgen uit eene mededeeling in de Correspondenz-Hoffmann, een orgaan, hetwelk geacht wordt, met prins Hohenlohe in betrekking te staan. ‘Wel ver, dat de tegenwoordige politiek der beijersche Regering (schrijft dat blad) den uitslag der verkiezingen voor het Tol-parlement als eene door haar geleden nederlaag zou moeten aanmerken, wordt zij door dat resultaat veeleer geregtvaardigd. Het tegenwoordige ministerie heeft te geener tijd steun gezocht, noch bij de clericalen en bij de aanhangers eener restauratie-politiek, noch bij de vooruitgangspartij en bij hen, die Beijeren regtstreeks willen doen opnemen in het Noordduitsch-Verbond. De uitslag der verkiezingen bewijst, dat Beijeren te gronde zou zijn gegaan, indien aan eene der twee uiterste partijen de teugels van het bewind toevertrouwd waren geworden, en het tegenwoordige gouvernement mag daarin eene aansporing zien om aan de tot hiertoe door haar gevolgde binnenen buitenlandsche staatkunde getrouw te blijven; eene staatkunde, wier leuze het is, Beijerens zelfstandigheid te handhaven en tegelijk zoowel het nationale streven te verzekeren als in het binnenlandsch bestuur de noodige hervormingen aantebrengen.’

- In den laten namiddag van den 20sten is de wurtembergsche Landdag door den Koning gesloten met eene rede, waarin o.a. de vol-gende zinspelingen op Oostenrijk en Pruissen voorkomen: ‘Sedert ik de laatste maal in uw midden optrad, hebben hoogst gewigtige gebeurtenissen in ons vaderland plaats gehad. Een band, die sedert tien eeuwen de duitsche stammen vereenigd had, is verbroken. Het schoone Rijk, welks lot tot dus ver aan het onze verbonden was, is van ons gescheiden, en Duitschland heeft een nieuwen vorm verkregen. Wat ik gedaan heb om in dit nieuwgevormde Duitschland aan Wurtemberg die mate van beslissing over oorlog en vrede te verzekeren, waarop het aanspraak heeft, is door u goedgekeurd. Vast besloten hebbende, de aangegane verpligtingen getrouw en naauwgezet te vervullen, reken ik met vertrouwen op de volledige ondersteuning van mijn volk. Laat ons hopen, dat hetgeen Duitschland verloren heeft, vergoed zal worden door de aantrekkingskracht van gelijke beschaving en gelijke belangen. Gij hebt met mannelijken moed de offers van den oorlog gedragen; maar gij hebt mij ook geholpen, de zegeningen van den herstelden vrede aan Wurtemberg te verzekeren. Met mij hebt gij op u genomen om van het volk offers te verlangen, opdat het voor ernstige tijden toegerust zij om die vruchten des vredes te beschermen en het vaderland, indien het bedreigd werd, met alle kracht te verdedigen. Onze pligt eischt, gelijken tred te houden met onze naburen.’


Uit: Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868, (1979)