Multatuli.online


26
Cette vieille carcasse!

De voordrachtentournees

In een aflevering van het Humoristisch Album uit 1880 werd de vooruitgang van de late negentiende eeuw op rijm gezet:

Phonographen, telephonen,

Zijn de wondren van deez' tijd,

En een luchtpaard zal dra toonen,

Hoe men door de wolken rijdt.

Door de straten gaan wij draven

Op een stoomschoen, in galop;

Edison'sche wondergaven! -

‘Bij dien man houdt alles op!’ [1] Humoristisch Album, 26 (1880), nr. 17, p. 131.

Op 2 maart van datzelfde jaar werd Multatuli zestig. Tijdens een serie voordrachten die hij rond zijn verjaardag in diverse Nederlandse steden hield stelde hij vast hoeveel er in die zestig jaar was veranderd. Volgens zijn bewaard gebleven aantekeningen noemde hij het jaar 1848 de ‘oorsprong der partyen’ en tal van (technische) vindingen, zoals de lucifer, de telegrafie en de spoorwegen. Hij sprak over Darwin, de meteorologie, de ‘Europesche revolutie Engeland Maatschappel[yk] en industrieel’, sterrenkunde en de ontwikkeling van de literatuur. [2] Aantekeningen voor de voordracht over ‘Belang van den 60-jarigen ouderdom’, o.a. gehouden in Leiden, 13 januari 1880. vw xx, pp. 206-209. Voor een reconstructie zie: Maas, ‘Voordrachtentournees 1878-1881 (ii)’, pp. 39-51. Volgens een verslag van de bijeenkomst in de Leidse Gehoorzaal betwijfelde de spreker of al die veranderingen wel verbeteringen waren. Hij wees er bijvoorbeeld op dat het gemakkelijker worden van het reizen teniet werd gedaan doordat ook de behoefte eraan gegroeid was, en hij meende dat de voeding van de armen, hoewel hun kleding en woningen waren verbeterd, slechter was geworden.

Multatuli's voordracht was voor veel aanwezigen moeilijk te volgen, en dat kwam juist door de moderne tijd. Hij werd, aldus de verslaggever, voortdurend overstemd door ‘het rollen van rijtuigen en trams’. De tramway (paardentram) was sinds een jaar of tien niet meer weg te denken uit het beeld van de grotere steden.

Naast de komst van tram en trein was er sinds de jaren twintig uiteraard meer veranderd. De stadswallen en -poorten waren goeddeels verdwenen; in plaats daarvan werd het panorama van de steden nu beheerst door fabrieksschoorstenen, want de industrialisatie had nu ook in Nederland doorgezet. Vooral het veranderende uiterlijk van zijn geboortestad kan Multatuli nauwelijks zijn ontgaan. De Amsterdamse singels, die eeuwenlang de grens van de stedelijke bebouwing waren geweest, waren eindelijk overschreden. In de snel groeiende nieuwbouwwijken verrezen gasfabrieken en andere moderne bedrijven; zelfs het buitenland had belangstelling voor grootschalige projecten, zoals het Paleis voor Volksvlijt en Cuypers' Rijksmuseum, dat in de jaren 1877-1885 aan de zuidkant van de stad verrees.

Het was nog maar het begin. In het kielzog van de industriële omwenteling volgde de ene ontdekking na de andere; Multatuli leefde net lang genoeg om kennis te nemen van de uitvinding van de telefoon, de gloeilamp, de fiets, automatisch sluitende treindeuren, de typemachine en de lijkverbrandingsoven, om er maar enkele te noemen. Hij las erover en heeft een aantal ervan ook nog met eigen ogen gezien, omdat de uitvindingen vaak als een soort kermisattractie aan den volke werden getoond. Zoals Edisons fonograaf, waarvan Multatuli in Mainz of Wiesbaden een demonstratie bijwoonde (al vroeg hij zich naderhand af of er geen bedrog in het spel was). [3] Mimi aan Hilda Bruinsma-van den Berg, 16 juli 1879. wv xx, p. 77.

Het aangezicht van de steden veranderde, maar dat van het platteland niet minder. De ‘woeste gronden’ werden in hoog tempo ontgonnen, met als mijlpaal het later hevig betreurde omhakken van het laatste Nederlandse oerbos (nabij Apeldoorn) in 1870. Door dat cultuurlandschap liep een snel dichter wordend spoorwegnet: in 1881 was het al te vergelijken met de toestand aan het begin van de eenentwintigste eeuw; volgens Duitse opgaven nam Nederland dat jaar, met 1901 kilometer spoorlijn, gemeten naar landoppervlak en aantal inwoners, in Europa een vijfde plaats in. [4] A.J. Veenendaal jr., ‘Spoorwegen’. In: Lintsen e.a. (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland, deel vi, pp. 129-164; Andree (red.), Geographisches Handbuch zu Andree's Handatlas, p. 719.

Zonder al die spoorlijnen (geëxploiteerd door zeven maatschappijen) was Multatuli's belangrijkste inkomstenbron in de jaren 1878-1880 niet denkbaar geweest: de lezingentournees. Het plan ervoor ontstond in het najaar van 1877. Eind september schreef hij aan J.M. Haspels:


Men valt me op 't lyf met 'n oude schuld, en ik heb in haast wel f 200 noodig. Ziet ge kans die by elkaar te krygen? Ik zal er dan in godsnaam voor komen lezen, voordragen, hoe heet het! Vergeef me dat ik zoo kort schryf, ik ben half gek van verdriet. [5] Multatuli aan J.M. Haspels, eind september 1877. vw xviii, p. 743.

Haspels was in 1875 al betrokken geweest bij een serie voordrachten van Multatuli; hij kende diens financiële problemen beter dan wie ook (Funke en Mimi uitgezonderd). Bovendien was hij als mededirecteur van het Rotterdam- se toneelgezelschap bij uitstek de man om voor zalen en publiciteit te zorgen.



illustratie
Veranderingen in het straatbeeld: een telefoonpaal op het Amsterdamse Rokin, 1886


 

Zo stapte Multatuli eind januari 1878 met frisse tegenzin op de trein naar Nederland. In Rotterdam werd hij op het station opgewacht door Dirk Haspels, op wie hij zeer gesteld was, en Hendrik Bos, eveneens lid van het toneelgezelschap; Bos zou hem de weken die volgden als een soort zaakwaarnemer begeleiden. Ze brachten hem naar hotel Weimer, een vertrouwd adres, waar iedereen ‘zeer zeer gedienstig’ voor hem was. ‘Toen ik kwam stond de thee en 'n kistje sigaren klaar’ - het enige waar hij werkelijk niet buiten kon. [6] Vgl. Multatuli aan Vosmaer, 30 augustus 1883. vw xxii, p. 730. Later ging het logement hem tegenstaan, ‘waar hooren en zien me vergaat van 't leven op den trap, en waar ik niet eens 'n kast heb waarin ik schryvery kan bergen’. [7] Multatuli aan G.C. de Haas-Hanau, 25 april 1878. vw xix, p. 505. Het hotel aan de Spaansche Kade keek uit op de Oude Haven; ook nu nog een van de aardigste stukken van Rotterdam. Maar een wandeling door het havengebied lokte hem niet aan, doordat het winterweer de straten had veranderd in een modderpoel. ‘Een ware schande!’ aldus Multatuli. [8] Multatuli aan Mimi, 29 januari 1878. vw xix, p. 39. Hij was er toch al niet de persoon naar om stadswandelingen te maken, want hij was gespeend van elk richtinggevoel. ‘Zelfs in 'n tram ben ik niet zeker van m'n weg’, zei hij. [9] Multatuli aan J.M. Haspels, 27 oktober 1882. vw xxii, p. 433.

De eerste lezing was niet in Rotterdam, maar in Delft, op 6 februari in de concertzaal Doele; toegangsprijs f 1,50. Hij sprak over een verschijnsel dat bij uitstek kenmerkend was voor de negentiende eeuw: het nationalisme, en meer in het bijzonder ‘het behoud van onze nationaliteit’; een maand later sprak hij over hetzelfde onderwerp opnieuw in Delft. ‘Onze natie heeft veel goeds’, zei Multatuli (volgens een krantenverslag), ‘zooveel zelfs, dat we voor geen enkele der naburige natiën behoeven onder te doen, maar wij hebben niet minder onze gebreken, en die hebben we op ieder gebied, die hebben we in alles.’ [10] Het Vaderland, 8 maart 1878. vw xix, pp. 277-279. Door die gebreken was Nederland kwetsbaar, zeker door zijn ligging, ingeklemd tussen het Duitse keizerrijk en Frankrijk. Aldus Multatuli in de toespraken, die als een vervolg op zijn Een en ander over Pruisen en Nederland kunnen worden gezien, hoewel de toon - afgaand op de verslagen - minder pessimistisch was.

‘Stampvol was de Doelezaal’, schreef de verslaggever van Het Vaderland, tijdens Multatuli's eerste voordracht; na afloop werd er luid geapplaudisseerd en ‘tot weerziens’ geroepen. [11] Idem, 8 februari 1878. vw xix, pp. 61-63. Hij kwam terug, zoals gezegd, maar hij was niet tevreden, ‘op verre na niet! Maar wel over de sympathieke ontvangst. “Men” was allerliefst voor en na 't spreken. 't Publiek was hartelyk. [12] Multatuli aan Mimi, 6 februari 1878. vw xix, p. 59.

Zijn tweede voordracht, op 11 februari in Rotterdam, ging over een Keulse moordzaak van zestig jaar geleden. Multatuli nam het op voor een zijns inziens ten onrechte veroordeelde wijnhandelaar en wees op de ‘bespottelykheid van 't vonnis’ en de ‘afzichtelijke knoeierijen’ waaraan de Duitse justitie zich schuldig had gemaakt. [13] Aantekeningen van Multatuli, 11 februari 1878. vw xix, pp. 79-84; verslag in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 13 februari 1878. vw xix, p. 97. Het tekortschieten van de rechtspraak, vroeger en nu, hield Multatuli als altijd bezig. Opnieuw was de zaal uitverkocht. Hij was nu wél tevreden, maar het publiek reageerde nu juist ‘flauw’ (onverschillig), zoals hij Mimi schreef. De verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant ervoer het niet zo. ‘Multatuli werd zoowel bij het betreden als bij het verlaten van het spreekgestoelte levendig toegejuicht’, zo schreef hij. [14] Multatuli aan Mimi, 11 februari 1878. vw xix, p. 84; nrc, 13 februari 1878. vw xix, p. 97.

De maanden daarop hield Multatuli 26 toespraken, overal in Nederland, van Goes tot Groningen. Het leverde veel geld op, minder natuurlijk dan hij in zijn op dit gebied altijd te hooggespannen verwachtingen had berekend, maar genoeg om een aantal oude schulden af te betalen én Mimi in Wiesbaden (tijdelijk) een tamelijk luxueus leven te laten leiden. ‘Bestel en koop toch al wat je wilt, toe!’, schreef Multatuli haar althans. [15] Idem, 18 februari 1878. vw xix, p. 147. De tegenzin waarmee hij aan de tournee was begonnen, was al na een paar dagen verdwenen; hij verklaarde telkens dat hij ‘zeer wel’ en ‘zeer gelukkig’ was, ‘in weerwil van allerlei verdriet’. [16] Multatuli aan Merens, 27 februari 1878. vw xix, p. 223. Idem aan Mimi, 27 februari 1878. vw xix, p. 223. Zo goed gestemd bleef hij niet, maar toch was het succes van de eerste voordrachtencyclus groot genoeg om deze, begin 1879, door een tweede te laten volgen.

In 1879 sprak Multatuli 37 maal, opnieuw in heel Nederland (de enige provincie die hij deze jaren niet schijnt te hebben aangedaan was Limburg). Hij hield aan de lezingen echter minder over dan aan die van het jaar ervoor. Dat had ook met Mimi te maken, die dit keer naar Nederland was gekomen, waardoor de reis- en verblijfskosten stegen. Er kwam bovendien minder publiek en de kranten waren negatiever, áls ze er al over schreven. [17] H. van den Bergh in vw xix, p. 627. Desondanks besloot hij in 1880 opnieuw te gaan. Dat jaar bevielen de voordrachten hem beter dan tevoren: steeds meer sprak hij volledig uit zijn hoofd, zonder ook maar een blik op zijn aantekeningen te hoeven werpen, en daarom ook zonder tafel en lessenaar, met alleen ‘'n stoel, niet om op te zitten, maar om de hand 'n plaats te geven. De menschen vinden die weinige omslag zoo aardig.’ [18] Multatuli aan Mimi, 23 februari 1880. wv xx, p. 377. Niet dat alle lezingen even vlekkeloos verliepen, en het publiek en de redenaar altijd tevreden waren. In Veendam dreigde hij op te stappen omdat een deel van de aanwezigen in de pauze een sigaar had opgestoken. ‘Meen niet, dat iemand, die kogels heeft getrotseerd, last zou hebben van rook’, zei Multatuli tot de zaal, ‘maar ik beschouw een en ander als minachting tegenover mij als te weinig waardeering, ik ben geen zanger of acrobaat, ik, die met de heiligste en innigste overtuiging spreek’ - en daar brak het krantenverslag zijn woorden af. [19] Nieuwe Groninger Courant, 24 februari 1880. wv xx, p. 382.

In dit geval was zijn ongeduld misschien gevoed door iets wat mogelijk diezelfde middag was gebeurd. Hij zat voor het raam van zijn logement met dominee Anthony Winkler Prins, de man van de encyclopedie. Opeens sprong Multatuli op en holde naar buiten. Hij had gezien dat een uitgeput, mager en oud paard door zijn eigenaar met een zweep werd gedwongen een trekschuit voort te slepen. Tot grote verbazing van de omstanders, die zich afvroegen waar hij zich mee bemoeide, kocht Multatuli het paard voor 25 (volgens een andere versie zelfs 50) gulden. Hij stelde ook nog wat geld ter beschikking voor de verzorging van het dier, maar omdat het veel langer zou leven dan iedereen had verwacht, nam Winkler Prins de kosten later op zich. [20] Weergave van mevr. F. Reddingius, die het weer van een zoon van Winkler Prins had. F. Reddingius aan G.W. Huygens, 6 maart 1951 (mm); een andere versie van het incident in het Groninger Dagblad, 24 augustus 1937 (mm).

Maar afgezien van dit soort incidenten was de derde lezingentournee een succes; zelden heeft Multatuli zich zo tevreden gevoeld als in deze tijd. Zijn energie en inzet waren zo groot, dat hij in Middelburg bij de hem welbekende firma Smit een bootje huurde om Zierikzee te kunnen aandoen; tegen de verwachting in bleek er geen geregelde directe stoombootverbinding met de Zeeuwse stad te zijn. [21] Goesche Courant, 17 februari 1880. wv xx, p. 353.

Tijdens zijn vierde en laatste rondreis, begin 1881, werd het allemaal minder. De lezingen werden routineuzer en begonnen steeds meer op elkaar te lijken; ze werden steeds minder bezocht en de waardering nam af. Het weer was bovendien slecht, en voor het eerst liet Multatuli bij een lezing verstek gaan. Dieptepunt was de opkomst in Veendam: veertig personen - waarmee menig literator nú overigens heel tevreden zou zijn -, maar de reden daarvoor kon worden gezocht ‘in gebeurtenissen van minder aangenamen aard, die in het vorige jaar bij gelegenheid van de voordragt van Multatuli hebben plaats gehad’. [22] Provinciale Groninger Courant, 7 maart 1881. vw xxi, p. 196.

Steeds meer begon Multatuli te klagen over de te geringe opbrengsten van de lezingen. Hij vergeleek zijn voordrachten regelmatig met die van zijn Engelse collega Charles Dickens, die ‘voor 't eenmaal voorlezen van een lang gedrukte vertelling (little Dorrit) het dubbele [kreeg] van wat ik ontvang voor veertig geïmproviseerde voordrachten’. [23] Multatuli aan Mansholt, 18 januari 1881. vw xxi, p. 83. Toen hij in april 1881 op de trein terug naar huis stapte, was hij moe en ziek. Toch nam hij zich in de loop van het jaar een paar keer voor om in 1882 een nieuwe serie lezingen te houden. Maar dat plan heeft hij niet uitgevoerd.

Kunnen de lezingen worden beschouwd als een vervolg op zijn voor de drukpers geschreven werk? In zekere zin wel: behoudens enkele ingezonden brieven en wat aantekeningen bij herdrukken heeft hij zich de laatste tien jaar van zijn leven immers alleen met zijn voordrachten tot het publiek gericht. Hij stelde kwesties aan de orde die hij eerder in zijn Ideeënbundels had behandeld en kwam met nieuwe onderwerpen die hem, als hij de ‘loisir’ ertoe maar had gevonden, tot stof voor nieuwe Ideeën hadden kunnen dienen. Daar staat tegenover dat hij die Ideeën nu eenmaal niet geschreven heeft. Evenmin is er uit de jaren 1878-1881 een uitgeschreven lezing teruggevonden - die er ook niet is geweest, want Multatuli heeft uitsluitend geïmproviseerd. Eerst gebruikte hij aantekeningen, stroken met trefwoorden (en nu en dan een zin) aan de hand waarvan hij zijn voordrachten hield. Later deed hij het zoals gezegd helemaal uit het hoofd. De aantekeningen zijn bewaard gebleven. Daarnaast zijn er de verslagen in kranten, die soms zeer gedetailleerd zijn en aan notulen doen denken. Toch hebben we bij het lezen van die verslagen bijna nooit de indruk dat we Multatuli zelf horen. Afgezien van het ontbreken van zijn stem en gebaren, die nooit te vervangen zijn, lezen we toch altijd de woorden van de verslaggever. Er is, stilistisch, een kolossaal verschil tussen enkele wél door Multatuli uitgeschreven en in de Volledige Werken gepubliceerde lezingen uit de jaren zestig, en de krantenweergaven van zijn voordrachten.



illustratie
In 1882 kende Multatuli ‘De Molenaar van Sans-Souci’, dat hij in zijn jeugd had vertaald, nog altijd uit het hoofd. Hij schreef het in het poëziealbum van Lientje de Haas, dochter van zijn vrienden en bewonderaars J.H. en G.C. de Haas.


 

Het dichtst in de buurt komt nog het verslag van een van de eerste voordrachten, van 15 februari 1878 in Amsterdam, die door een toehoorder, H.G. Icke jr., in steno werd opgetekend. Multatuli sprak over de vraag: wat is poëzie? Voorafgaand aan zijn weergave beschreef Icke de binnenkomst van de spreker:


Nadat ieder plaats had genomen en de zaal reeds stikvol was vóórdat het acht uur had geslagen, trad de spreker binnen. De uitgever Funke ging hem voor. Multatuli liep haastig voort; zijn gestalte imponeerde op eene bij ieder merkbare wijze. De hoeden werden afgenomen waar hij voorbijkwam en men groette. Ook hij groette rechts en links, de tribune was ook geheel bezet. [24] Stenografisch verslag van Multatuli's voordracht van 15 februari 1878 door H.G. Icke jr. (afschrift mm). vw xix, pp. 116-130, citaat op p. 117.

Met zoveel enthousiasme moest het wel goed gaan. Hij had aantekeningen bij zich, maar vergelijking van de stroken met het stenografisch verslag leert dat hij daarvan behoorlijk is afgeweken. (Hoewel een korte recensie uit de Amsterdamsche Courant weer zaken vermeldde die wél in de aantekeningen, maar niet in de stenografische weergave voorkomen, wat afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de stenotekst. [25] Amsterdamsche Courant, 17 en 18 februari 1878. vw xix, p. 140. Wat de zaak nog gecompliceerder maakt, is dat Multatuli zijn stroken meermalen gebruikte, bij voordrachten die telkens weer anders verliepen.) Multatuli sprak langdurig, in vloeiende volzinnen. De stenograaf signaleerde maar één verspreking - waarmee Multatuli, onbedoeld, op Thorbecke leek. Wel moest hij zijn rede herhaaldelijk onderbreken door de bijval van het publiek. Hij maakte duidelijk wat poëzie in elk geval niet was, waarbij hij korte metten maakte met een vrouw die gedurig verzen reciteerde, maar niet de ware poëzie zag van een klein ‘werkdoosje’ dat in een winkel stond. (De bewuste vrouw moet, blijkens de aantekeningen, zijn vriendin Charlotte de Graaff zijn geweest.) In zijn van anekdotes en herinneringen doorspekte betoog kwam hij ten slotte tot een definitie van poëzie, die in allerlei varianten nog altijd wordt gebezigd: ‘Poëzie is zamenvatting.’ Overigens was Multatuli's uitleg hiervan wel specifieker dan de tegenwoordig wel gehoorde definitie (poëzie als een vorm van geconcentreerd taalgebruik). Hij beschouwde poëzie als een middel tot het leggen van verbanden, het aanwijzen van samenhang en het onderkennen van eenheid, met als ultieme gedicht: ‘alles in alles’.

Anders dan in het gedateerde notulenproza uit andere krantenverslagen is Multatuli's toon in het stenoverslag vaak wél herkenbaar. Zo sprak hij in een uitweiding over bouwkunst over een architect die, volgens de (neoclassicistische) mode van de negentiende eeuw, gebouwen in de stijl van Griekse tempels ontwierp.


Zoo vraag ik aan dien bouwmeester: Wat is Uw stijl? Of zoudt ge denken dat indien de Grieken, die honderden jaren vóór Christus leefden, de macht hadden om de geschiedenis eens om te keeren en te leven nádat onze bouwmeesters hadden geleefd - zouden die Grieken dan een panthéon in een toekomstig Athene bouwen in de stijl van de bierbrouwerij op de Schans? [26] Stenografisch verslag van Multatuli's voordracht van 15 februari 1878 door H.G. Icke jr. (afschrift mm). vw xix, pp. 116-130, citaat op p. 125; aantekeningen van Multatuli voor dezelfde voordracht: vw xix, pp. 130-133.

Maar Multatuli zelf vond dat ook een stenografisch verslag aan zijn voordrachten geen recht kon doen. Hij zei dit tegen een kennis in Middelburg, H.L.F. Pisuisse, hoofdredacteur van de Middelburgsche Courant. Pisuisse zette een deel van zijn gesprek met Multatuli in zijn krant, waardoor de abonnees het enige interview te lezen kregen dat Multatuli ooit gegeven heeft. ‘Ik zou uwe komst’, begon de interviewer, ‘als eene ramp voor mij beschouwen, indien ik mij verplicht achtte van uwe rede een eenigszins nauwkeurig verslag te geven.’


- ‘Hoe dat?’ vroeg de aangesprokene.
- ‘Omdat ik daar geen kans toe zou zien’, luidde het antwoord.
- ‘Inderdaad, ik begrijp dat dit een zeer moeilijk werk moet wezen’, hernam Multatuli.
- ‘Het eenige waar ik mij aan zou durven wagen’, - ging de ander voort, - ‘zou zijn te beproeven den indruk te schetsen, dien uwe voordracht op mij gemaakt heeft.’
- ‘Maar dat is immers beter dan de letterlijke opteekening mijner woorden’, klonk het, met grooter levendigheid dan hij tot dusverre aan ons gesprek had bijgezet. ‘Een woordelijk verslag is niet nauwkeurig, evenmin als stenographie. Zij geven, altijd nog onvolledig, slechts het dorre geraamte weder. Van den indruk van het gesproken woord is daarin niets te vinden.’ [27] Middelburgsche Courant, 4 maart 1878. vw xix, pp. 244-245.

Het vraaggesprek werd na de voordracht voortgezet, en handelde


over Göthe en Molière, over Mina Krüseman en prof. Van Vloten, over de definitie van den cirkel en over den gemeenschappelijken oorsprong aller talen, over de waarde van den vorm in kunstwerken, over de beteekenis, te hechten aan het oordeel van het publiek in zaken van kunst, en over de Nibelungen-trilogie van Wagner. [28] Idem, 5 maart 1878. vw xix, p. 251.

Helaas kwam daarvan maar een klein deel woordelijk in de krant (het zou bijvoorbeeld interessant zijn om te weten of hij iets van Wagners Ring - een tetralogie, overigens - had gehoord), maar Multatuli las het met plezier: ‘dat interviewing artikel is wel aardig’, schreef hij zijn vrouw. [29] Multatuli aan Mimi, 10 maart 1878. vw xix, p. 294.

De vier lezingentournees leverden, afgezien van geld en veel lange brieven aan Mimi, ook veel publiciteit op. Dat Multatuli een bekende Nederlander was, zoals wij nu zouden zeggen, werd weer eens duidelijk: de voordrachten werden, zeker in het begin, uitvoerig besproken. Typerender nog waren de polemieken die er het gevolg van waren. Multatuli zou zichzelf niet zijn als hij een deel van zijn publiek en van de krantenlezers niet tegen zich in het harnas joeg met uitspraken over godsdienst en politiek. Zo ook tijdens het laatste voordrachtenjaar, toen hij zich beperkte tot vijf thema's. Het onderwerp waarover hij het vaakst sprak, ‘de wording der dingen’, kwam op 19 maart 1881 ook in Zaandijk aan de orde. Daar moest althans de verslaggever van de Zaanlandsche Courant niets hebben van Multatuli's sterk door het darwinisme geïnspireerde wordingsleer. ‘Multatuli schijnt machtig ingenomen te wezen met zijn ongeloof, anders, waarom er mede gebrald bij velen, wien het geloof heilig, dierbaar is?’, schreef de Zaanlander misprijzend. [30] Zaanlandsche Courant, 23 maart 1881. Fragmenten uit dit stuk en de volgende polemiek zijn opgenomen in vw xxi (pp. 234 e.v.); kopieën van de volledige stukken bevinden zich in het mm. Er waren echter lezers die zijn mening niet deelden. De zich wekenlang voortslepende discussie tussen enkelen van hen en de verslaggever maakte vooral duidelijk dat het geloof zelfs in de van oudsher zo vrome Zaanstreek niet langer vanzelf sprak.

Multatuli gaf vaak te kennen dat de verslagen in dagbladen en tijdschriften hem onverschillig lieten. Hij was meer geïnteresseerd in de reacties van de aanwezigen en, uiteraard, hun opkomst. (Om die reden verwezen zijn tegenstanders nog wel eens honend naar zijn befaamde ‘Publiek, ik veracht u met grote innigheid!’) Belangrijk voor hem was het contact dat hij met zijn toehoorders had. Onder het publiek bevonden zich uiteraard veel vrienden en bewonderaars, maar ook anderen namen de moeite zijn lezingen te bezoeken. Zo ontwaarde hij in januari 1880 in Schiedam voor in de zaal dominee François HaverSchmidt, ook bekend als Piet Paaltjens. ‘Haspels was by me, en hy had er zoo'n schik in’, schreef hij Mimi. [31] Multatuli aan Mimi, 19 januari 1880. wv xx, p. 227.

HaverSchmidt bleef een buitenstaander; er is geen aanwijzing dat Multatuli hem heeft gesproken. Wat dat betreft hebben de vele ontmoetingen met zijn vaste lezers meer betekend. Hij haalde oude banden aan en sloot nieuwe vriendschappen. Belangrijk was voor hem de hernieuwde kennismaking met R.J.A. Kallenberg van den Bosch, rentmeester van prins Frederik, tweede zoon van koning Willem i (de prins overleed in 1881). De vriendschap met Kallenberg van den Bosch was in de jaren zestig bekoeld, toen deze zich met Potgieter en Van Vloten buiten Multatuli om met de financiële ondersteuning van Tine ging bemoeien. In 1878 bloeide de vriendschap weer op, na een voordracht in Breda op 30 maart. Vanaf dat moment schreef Multatuli Kallenberg van den Bosch vele openhartige brieven, vaak van grote lengte. De brieven aan Kallenberg van den Bosch behoren tot de mooiste uit Multatuli's laatste jaren, mede omdat hij zijn Bredase vriend vertrouwde en daarnaast waardeerde als (vooral politiek) denker; dit leverde lange betogen op over Nederlands-Indië, die in zijn gepubliceerde werk niet hadden misstaan.

Niet minder bewogen was, bij hetzelfde bezoek in Breda, het weerzien met twee bekenden van nóg langer geleden. In de pauze van zijn lezing werd Multatuli aangesproken door P.A.A. Collard, ofwel commandant Duclari uit Max Havelaar. ‘Hy was zeer hartelyk’, aldus Multatuli. ‘Ook Van Hemert (Verbrugge) is hier, maar zeer ziek. Daarom kon-i niet op de voordracht komen, maar straks ga ik met Collard hem bezoeken.’ [32] Idem, 31 maart 1878. vw xix, p. 407. Het bezoek aan A.J. Langeveldt van Hemert, zoals de man die voor Verbrugge model had gestaan voluit heette, was wat pijnlijk. De controleur uit Max Havelaar was ‘oud, zwak en ziekelijk’ geworden. [33] Multatuli aan Robbers, 11 januari 1881. vw xxi, p. 47. Toen hij Multatuli zag,


begon hy als 'n kind te schreien, en viel slap tegen my aan. Ik bezocht hem wel eenigszins met het plan hem te verzoeken nu, na 't eindigen van zyn carrière, hy was gepensioneerd als Resident, nu niets hem meer deren kon, voor my op te treden. Maar z'n toestand was zóó ellendig, hy was zoo ouwelyk en débiel en... hy huilde zoo, dat ik 't niet van my verkrygen kon hem op kosten van krachts- of karakterinspanning te jagen. [34] Multatuli aan Roessingh van Iterson, 8 januari 1881. vw xxi, p. 606.

Van Hemert overleed op 7 december 1880 in Breda, 55 jaar oud.

Het bolwerk van de Multatuli-getrouwen zou na 1878 niet langer Amsterdam zijn, of Sneek, maar Rotterdam. Vanuit Rotterdam was hij aan zijn voordrachten begonnen, omdat Haspels daar woonde. In deze stad maakte hij kennis met een familie die hem tot zijn dood onvoorwaardelijk bleef steunen: de oogarts Jacob Hendrik de Haas, zijn vrouw Gosewina, die Lien werd genoemd, en hun dochter die eveneens Lien heette. Door mevrouw De Haas kwam Multatuli in contact met de journalist en volkenkundige J.F. Snelleman, bekend van een verslag dat hij (met A.L. van Hasselt en C.H. Cornelissen) publiceerde over een grote Sumatra-expeditie. Tot de kring van Lien de Haas hoorden verder de assuradeur H.C. de Wolff en Stine Bremer-Snelleman (een zuster van J.F. Snelleman), die getrouwd was met de musicoloog J.B.H. Bremer. De vriendschap met de Bremers was niet blijvend. Mevrouw Bremer was niet altijd gemakkelijk in de omgang, zo kan men uit Mimi's brieven aan haar opmaken (van haar eigen brieven is er maar één teruggevonden). Dat leidde in 1884, tijdens een logeerpartij van de Bremers bij Mimi en Multatuli in Duitsland, tot een uitbar- sting. Na een debat over de toelaatbaarheid van het duelleren (Multatuli was nog altijd sterk vóór) gooide de gastheer zijn bezoekers de deur uit. ‘Ze verveelden my’, gaf Multatuli in een brief aan Kallenberg van den Bosch als commentaar, overigens niet zonder zelfkennis.



illustratie
A.J. Langeveldt van Hemerten




illustratie
P.A.A. Collard


 


Ils m'ennuyaient, vooral de vrouw. Dit was reeds lang 't geval en ik heb de fout begaan hun of hem of haar dit niet terstond te zeggen. In haar geschryf aan Mimi bleek me dat ze eigenwys, betweterig, aanmatigend, bemoeiziek was, en ik had haar ronduit moeten schryven of laten schryven dat ook ik al die eigenschappen bezat en ze dus niet kon dulden in 'n ander... [35] Multatuli aan Kallenberg van den Bosch, 18 juli 1884. vw xxiii, pp. 187-188.

Maar de kern van de Rotterdamse vriendenclub werd toch gevormd door ‘de Hazen’, zoals Multatuli ze vaak noemde. De Haas bezorgde hem een leesbril (zijn ogen waren al slecht in de tijd dat hij de Havelaar schreef). Lien de Haas bewonderde hem, dweepte met hem en had het soms in brieven aan Mimi over ‘onzen grooten Meester’, maar daar had hij geen bezwaar tegen. [36] Conceptbrief van G.C. de Haas-Hanau aan Mimi, 14 mei 1882. vw xxii, p. 262. Het huis van dokter De Haas zou voortaan een vast logeeradres worden als hij Nederland bezocht. En mevrouw De Haas stuurde vele bokkingen (gerookte haringen) naar Duitsland; Multatuli hield niet van eten, maar bokking at hij graag. In november 1882 zorgde Lien de Haas niet alleen voor bokking, maar ook voor een korte kamerjas (een coin de feu), wat Multatuli een paar grafschriften op de manier van de Schoolmeester in de pen gaf, zoals:

hier ligt 'n man die niet pluis was,

Dat bleek uit bokking en huisjas.

of:

deze persoon - is 't niet shocking?

Vertrouwde z'n vrienden niet voor 'n bokking.

of [...]

Och, had-i maar by me aangeklopt

'K had met pleizier de bokking in hem, en

hem in 'n coin du feu gestopt. [37] Multatuli aan G.C. de Haas-Hanau, 8 november 1882. vw xxii, pp. 440-441. ‘Coin du feu’: verschrijving van Multatuli.

De voordrachten gaven voorts aanleiding tot hernieuwde contacten met bloedverwanten. Met de zussen en de broer van Mimi waren Multatuli en zijn vrouw altijd al vrij veel omgegaan, maar ook hijzelf had nog familieleden. Al waren zijn broers Pieter en Jan beiden dood, hun kinderen leefden nog (op één na). [38] Alleen Pieters derde zoon, Eduard Douwes Dekker, was in 1868 al overleden. Pieter had vier zonen; Jan vier zonen en drie dochters. Pée, Multatuli en de zijnen, pp. 422 en 430. In 1881 zocht Multatuli Pieters oudste zoon Engel Douwes Dekker op, die in Den Haag woonde en directeur was van de Nederlands-Indische Levensverzekering- en Lijfrentemaatschappij. [39] Pée, Multatuli en de zijnen, pp. 289 en 343. De kennismaking was hartelijk; later zou Engel met zijn gezin bij Multatuli in Duitsland logeren. Ook met de oudste zoon van Jan, Auguste Douwes Dekker, kon Multatuli goed overweg. Met hem had hij al langer contact (sinds 1874), maar omdat Auguste in Indië woonde, bleef dit beperkt tot enkele hartelijke brieven. Intensieve briefwisselingen met Nederlanders in de Oost waren schaars, doordat de post zo lang onderweg was (zelfs met de overlandmail nog een aantal weken). Multatuli's laatst bekende brief aan zijn neef Auguste werd in september 1883 geschreven.

De twee familieleden die Multatuli het meest bezighielden, waren uiteraard zijn eigen kinderen. Nonni's huwelijk met de Italiaan Bassani was voor Multatuli reden geweest om aan zijn omgang met haar een eind te maken. Zelfs toen hij in augustus 1881 grootvader werd, kon hij zich er niet toe zetten Nonni en haar man (‘dien vreemdeling’) te schrijven, hoewel Bassani hem daartoe meermalen allerhartelijkst uitnodigde. Volgens Hermans was voor Multatuli de gedachte onverdraaglijk dat hij een schoonzoon had die zijn boeken niet kon lezen. [40] Hermans, De raadselachtige Multatuli, tweede druk, p. 212. In de volgende woorden van Multatuli zou men daarvan een bevestiging kunnen lezen:


Ik voel zoo dat zoo'n Italiaan - en misschien Nonni zelf ook - my voor 'n barbaar uit het Noorden houdt. Men zou om met dezulken wèl te blyven, moeten dweepen met Italiaansche poëzie, kunst &c, naar myn inzien voor 7/8 konventioneele en opgedrongen begrippen. Ik word misselyk als ik Petrarca & Dante ‘dichters’ hoor noemen, en Rafael vind ik 'n gek. Men hoeft nu juist niet naar Italie te gaan om menschen te vinden die my dit kwalyk nemen!
Tot iets aangenaams in den omgang, zelfs by gewone kennissen, is zekere overeenstemming in hoofdbegrippen noodig. Hoe kan er intieme hartelykheid heerschen tusschen vader en dochter waar deze op 'n zoo geheel ander standpunt staat? Dit is onmogelyk, en 't smart my te meer omdat ik zoo zielsveel van Nonni hield. Ze was zoo'n lief kind, vlug, oprecht, geestig en hartelyk! [41] Multatuli aan Kallenberg van den Bosch, 12 oktober 1881. vw xxi, pp. 464-465.

Hij had een speciale en hoogst onredelijke aversie tegen de schilder Rafaël, die ‘byv. boomen schildert die (naar uitgerekende verhouding) 1⅓ millioen meters hoog zyn’. [42] Multatuli aan het echtpaar Bremer-Snelleman, 27 februari 1882. vw xxi, p. 732. Uiteraard was de Italiaanse kunstenaar zich hiervan ook wel bewust. De Italiaanse taal beviel hem evenmin, zo schreef hij zonder merkbare ironie, ‘in verband met de naar myn inzien uit het gebruik van dat liplapperig idioom voortvloeiende karaktervorming’. [43] Multatuli aan De Haas, 7 augustus 1880. wv xx, p. 496.

Dat Italiaanse was ook wat hem niet aanstond in Nonni's broer, over wie hij aanzienlijk harder oordeelde. Want onder de oude bekenden die hij tijdens de lezingentournees ontmoette, bevond zich ook Edu. De jaren dat ‘de kleine Max’ de harten stal van de hoofden van Lebak, waren lang voorbij. Multatuli's genegenheid voor zijn zoon was niet groter geworden, sinds Edu in 1877 tevergeefs bij hem en Mimi had aangeklopt. Hij had de hoop opgegeven dat het met Edu nog eens goed zou komen. ‘Met geen schatten kan ik 'n 24 jarigen grysaard tot 'n behoorlyk jongmensch maken’, deelde hij zijn dochter Nonni, die voor haar broer in de bres sprong, in februari 1878 mee. [44] In een brief van Multatuli aan Mimi, 26 februari 1878. vw xix, p. 207. Een jaar later meldde Edu zich bij Multatuli, in de pauze van een voordracht in Delft. Hij liet de wantrouwige ondervraging door zijn vader deemoedig over zich heen gaan tot diens ergernis. ‘Dat vriendelyke, zachte, altyd toestemmende is hatelyk als men toch weet dat men op niets rekenen kan’, schreef Multatuli aan Mimi. ‘Ook hindert zyn voorkomen me zoo! Dat malle brilletje, dat uitgevallen haar, die kwasi-fatterige maniertjes!’ [45] Idem, 13 februari 1879. vw xix, p. 672. Toch logeerde Edu bij hem in Rotterdam, in hotel Weimer. Tien dagen later, op zaterdagavond 22 februari, waren ze weer bij elkaar. Die avond was Multatuli bijzonder goed geluimd, zelfs tegenover zijn zoon. ‘Ik moet zeggen dat zyn gedrag en wyze van zyn allerliefst is. Dus de spons door alles.’ [46] Idem, 22 februari 1879. vw xix, p. 708.



illustratie
Een gravure naar een schilderij van Rafaël, met aantekeningen van Multatuli. Hij berekende dat Rafaëls bomen 1,3 miljoen meter hoog waren.


 

Het was een laatste opleving. Al snel dacht hij weer als voorheen over Edu; meer dan eens wenste hij zelfs dat zijn zoon dood was. Een paar plannen om hem naar Indië te laten gaan, liepen op niets uit. Maar in mei 1879 leek er wat hoop te zijn: Edu kwam in dienst van de boekhandelaar J. van der Hoeven, een vriend van Multatuli. De brieven van Multatuli aan Van der Hoeven geven blijk van een ziekelijke achterdocht jegens Edu. In diverse brieven noemde hij zijn zoon ‘in 't zedelyke (door 'n hersenfout misschien) kleurenblind’. [47] Multatuli aan Van der Hoeven, 23 januari 1880. wv xx, p. 243. Maar op 5 juli 1880 werden zijn sombere verwachtingen bevestigd: Van der Hoeven berichtte hem dat Edu ervandoor was gegaan, nadat hij een greep in de kas had gedaan. Hij zou vijfhonderd gulden hebben gestolen. [48] Inlichtingen van M.C. van der Hoeven-Meyer, weduwe van Van der Hoeven, aan Menno ter Braak, 1937. Ter Braak (red.), Multatuli en zijn zoon, p. 30. Ook: Multatuli aan Kallenberg van den Bosch, 9 juli 1880. wv xx, p. 472. Multatuli wilde de volgende advertentie in de krant zetten: ‘Ik ben in de treurige noodzakelykheid te waarschuwen tegen het verleenen van krediet aan myn zoon Eduard Douwes Dekker Jr.’ [49] Multatuli aan Van der Hoeven, 5 juli 1880. wv xx, p. 464. Dit klinkt bar, en dat is het natuurlijk ook, maar het kwam vaker voor; zo stond juist in die dagen in de nrc de annonce: ‘waarschuwing. De ondergeteekende waarschuwt ieder, geen gelden of goederen af te geven aan zijn 19-jarigen Zoon jan cornelis. j. van der dussen.’ [50] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 15 juli 1880. Anders dan de oproep van deze Van der Dussen, kwam Multatuli's waarschuwing niet in de krant.

Kort daarop werd zijn aandacht getrokken door een misdrijf in Den Haag. Op donderdagmiddag 23 september 1880 was daar de dertienjarige Marius Bogaardt ontvoerd. De familie van de jongen ontving nog diezelfde avond een dreigbrief van de ontvoerder, waarin deze onder andere 75.000 gulden eiste. De volgende morgen al vond de politie het lijk van Marius Bogaardt in het zogeheten Dekkersduin, bij Loosduinen. De politie arresteerde een aantal verdachten, onder wie oud-grenadier W.M. de Jongh, die zich op de plaats had bevonden waar het losgeld moest worden overhandigd, maar ze werden allen al snel weer vrijgelaten. Omdat het onderzoek stagneerde, werd besloten een facsimile van de dreigbrief te verspreiden. Een sergeant van het Haagse Regiment Grenadiers en Jagers herkende daarin het handschrift van zijn oud-collega De Jongh. Hij zocht De Jongh op en begaf zich na het gesprek naar de politie. Diezelfde dag nog, op 3 oktober, werd De Jongh voor de tweede maal gearresteerd. [51] Deze en volgende gegevens ontleend aan: Ett, Holland in rep en roer, pp. 94-155.

Multatuli heeft altijd veel belangstelling gehad voor moordzaken en strafrecht. De moord op de (eveneens Haagse) mevrouw Van der Kouwen door H.J. Jut en zijn vrouw was, zoals we hebben gezien, aanleiding tot enkele nieuwe hoofdstukken in de tweede druk van Over Specialiteiten. Zijn belangstelling voor dit soort misdrijven nam met de jaren nog toe. Zo volgde hij met grote interesse de zaak van de moord op een Utrechtse hospita door een stel dronken studenten (Multatuli sprak schande van het veel te milde vonnis van een rechter die - in tegenstelling tot Multatuli zelf - óók student was geweest); niet minder werd hij geraakt door de beruchte Leidse ‘Goeie Mie’, die een aantal buurtgenoten vergiftigde om de verzekeringsuitkering op te strijken. Maar zijn meer dan gemiddelde belangstelling voor de moord op Marius Bogaardt had een andere grond. Toen de eerste berichten erover in de kranten verschenen, dacht hij onmiddellijk aan zijn zoon. ‘En toen 't facsimile van den brief my onder de oogen kwam meende ik daarin zyn (verdraaide!) hand te herkennen!’ Hij nam de eerste de beste trein naar Den Haag, om daar zijn zoon aan te geven. En hoewel hij van de dienstdoende agent te horen kreeg dat de verdachte De Jongh inmiddels had bekend, was Multatuli niet gerustgesteld. ‘De geheele zaak is Italiaansch’, aldus Multatuli. [52] Multatuli aan Kallenberg van den Bosch, 5 oktober 1880. wv xx, p. 508. Maar toen hij meer te horen kreeg over de bekentenissen van De Jongh, en bovendien vernam dat Edu al sinds juli onafgebroken in Padua was, moest hij erkennen dat zijn zoon - althans in deze zaak - onschuldig was. [53] Multatuli aan Van der Hoeven, 22 oktober 1880. wv xx, p. 522. Idem, 24 oktober 1880. wv xx, pp. 523-524. Een reden om zijn houding tegenover Edu te herzien was het niet. Een ‘brutale’ brief van Edu, die via zijn zus vermoedelijk op de hoogte was geraakt van zijn vaders verdenking, bracht Multatuli ernstig uit zijn humeur. ‘Hy schynt te meenen dat het niet-vermoorden van Marius Boogaardt 'n groote verdienste is, die hem schoon wascht van al z'n beroerdheid!’ [54] Idem, 24 oktober 1880. wv xx, pp. 523-524. Multatuli had Nonni ingeschakeld om Edu's verblijfplaats te achterhalen. Van Straten vermoedt dat Edu zo het een en ander te weten kwam, en daar is inderdaad veel voor te zeggen. Van Straten, Multatuli. Van blanke radja tot bedelman, p. 394.

Het zal niemand verbazen dat deze affaire vrijwel het einde betekende van Multatuli's omgang met zijn zoon. In de jaren daarop zijn er sporadisch nog wat brieven gewisseld, maar ze hebben elkaar niet meer gezien. Met Edu's loopbaan zou het uiteindelijk nog redelijk aflopen. Na een aantal vergeefse pogingen als journalist door te breken werd hij ten slotte leraar Frans. Zijn leerlingen bewaarden over het algemeen goede herinneringen aan hem. [55] Getuigenissen van leerlingen in De Schoondochter, De waarheid over Multatuli en zijn gezin, pp. 20-29. Zie ook de collectie Tromp Meesters (mm). Maar een poging om, met gebruikmaking van zijn achternaam, een schrijversloopbaan te beginnen (waartoe hij onder anderen Willem Kloos benaderde), mislukte. Het Multatuli Museum bewaart wat ongepubliceerd letterkundig werk van Edu, waaronder een novelle, ‘Italiaansche Brieven’ en een stapel vellen met ‘Ideën’ - afgezien van de titels alles in het Frans, maar vooral het laatste duidelijk geïnspireerd op Multatuli's Ideeën. Bij zijn ‘Ideën’ maakte Edu een aantal niet onaardige tekeningen, waarmee hij aantoonde dat zijn zus niet de enige was die dit talent bezat. Enkele zinspreuken verschenen in druk, en de eerste toont al dadelijk de invloed van zijn vader: ‘Het doel van al ons streven is: genieten. [56] Knowlton, Vruchten der Philosofie, pp. 59-62. Edu's hierin gepubliceerde aforismen zijn opgenomen in vw xxv, pp. 180-183.



illustratie
Edu, enkele jaren na de dood van zijn vader, met zijn vrouw A.G. Post van Leggelo. Onder de schrijversnaam De Schoondochter publiceerde zij in 1939 een boek tegen Multatuli en zijn bewonderaars.


 

Multatuli en Mimi kregen geen kinderen. Ondanks de teleurstellende ervaringen met Edu en Nonni moet Multatuli toch hebben gehoopt dat ook Mimi in verwachting zou raken. [57] Terugblik van Mimi in haar Dossier Eduard Bernhold, 1 december 1879. wv xx, p. 140. Als de herinneringen van Mimi op dit punt tenminste kloppen; zelf schreef Multatuli er zelden over. Wel had hij in 1873 een keer, bij de aanblik van een bedelend kind, tegen Mimi gezegd: ‘Wat 'n lief kind. - ik zou er aardigheid in hebben zoo'n kind aantenemen.’ [58] Dagboekaantekening van Mimi, 16 april 1873. vw xv, p. 724. Misschien dacht Mimi daaraan terug toen ze met Marie Anderson een plan smeedde dat voor Multatuli verborgen moest blijven. Terwijl hij vanwege zijn voordrachten door Nederland trok, plaatste Mimi op 12 februari 1878 een advertentie in het Wiesbadener Tageblatt. ‘Es wird ein gesundes, elternloses Kind von 2-5 Jahren ohne Vergütung anzunehmen gesucht. Offerten unter M.A. 61 postlagernd erbeten.’ [59] [Leibfried (red.)], Wer war Multatuli?, p. 73. De letters M.A. stonden voor Marie Anderson. De annonce leverde twaalf reacties op. Een ervan, geschreven op de dag dat de advertentie geplaatst werd, was afkomstig van mevrouw Adelheide von Gugel, geboren Bermann. ‘Ein hübscher, gesunder Knabe, von etwas über zwei Jahren, (elternlos) kann eine[r] anständigen Familie übergeben werden.’ [60] A.K. von Gugel-Bermann aan Mimi (eig. aan ‘M.A. 61’), 12 februari 1878. vw xix, p. 86. Dit bleek achteraf niet helemaal te kloppen: het kind had wel degelijk twee nog levende ouders, en zijn moeder was de schrijfster van het briefje. Het was allemaal gekomen door een ontmoeting die de jonge weduwe Von Gugel (‘een aanzienlyke dame’) had met majoor Bernhold van het ix Königliche Infanterie Regiment - ‘en die toen iets menschelyks overkomen is’, aldus Mimi. ‘Myn hemel, we zyn alle menschen! wie zal zich daarover verwonderen.’ [61] Dossier Eduard Bernhold, 5 december 1879. wv xx, p. 147. De officiële achternaam van het kind was Bermann, naar de meisjesnaam van zijn moeder, maar vanaf het eerste begin werd de naam van zijn vader gebruikt. Na een korte maar intensieve briefwisseling met de ouders van de ‘knappe gezonde jongen’ besloot Mimi de zaak door te zetten. Op 8 maart werd Eduard Bernhold jr., twee jaar oud, door zijn verzorgster naar Mimi gebracht.

Multatuli, nog steeds in Nederland, wist al die tijd van niets. Wel had Mimi hem over een ‘intriguetje’ geschreven, waarop hij begon te raden wat het kon zijn. Hij kwam nog een heel eind met de veronderstelling dat ze een hond had geadopteerd. [62] Multatuli aan Mimi, 26 februari 1878. vw xix, pp. 206-207. Het duurde na de komst van het kind nog een paar dagen voordat Mimi haar man ervan op de hoogte stelde. Zijn reactie kwam direct, per telegram: ‘Behalte das Kind in Gottes Namen.’ [63] Telegram van Multatuli aan Mimi, 13 maart 1878. vw xix, p. 310.

Mimi hield het kind, en ze kregen er geen spijt van. ‘Wouter’, zoals ze de jongen al snel noemden, werd een van de weinige lichtpunten van Multatuli's oude dag. Eindelijk had hij iemand met wie hij naar hartenlust zijn favoriete bezigheid kon uitleven: vliegers oplaten. De vele problemen die het kind met zich meebracht - langdurige en uiteindelijk vergeefse pogingen om de adoptie ook officieel erkend te krijgen, moeilijkheden met het verplichte (godsdienstige) onderwijs in Duitsland - namen ze graag voor lief. Multatuli had wat Wouter betreft maar één echte zorg: dat hijzelf lang genoeg zou leven om in de herinnering van de jongen te blijven voortbestaan. Maar ook dat lukte: toen Multatuli overleed was Wouter elf. Voor het overige had hij louter plezier van het aangenomen zoontje.


Nu, op 't oogenblik is hy 'n alleraardigst kereltje, de vreugd van m'n ouderdom, 'n zonnestraal in huis. Ge kunt u moeielyk voorstellen hoe men aan zoo'n wezentje - zonder bloeds-gemeenschap - gehecht raken kan. Hy vergoedt my m'n verloren kinderen, al kan hy dan nooit herstellen wat ik om en door die kinderen - door toedoen van vreemden! - geleden heb. [64] Multatuli aan De Beer, 1 mei 1883. vw xxii, p. 603.

Met die vreemden bedoelde Multatuli natuurlijk Van Vloten en de zijnen. Elders noemde hij de levenslustige jongen ‘pret op twee benen’; hij zou ‘dood gaan’ als het kind er niet was. [65] Mimi aan C. Bremer-Snelleman, 19 maart 1882. vw xxii, p. 30.

Wouter zou later in de voetsporen van zijn pleegvader treden: in 1895 vertrok hij naar Nederlands-Indië. Daar werkte hij als administrateur op diverse ondernemingen en kreeg hij tijdens twee huwelijken vier kinderen. Hij overleefde de Tweede Wereldoorlog, maar niet lang. Eind augustus 1945, tijdens het machtsvacuüm en de gewelddadigheden na de overgave van de Japanners, de zogeheten Bersiap (‘weest paraat’), werd hij ernstig mishandeld door Indonesiërs. Kort daarop overleed hij, 69 jaar oud. [66] Hermans, De raadselachtige Multatuli, pp. 235-236; Dossier Eduard Bernhold, mm. Volgens een aantekening in dit dossier zou Wouter zijn overleden ‘in het Banjoewangische’, dus op Oost-Java; Hermans, die zich baseert op een mededeling van het Nederlandse Rode Kruis, noemt echter Ambarawa (Midden-Java, bij Semarang). Over de Bersiap zie bijv. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel xii, tweede helft, pp. 736-737.

De komst van Wouter vond plaats tijdens de eerste voordrachtentournee. De cyclus was financieel een groot succes. En het zou, zo meende Multatuli, hierna nog beter worden; aangemoedigd door het succes van de bijeenkomsten bedacht hij met een stel vrienden een plan ‘om Max Havelaar te pensioneren’. Dit doel moest worden verwezenlijkt door het genootschap Tandem. Voluit heette het Tandem bona causa triumphat: ten slotte overwint de goede zaak. Het was het devies van August i van Saksen (1526-1586), die van zijn vorstendom ‘een modelstaat voor Duitschland’ maakte, maar of de initiatiefnemers dat hebben beseft, is onduidelijk. [67] Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal, tiende druk, negende oplage (1982), deel ii, p. 3206. Winkler Prins Encyclopaedie, tweede druk, deel 2 (1884), p. 315. Het was de bedoeling dat een aantal vertrouwelingen zich ertoe verplichtte jaarlijks een bepaald bedrag aan Multatuli over te maken; bovendien zouden zij hun vrienden overhalen dit ook te doen, die op hun beurt hun vrienden weer van hetzelfde zouden overtuigen, enzovoort. Zo zouden ze zorgen voor wat Multatuli door zijn ontslag in Lebak net was misgelopen: een pensioen. [68] Over de opzet van Tandem: zie bijv. Mansholt aan De Raaf, 12 maart 1878. vw xix, p. 398. Het voordeel hiervan was dat de hulpactie geheim zou zijn; er hoefde niet voor te worden geadverteerd en er was geen publieke steun nodig. Het nadeel was dat ze niet werkte.



illustratie
Uit het fotoalbum van Mimi: rechts Mimi en Wouter, omstreeks 1882 gefotografeerd, en links niet Multatuli, maar Heinrich Heine, getekend door Ernst Benedikt Kietz. De gelijkenis met Dekkers portret uit de verloftijd (p. 286) is treffend.


 

Multatuli was aanvankelijk, zoals meestal als hij een plan had bedacht om rijk te worden, vol optimisme. ‘Het moet en zal grandioos worden’, voorspelde hij. ‘Een kans van mislukken is niet te bedenken.’ [69] Multatuli aan Mimi, 30 maart 1878. vw xix, p. 398. Toch mislukte het, al heeft het hem tot het eind van zijn leven wel íets opgeleverd - maar veel minder dan hij had verwacht. Tandem strandde, omdat zijn directe vrienden weliswaar meededen (voorzover ze daartoe financieel in staat waren), maar er niet in slaagden hún kennissen te mobiliseren. In totaal deden er, zo schatte hijzelf, een stuk of dertig personen aan mee, terwijl hij op duizenden had gehoopt (en gerekend). En dus was Multatuli diep teleurgesteld. ‘De heele zaak is me zeer verdrietig! Slechts 'n schitterende uitslag had haar gewettigd, (geadeld, had ik byna gezegd) -’ [70] Multatuli aan Mansholt, 7 juni 1881. vw xxi, p. 313.

Zijn verdriet over het mislukte Tandem verbleekte bij de woede die werd veroorzaakt door een volgende hulpactie, in 1882, de laatste - afgezien van een paar kleinere inzamelingen door individuele aanhangers - die voor hem werd georganiseerd: het Huldeblijk.

Anders dan bij Tandem het geval was, kwam de laatste poging om Multatuli een in materieel opzicht aangename oude dag te bezorgen uitvoerig in de kranten. Het begon met een artikel van oud-legerofficier M.T.H. Perelaer, een man die zich na een loopbaan in Nederlands-Indië - waar hij onder andere bij de Atjeh-oorlog betrokken was - opeens ontpopte als een sociaal bewogen schrijver. [71] Evers, ‘Militair eerbetoon voor Multatuli’. Naar aanleiding van dit stuk kwam er een briefwisseling tussen Multatuli en Perelaer op gang. Daarvan is één brieffragment bewaard gebleven (van 4 april 1882), dat door Karin Evers werd overgenomen uit de Garmond-editie van Multatuli's Verzamelde Werken, deel x, pp. 24-25, maar dat niet in de vw is terechtgekomen. In een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad van 25 december 1881 ging Perelaer in op de juist verschenen vijfde druk van Max Havelaar. Er was op Java volgens Perelaer niets verbeterd in de twintig jaren die waren verstreken sinds de eerste druk was verschenen - integendeel. De gewezen officier hekelde de schijnheiligheid van zijn landgenoten, die zich na de eerste Boerenoorlog geweldig druk maakten om een stel stamverwante boeren in Transvaal, waar Nederland toch niets te zoeken had. Tegelijkertijd bekommerden ze zich volstrekt niet om de ellende in de eigen koloniën, en met name Bantam, ‘met zijn ellendig volk, louter heidenen en Mohammedanen. Bah!’ [72] Algemeen Handelsblad, 25 december 1881. vw xxi, pp. 540-547. Met zijn artikel bevestigde hij de laatste aantekening die Multatuli aan de vijfde druk van de Havelaar toevoegde: ‘Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Gehele dorpen zyn uitgestorven.’ [73] Max Havelaar. vw i, p. 376. De berichten waren gebaseerd op een niet-gepubliceerd rapport van de arts D.J.A. Arntzenius; ingenieur R.A. van Sandick zou later uitvoerig schrijven over de ‘veepest’ en de ‘Koortsepidemie’ die Bantam tussen 1879 en 1881 teisterden, en de hongersnood die daarvan het gevolg was. [74] Van Sandick, Leed en lief uit Bantam, passim.

Multatuli las het stuk van Perelaer en schreef aan zijn Zeeuwse vriend Pisuisse: ‘Schikt het U my wat te helpen aan 't verspreiden van de denkbeelden die de heer Perelaer neerlegt in z'n hartig stuk? (Handelsblad 25 Dec.) Ik was aangedaan toen ik 't las! Op zoo-iets wachtte ik sedert jaren!’ [75] Multatuli aan Pisuisse, 28 december 1881. vw xxi, p. 357. Hetzelfde verzoek richtte hij aan een aantal andere vrienden; een maand later verscheen Perelaers stuk, van een inleiding voorzien, inderdaad als een afzonderlijke brochure.

Perelaers artikel bracht allerlei vrienden in beweging. Hij was echter niet degene die aan de wieg stond van het Huldeblijk; die rol was weggelegd voor een nieuwe vriend van Multatuli: de student Willem Anthony Paap. Paap, die al een paar jaar onderwijzer was geweest en wiens letterenstudie rond deze tijd vastliep, had Multatuli in de zomer van 1881 in het dorp Nieder-Ingelheim opgezocht, waar deze sinds enige tijd woonde. ‘Wij hebben o.a. gesproken over Rafaël en Rembrandt’, schreef Paap aan Vosmaer. Van de eerste moest Multatuli niets hebben, zoals we al zagen, en Paap was het dan ook niet met hem eens: ‘Dekker verwart de taak van den wijsgeer en van den kunstenaar, van den denker en van den dichter.’ [76] Paap aan Vosmaer, 23 augustus 1881. In: Meijer, Willem Anthony Paap 1856-1923, p. 52. Vermoedelijk zei Paap dat vooral om te benadrukken dat hij niet de Multatuli-kloon was die sommigen in hem zagen. In oktober vatte Paap een plan op om de niet-schrijvende schrijver weer aan het werk te krijgen, en hij informeerde bij Vosmaer over de wenselijkheid van een eerbetoon:


Zou er geen mogelijkheid bestaan, om hem, die daarginder op zijn Ingelheimsche heuvel zit te soezen, eens dit genoegen te doen? Zijn ziel zou er door opfleuren, hij zou weer aan 't werken gaan en dit zou de goede stemming doen voortduren. [77] Paap aan Vosmaer, 24 oktober 1881. In: Meijer, Willem Anthony Paap, p. 67.

Deze brief maakte het waarschijnlijk dat een oproep uit dezelfde tijd in Vosmaers Nederlandsche Spectator van een zekere ‘Pepifax’ tot ‘een hulde, zooals die aan V. Hugo en aan Conscience gebracht werd’, eveneens van Willem Paap afkomstig was. [78] De Nederlandsche Spectator, 8 oktober 1881. vw xxi, pp. 455-456.

In januari 1882 deed Paap een vergeefse poging het letterkundige studentengenootschap Flanor, bakermat van de Beweging van Tachtig, te laten deelnemen aan de huldiging. [79] 's-Gravesande, De geschiedenis van De Nieuwe Gids, deel i, p. 8. Meer succes had hij bij de zestienjarige Albert Verwey, leerling aan de Amsterdamse hbs. Met een schoolkameraad stelde Verwey een ‘Voorloopige Oproeping aan de leerlingen van de h.b.s.’ op:


Na 25 jaren lafhartig zwijgen hebben zich stemmen doen hooren om recht te doen wedervaren aan den ambtenaar, die zijn plichtsvervulling beloond zag door verachting en vervolging. Die roep om recht is ongetwijfeld toegejuichd door u allen en het zou u beleedigend voorkomen indien ik nu nog wilde meedelen wat voor 25 jaar is geschied. [80] Meijer, Willem Anthony Paap, p. 68. De spelfout toegejuichd is van Verwey.

Maar met scholieren alleen zou hij het niet redden, besefte Paap. Hij schreef een concepttekst voor een circulaire en legde deze, met een aantal namen van ondertekenaars, voor aan Multatuli. Hoewel deze het mislukken van Tandem nog vers in het geheugen had, reageerde hij niet afwijzend. Maar hij was er niet erg optimistisch over gestemd, en vreesde


dat middelmatig succès me schaden zou! Schrale deelneming zou juist aan 't licht brengen hoe gering 't aantal is dergenen die my wenschen te steunen, en alle andersdenkenden zouden zich de handen wryven van pleizier... een genoegen dat ze zich sedert veel jaren hebben kunnen veroorloven. [81] Multatuli aan Paap, 22 januari 1882. vw xxi, p. 620.

Toch gaf hij Paap de vrijheid om ermee door te gaan, hoewel hij aanmerkingen had op diens lijst van ondertekenaars.

Daarop sloegen enkele vrienden van Multatuli de handen ineen. Tot de medewerkers van het eerste uur hoorden de wiskundigen D.J. Korteweg en J. Versluys, en de vooruitstrevende beurshandelaar Frank van der Goes, medeoprichter van het genootschap Flanor (en later, met Paap, van De Nieuwe Gids). [82] Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed, deel i, p. 222. Deze drie, die met onder anderen Paap zitting namen in de ‘hoofd-commissie’, zouden de kern van het Huldeblijk gaan vormen. Later voegde Vitus Bruinsma zich bij hen, die aanvankelijk met een eigen oproep tot eerherstel van Multatuli was gekomen. Half maart 1882 verscheen de circulaire ‘ten behoeve van het bijeen brengen van een kapitaal ter huldiging van Multatuli’. Het was een tekst die Willem Paap al in januari aan de schrijver had voorgelegd. In het rondschrijven kon men lezen dat Multatuli's eerherstel ‘geschieden moet metterdaad door het bijeenbrengen van een kapitaal’. En verder:


Wij willen hem in staat stellen tot het einde toe zonder geldelijke zorgen zijnen levensstrijd te strijden; hem bewaren voor de gedachte, hen die hij liefheeft, onverzorgd achter te laten.

Wie iets voor dit doel wilde afstaan, kon zich tot een van de vele ondertekenaars wenden. Onder hen bevonden zich vrienden als Funke, De Haas, Haspels, Kallenberg van den Bosch, Mansholt, Roorda van Eysinga, Tiele en Vosmaer, maar ook een aantal bekende ‘buitenstaanders’, zoals de schilders J. Israëls en H.W. Mesdag, de componist-recensent Daniël de Lange, W. Doorenbos, leraar van de Tachtigers, de sigarenhandelaar-romanschrijver Justus van Maurik en de kunsthistoricus Allard Pierson. [83] Brief van de hoofdcommissie Huldeblijk en de circulaire ‘Landgenooten’, maart 1882. vw xxi, pp. 801-807. Bijzonder veel genoegen zal het Multatuli hebben gedaan dat ook oud-officier Collard (ofwel Duclari) er zijn naam onder had gezet; de aanwezigheid van deze getuige van het drama in Lebak was op zichzelf al een vorm van eerherstel.

De lijst was indrukwekkend, de tekst mooi, en na zijn aanvankelijke bedenkingen begon Multatuli voorzichtig optimistisch te worden. ‘Wel, beste jongen, wat strijd je dapper’, schreef hij Paap op 25 maart. ‘Ook ik begin nu wat hoop te krygen dat de zaak slagen zal.’ [84] Multatuli aan Paap, 25 maart 1882. vw xxii, p. 69. De onderneming leek inderdaad aan te slaan. Het grootst was het enthousiasme in de kring waar Multatuli altijd zijn trouwste aanhangers had gehad: vrijdenkers, links-liberalen en socialisten. Maar de straatarme lezers van het veranderingsgezinde tijdschrift Recht voor allen konden zelden meer missen dan een paar dubbeltjes.

Er kwam al heel snel een tegenbeweging op gang. Onder aanvoering van het Algemeen Handelsblad zetten allerlei dag- en weekbladen de aanval in op het Huldeblijk. De liberale krant publiceerde onder meer een brief van W.B. Bergsma, controleur van Lebak nadat de schrijver van Max Havelaar daar had gediend. Bergsma verweet de gewezen assistent-resident Douwes Dekker gebrek aan geduld en zelfverloochening, en vroeg: ‘Was het wel om aan de inlandsche bevolking, of om in de eerste plaats aan Max Havelaar recht te doen wedervaren, dat hij ontslag nam, en zijn boek schreef?’ [85] Algemeen Handelsblad, 2 april 1882. vw xxii, p. 123. In hetzelfde stuk werd gemeld dat Dekker ‘volgens een particulieren brief’ in 1858 of 1859 geld van Duymaer van Twist had aangenomen. Zie verder hoofdstuk 14. Het felst waren opvallend genoeg de artikelen van de rooms-katholieke bladen. ‘Zijn Ideeën zijn het gevaarlijkste, het slechtste boek, dat jeugdige personen en half-ontwikkelden kan worden in handen gegeven’, schreef De Tijd. ‘Van het treurig ongeloof, van de materialistische en cynieke wereldopvatting, die wij helaas bij velen onder het jongere Nederland aantreffen, draagt Multatuli schuld.’ [86] De Tijd, 5 april 1882. vw xxii, p. 151.

Het Handelsblad, De Tijd, De Maasbode en de andere kranten die zich in mildere of scherpere bewoordingen tegen Multatuli hadden uitgesproken, kregen tot op zekere hoogte hun zin. Het Huldeblijk-comité zamelde minder geld in dan was gehoopt. Na een paar weken begon het er zelfs op te lijken dat de initiatiefnemers, die twintigduizend gulden als een absoluut minimum hadden gezien, niet eens de helft van dat bedrag bijeen zouden brengen. Daarop begonnen allerlei ondertekenaars lokale acties op te zetten; Collard, Kallenberg van den Bosch en A.S. Kok in Breda waren de eersten die het op die manier probeerden. Uiteindelijk slaagden de Huldeblijkers er toch nog in ruim twintigduizend gulden te vergaren.

Een hoop geld - maar lang niet genoeg, vond Multatuli. Toen hij erachter kwam dat de opbrengst wel eens tegen kon vallen, begon hij de penningmeester van het Huldeblijk, Versluys, met zwartgallige brieven te bestoken. En nadat Funke zijn sombere vermoedens had bevestigd, antwoordde Multatuli: ‘Uw brief was my “een val uit de koets”.’ [87] Multatuli aan Funke, 12 april 1882. vw xxii, p. 194. Die mening handhaafde hij. De brieven aan (vooral) Versluys werden nog veel bitterder toen Multatuli erachter kwam dat het hoofdcomité niet hemzelf over het geld wilde laten beschikken, maar het buiten hem om in een lijfrente wilde stoppen. Multatuli beschouwde dat als een vorm van curatele - waarvoor hij zich ook bij eerdere gelegenheden bijzonder gevoelig had getoond. Maar Versluys en Korteweg zeiden dat er een reden was om het zo te doen: tijdens de Huldeblijk-campagne waren er weer eens schuldeisers opgedoken. Een van hen was nota bene een logementhouder uit Lissabon (die ‘3 of 4 mille’ verlangde), een stad waarvan niet bekend was dat Multatuli er ooit was geweest. Hijzelf deed die schuld af als een ‘kletspraatje’, maar het gaf eens te meer aan hoe ondoorgrondelijk zijn financiële verleden was. [88] Versluys aan Bruinsma, 6 mei 1882. vw xxii, p. 245; Multatuli aan Braunius Oeberius, 14 oktober 1882. vw xxii, p. 401. Dekker kan alleen in 1853, tijdens zijn verlof, in Lissabon zijn geweest, maar er is niets wat daarop wijst. Dan lijkt het nog waarschijnlijker dat de Portugees in Frankrijk of Italië een hotel bezat of had bezeten in een plaats waar Dekker zich wél had opgehouden. Het uitgangspunt van Versluys en Korteweg was dat het geld veilig zou zijn voor de schuldeisers als de lijfrentepolis op hún naam zou worden gesteld. Toen dit Multatuli duidelijk werd, nam hij in grote woede de trein uit Duitsland naar Amsterdam. Het resultaat was dat de lijfrente (bij de verzekeringsmaatschappij Germania te Stettin) gewoon op zijn naam en die van Mimi kwam testaan. [89] vw xxii, pp. 300-302; 310-312.



illustratie
Een particulier huldeblijk: een bloemenkrans, gemaakt door mevrouw G.C. de Haas-Hanau


 

De lijfrente bezorgde Multatuli een jaarinkomen van 2400 mark. Daarbij kwam een bedrag van vijfhonderd gulden dat hij jaarlijks van Funke kreeg, en nog wat Tandem-bijdragen van enkele vrienden: een netto jaarinkomen van 1940 gulden. [90] Van den Bergh in vw xxii, pp. 19-23. Vgl. Multatuli's eigen berekening in zijn brief aan Haspels, 16 juni 1882. vw xxii, p. 297. Velen moesten het met minder doen, maar Multatuli en Mimi vonden het bij lange na niet toereikend. ‘We zouden daar niet mee kunnen rondkomen tenzy we de meid afschaften, Dek afstand deed van sigaren, we nooit een boek kochten, elke postzegel omgekeerd werd’, aldus Mimi. [91] Mimi aan Funke, 17 april 1882. vw xxii, pp. 210-211. Het was in elk geval veel minder dan wat gouverneurs-generaal, ministers, Kamerleden en hogere bestuursambtenaren in ruste aan pensioenen ontvingen. Eerherstel kon Multatuli het daarom niet vinden. Lange tijd beschouwde hij het Huldeblijk als zijn definitieve nederlaag.


Het Huldebl. komt nu in't geheel neer op ± 20000. Ik ben wel voor 'n millioen uitgescholden aan den éénen kant, en voor even zooveel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. [...]
In één woord gezegd: deze uitslag der zaak is my een zware slag! Het breekt myn toon! En dan 't besef dat ‘men’ my houden zal voor tevreden gesteld, en me nog ondankbaarheid zal verwyten als ik 't niet heel mooi vind! wat zullen de Van Twisten en consorten in hun vuistje lachen. Door die schitterende pensioneering ben ik nu voor goed geklassificeerd als 'n byna-niemendal. [92] Multatuli aan Haspels, 16 juni 1882. vw xxii, pp. 297-298.

Opmerkelijk is overigens dat hij vergelijkbare woorden (‘nekslag’, ‘genadeklap’) ook had gebruikt in 1866, naar aanleiding van de hulpactie voor Tine, en later, na het verschijnen van Van Vlotens Onkruid onder de tarwe.

Behalve een financieel echec (volgens Multatuli) betekende de uitslag van het Huldeblijk ook het einde van een aantal vriendschappen. Eigenlijk was hij maar over één ding tevreden: de reactie van de christelijke bladen, die hadden geschreven


dat ik ‘god in de harten had uitgeroeid’. Ziedaar 'n testimonium uit het vyandelyke kamp, dat wel zeer overdreven en al te vereerend is, maar dat toch gunstig afsteekt by de blyken van ‘Hulde’ waarin m'n aanhangers met hun allen (godbeter't) hun geestdrift hebben omgezet. Ik ben beschaamd om hunnentwil. [93] Multatuli aan Mansholt, 11 oktober 1882. vw xxii, p. 385.

LF8-C5

In de rommelige jaren van de lezingentournees, Tandem en het Huldeblijk verhuisden Mimi en Multatuli twee keer. In augustus 1879 verlieten ze Wiesbaden, waar ze gedurende een kleine negen jaar op vier adressen hadden gewoond. Ze gingen naar Geisenheim, waar ze voor hetzelfde geld ‘een huis met tuin (!)’ konden huren. ‘'t Is 'n lieve woning en heerlyk gelegen. En... geen vreemden op den trap.’ [94] Multatuli aan Funke, 9 juli 1879. wv xx, p. 74. Mimi was het om de tuin te doen en Multatuli, die graag timmerde, hoopte er een draaibank te kunnen neerzetten. [95] Idem, 2 augustus 1879. wv xx, p. 81.

Geisenheim was een vriendelijk dorp met bijna drieduizend inwoners bij Rüdesheim, aan de noordoever van de Rijn, die tussen Mainz en Bingen van oost naar west stroomt. Voornaamste bezienswaardigheid was Schloss Johannisberg, dat tussen 1802 en 1807 nog even eigendom was geweest van de latere Nederlandse koning Willem i. [96] Baedeker, The Rhine (1880), pp. 114-115. Vanaf hun balkon konden Multatuli en Mimi het slot zien. Maar met die wetenschap konden ze na half november 1879 weinig meer: ‘Een klein balkonnetje dat zelden meer te dragen had dan zichzelf, kon die taak onlangs niet aan: de vloer viel er uit, nb. toen er niemand inzat, gelukkig!’ [97] Multatuli aan Vosmaer, half november 1879. wv xx, p. 123. Afgezien daarvan beviel het huis best, maar het dorp minder. Multatuli miste Wiesbaden. Een ‘ellendig nest’, noemde hij Geisenheim in dezelfde brief. Eerder al klaagde hij over Bismarck en diens gekoketteer ‘met zwartrokken en Behouders’. ‘De middeleeuwen keeren terug. Toen m'n vrouw onlangs in onze tuin harkte, kwam men haar waarschuwen voor de policie. Het mocht niet, vertelde men ons, want het was zondag!’ [98] Multatuli aan De Haas, 5 november 1879. wv xx, pp. 105-106. Dit probleem had hun volgende woning niet, want die lag een flink eind buiten de bebouwde kom.

In juli 1880 kreeg Multatuli een paar dagen een vriend en bewonderaar in Geisenheim te logeren. Zijn naam was Johannes (Jan) Zürcher; hij was van alles, leraar, schilder, kunsthistoricus, geleerde (hij zou in 1879 in Berlijn als filoloog zijn gepromoveerd), en iemand met een onwaarschijnlijk gevoel voor andere talen. Maar voor alles was hij vermogend, sinds hij in 1879 was getrouwd met de zeventien jaar oudere Wilhelmina Gompertz. [99] Molhuysen e.a., Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel viii, kolom 1315-1318. Meijer, Willem Anthony Paap, p. 66. Meijer erkent dat het leven van Zürcher een groot raadsel is; Meijers speurtocht naar Zürchers dissertatie (Ein Beitrag zur Descendenz-theorie) leverde niets op. Ook Zürchers nazaten bezitten er geen exemplaar van. Zijn correspondentie met Multatuli is grotendeels verloren gegaan, vermoedelijk mede doordat Zürchers weduwe na zijn dood in 1905 een voornamelijk reizend bestaan heeft geleid. Telefoongesprek met E. Zürcher, 20 december 2001. Hoewel veel over Zürchers leven duister is en wat men over hem denkt te weten veelal gebaseerd is op geruchten, staat zijn rijkdom vast. Dat ervoer Multatuli aan den lijve. Tijdens Zürchers bezoek kwam ‘'n huisje met tuin aan den overkant van den ryn dat te koop was’ terloops ter sprake. Toen Multatuli zijn vriend wat later naar de trein bracht, zei deze:



illustratie




illustratie
Boven: Geisenheim, en onder het huis van Multatuli en Mimi bij Nieder-Ingelheim


 


- O ja, wat dat huis te Ingelheim aangaat, koop dat maar.
- Mooie grappen! Ik heb geen geld.
- O, dat heb ik wel. En ik zal 't u zenden zoodra ge 't noodig hebt. [100] Multatuli aan Roessingh van Iterson, 11 oktober 1880. wv xx, p. 513.

Het ‘huisje’ was een kolossaal pand, even ten oosten van het dorp Nieder-Ingelheim, aan de weg naar Mainz. Het huis keek uit over de Rijn en de heuvels daarachter; bij helder weer kon men zelfs het nieuwe Nationaldenkmal in het Niederwald bij Rüdesheim zien. Ingelheim dankte een zekere faam aan de rode wijn uit de omgeving, en aan Karel de Grote, die er een paleis had gehad. Dat was vroeg tot de Nederlandse letterkunde doorgedrongen; Karel ende Elegast begint immers met de beroemde regels

Fraaie historie ende al waar

Mag ik u tellen, hoort er naar.

Het was op enen avondstonde,

Dat Karel slapen begonde

't Ingelem opten Rijn. [101] Karel ende Elegast. Ed. Van den Ent, p. 21. Een herspelde editie. Voor de uiteenlopende versies van het werk (in de oorspronkelijke spelling): Karel ende Elegast. Ed. Duinhoven, deel i, pp. 16-17, en deel ii, pp. 4-5.

Een flink deel van het paleis, dat ongehoord mooi moet zijn geweest, bleef tot ver in de zeventiende eeuw behouden, totdat Franse troepen het tijdens de Dertigjarige Oorlog verwoestten. [102] Klein, Mainz und seine Umgebungen, pp. 221-222. In de negentiende eeuw waren er nog een paar muren van over, een stuk toren en... een put, die zich op het erf van Multatuli's woning zou bevinden.

Op 20 juli 1880 kocht Multatuli het huis ‘am Steig’, zoals de hoogte boven Ingelheim wordt genoemd, voor een onbekend bedrag (vermoedelijk rond de tienduizend gulden). Ze konden er niet meteen in, omdat er nog veel aan verbouwd moest worden. Er ontbrak bijvoorbeeld ‘'n plé’. ‘Aan 't geld worden wy geholpen’, schreef hij aan boekhandelaar Van der Hoeven, ‘en de rente zal zeker maar de helft bedragen van de huidige huurprijs.’ [103] Multatuli aan Van der Hoeven, 24 juli 1880. wv xx, p. 484. Maar in de praktijk was dat geld (van Zürcher dus, die erop stond dat zijn naam ongenoemd bleef) een schenking, en hoefde er aan rente daarom helemaal niets te worden betaald. Wel bleek de verbouwing - zoals dat met verbouwingen gaat - meer geld te kosten dan was begroot, zodat Multatuli er weer een schuld bij kreeg, maar daar stond tegenover dat hij met Zürchers geld een paar oude schulden afdeed. Helemaal bevredigend vond Multatuli die schenking overigens niet, en van dankbaarheid jegens Zürcher is in zijn brieven niet zoveel te merken.

Het voordeel van de ligging buiten het dorp - twintig minuten lopen (negentiende-eeuws flaneertempo) - was de afwezigheid van bemoeizuchtige buren, het nadeel was de Landstreicherei, zoals Multatuli het noemde. Daarvoor schaften ze een paar honden en een revolver aan. (In de nalatenschap werden zelfs twee revolvers aangetroffen.) [104] Multatuli aan Mansholt, 1 mei 1881. vw xxi, blz. 283; boedelbeschrijving van 10 maart 1887. vw xxiv, p. 256. Recht tegenover het huis, aan de andere kant van de weg, stond een klein monument uit de tijd van Napoleon.

Wie tegenwoordig Ingelheim en ‘de Steig’ bezoekt, kan zich nog goed een voorstelling maken van de situatie in Multatuli's tijd. De treinreis gaat langs nagenoeg hetzelfde traject als destijds. Het huis is weliswaar een paar maal verbouwd, maar de omtrekken van het oorspronkelijke gebouw zijn er nog altijd in te herkennen. Tot voor kort was er een hotel in gevestigd, dat naar Multatuli was genoemd. De weg is geasfalteerd en er rijdt meer verkeer overheen dan destijds, maar het uitzicht vanuit het huis over de Rijn en de Rheingau - getekend door Carel Vosmaer - is nagenoeg onveranderd. De napoleontische gedenknaald staat er nog. Maar naar keizer Karels put, die door Multatuli in zoveel brieven werd genoemd, zoekt men in de tuin tevergeefs. [105] Bezoeken aan Ingelheim, 1993 en 1997.

‘Goddank, eindelyk een verblyf waarin ik denk te sterven’, schreef hij nadat ze in mei 1881 eindelijk waren verhuisd.


Dit is geen melancholiekery, maar 'n pret, want ‘sterven’ beteekent hier: niet weer verhuizen! Altyd als God blieft. 't Zal hem nu eindelyk blieven, hoop ik, nadat hy me lang genoeg heen en weer geschud heeft. [106] Multatuli aan Van der Hoeven, 23 mei 1881. vw xxi, p. 307.

Inderdaad liet God hem en zijn vrouw op dit gebied verder met rust, hoewel Hij indirect nog eens zou bijdragen aan een verhuisplan, een paar jaar later: om aan het op religieuze leest geschoeide Duitse onderwijs voor Wouter te ontkomen overwogen Multatuli en Mimi naar Nederland terug te keren. Het bleef bij een plan. Multatuli zou zijn laatste jaren in betrekkelijke rust in Ingelheim slijten.

Een van de mooiste herinneringen aan Multatuli en het dorp Ingelheim van die dagen is bijna zestig jaar na zijn dood opgetekend door de oud-Ingelheimer Andreas Saalwächter, een leeftijdgenoot van Wouter Bernhold. Saalwächter getuigde van Multatuli's teruggetrokken leefwijze, de verlatenheid van zijn huis, zijn onenigheid met het schoolhoofd over Wouters godsdienstlessen (de hoofdonderwijzer trok aan het langste eind) en het oplaten van vliegers. Volgens Saalwächter voelde Multatuli zich aangetrokken tot de obelisk uit de Franse Tijd. ‘Hier zat hij in de zomer in een licht-grijs linnen pak, in de verte te kijken zijn gedachten de vrije loop latend.’ [107] vw xxi, pp. 298-303; vertaling pp. 303-307, citaat op p. 301 (vertaling op p. 306).

Vaker zat hij echter binnen voor zich uit te staren, in sombere gedachten verzonken. Zijn laatste jaren in Nieder-Ingelheim waren rustig, zeker als men ze afzet tegen de rest van zijn leven, maar Multatuli's humeur was doorgaans gedrukt. ‘M'n leven is één mislukking’, kon hij dan aan zijn vrienden schrijven - áls hij al schreef, want ook voor brieven was hij in zulke periodes niet in de stemming. [108] Multatuli aan het echtpaar Bremer-Snelleman, 17 augustus 1882. vw xxii, p. 339. Hij peinsde over het wanbeleid in het algemeen van de Nederlandse regering en de falende rol van het parlement, over de Atjeh-oorlog en malversaties rond de tinwinning op het eiland Billiton - en vooral: de nietige rol die hijzelf in dit alles speelde en had gespeeld.

Zijn opvattingen over de toestand in Indië werden steeds radicaler. In 1876 had hij, in een brief aan de Indisch ambtenaar G.J.A. Boulet, Indië al eens vergeleken met ‘'n prachtig paard waarop 'n dief zit. Dat men dien dief er af werpt, is best.’ Hij voegde hier echter aan toe: ‘Maar men moet het niet doen voor men 't beest aan den teugel heeft, daar 't anders de wildernis inloopt en, onbestuurd, van de rotsen te-pletter valt.’ [109] Multatuli aan Boulet, 5 april 1876. vw xviii, p. 333. De persoon die het paard bij de teugel moest nemen zou een Europeaan moeten zijn, en ongetwijfeld dacht hij hierbij in de eerste plaats aan zichzelf. [110] Francken, ‘Multatuli, kolonialist zonder moederland’. In brieven uit later jaren ontbraken zulke toevoegingen, maar dat had vermoedelijk ook te maken met de geadresseerde: Roorda van Eysinga, wiens standpunten nog meer uitgesproken waren dan die van Multatuli. ‘Ik erken slechts één goeden weg: de Hollanders eruit’, schreef Multatuli hem in 1881; een jaar later vergeleek hij Indië met


den exceptioneelen toestand van 'n gebonden reus die door 'n dwerg geplaagd wordt. Wat baat het, zoo'n patient gezonde beweging voorteschryven? Hy moet worden losgemaakt. Dat was en blyft m'n program en dáárin slaag ik! Maar... niet ik zal er van profiteeren. Zelfs is het de vraag of ik dien (betrekkelyken) triumf beleven zal? [111] Multatuli aan Roorda van Eysinga, 3 mei 1881. vw xxi, p. 285. Idem, 22 maart 1882. vw xxii, p. 47.

Al met al een opmerkelijke ontwikkeling voor een man die zich in zijn brochure Nog-eens: Vrye Arbeid in Nederlands-Indië nadrukkelijk voor het behoud van de kolonie had uitgesproken. Tegenover anderen dan Roorda ging Multatuli minder ver; hij drong meestal aan op ‘handhaving van de wet’, zoals hij dat in Lebak en in zijn Max Havelaar had gedaan. Roorda was dat niet ontgaan: ‘'t Ware misschien niet overbodig, dat gij, na dat aandringen op handhaving van de wet in Indië, eens uitvoerig de schijnbare tegenstrijdigheid van uw staatsgreep-liefde verklaardet.’ [112] Roorda van Eysinga aan Multatuli, 30 maart 1882. vw xxii, p. 94. Een terecht verzoek, maar Multatuli gaf zo'n verklaring niet.

‘Het bederf zit de maatschappy in 't merg’, schreef Multatuli eens. [113] Multatuli aan het echtpaar Bremer-Snelleman, 17 augustus 1882. vw xxii, p. 339. Er waren Nederlanders die deze mening met hem deelden, die, net als hij, de maatschappij daarom grondig veranderd wilden zien en die dan ook grote belangstelling toonden voor zijn werk én zijn persoon. Sommigen kenden hem al jaren, anderen kwamen tijdens zijn lezingentournees of daarna met hem in contact. De belangrijkste was zonder twijfel een voormalige predikant, een man die al jaren wegliep met het werk van Multatuli, en meer nog met Das Kapital van Karl Marx. En hij was, niet minder dan Multatuli, een Jezus-achtige figuur: Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Omgekeerd werd Multatuli, tijdens de eerste rondreis, getroffen door een preek van Domela, in druk verschenen onder de titel Nog godsdienst? Reeds godsdienst? Daarin stonden enkele regels uit het ‘Gebed van den onwetende’, en ook verder had de rede niets van een door-snee-preek; de kerkelijke godsdienst werd er ‘een koud, dor geraamte’ in genoemd. [114] Domela Nieuwenhuis, Gedenkschriften, p. 37; Meyers, Domela, een hemel op aarde, p. 66. ‘Zóó verandert de geest!’, riep Multatuli uit. ‘Die woorden op den kansel! En: dominé? Ik begryp er niets van.’ [115] Multatuli aan Mimi, 24 februari 1878. vw xix, p. 189. In een aantal toespraken beval hij zijn publiek Domela's preek van harte aan. Hij volgde Domela's gangen voortaan aandachtig en las diens tijdschrift Recht voor allen.

Vanaf 1883 (maar misschien eerder) begonnen ze elkaar hartelijke brieven te schrijven. Toen Domela's vrouw in 1884 overleed, bood Multatuli hem aan een van zijn kinderen in huis te nemen. Het aanbod werd, onder hartelijke dankzegging, afgeslagen. [116] Multatuli aan Domela Nieuwenhuis, 5 maart 1884. vw xxiii, p. 113; Domela Nieuwenhuis aan Multatuli, 16 maart 1884. vw xxiii, pp. 123-125; Multatuli aan Domela Nieuwenhuis, 22 maart 1884. vw xxiii, pp. 125-126. Wel kwam Domela dat jaar voor het eerst naar Ingelheim; een tweede bezoek had plaats in de zomer van 1886. In zijn herinneringen verweet Domela Multatuli diens oppervlakkig oordeel over ‘Karel Marx’, zoals deze hem noemde. Over Das Kapital had Multatuli gezegd: ‘ik ben er aan begonnen, maar het was taaie kost en ik bemerkte heel spoedig, dat die man niets van ekonomie afwist.’ ‘Dat was toch wel een beetje kras uitgedrukt’, vond Domela, die aan Marx persoonlijk had geschreven socialist te zijn geworden na lezing van diens ‘epochenmachenden’ Kapital. Maar al met al was het een geslaagde logeerpartij. [117] Herinneringen van Domela Nieuwenhuis, overgenomen uit zijn Gedenkschriften. vw xxiii, pp. 659-666. Domela Nieuwenhuis aan Marx, 19 juni 1880. Brief geclicheerd in Meyers, Domela, een hemel op aarde (tussen pp. 240 en 241). Vgl. Multatuli aan Muller, 8 januari 1884. vw xxiii, pp. 32.

Ze hadden elkaar al eerder kunnen ontmoeten. De jonge Domela was, zoals we hebben gezien, aanwezig bij het Internationaal Congres in 1864, waar hij Multatuli hoorde spreken. Op 24 januari 1881, tijdens de derde lezingenreeks, was er een nieuwe gelegenheid. Die dag schreef Multatuli vanuit Den Haag aan zijn vrouw: ‘Misschien ga ik straks naar Domela Nieuwenhuis.’ [118] Multatuli aan Mimi, 24 januari 1881. vw xxi, p. 121. Maar hij voerde zijn plan niet uit, óf Domela was er niet. Vermoedelijk eind september of begin oktober 1882 deed Multatuli opnieuw een vergeefse poging. Op de drukkerij van Recht voor allen liet hij een ongedateerd visitekaartje achter:


Zeer geachte heer n! Voor npaar dagen in Holland zynde, kwam ik U even de hand drukken!
Wat Uw en myn streven aangaat, och, wat 'n getob! Moedeloos ben ik niet, maar krachtig opgewekt kan ik me na jarenlange mislukking ook niet noemen. Ik ben suf van drukte, en had toch maar kort kunnen blyven. Geheel en al sta ik niet op Uw standpunt. Ja toch wel in oprechtheid. Dat is hoofdzaak. Hartelyk gegroet! [119] Visitekaartje van Multatuli voor Domela Nieuwenhuis, waarschijnlijk begin oktober 1882. vw xxv, p. 204.

Dit tekstje drukt precies uit hoe Multatuli's verstandhouding was met Domela Nieuwenhuis en andere marxisten, socialisten of sociaal-democraten, zoals ze zichzelf sinds enige jaren begonnen te noemen. [120] Bos, Waarachtige volksvrienden, pp. 163-169. Hij waardeerde ze vaak als persoon, maar hun opvattingen deelde hij niet. Interessant is dat Multatuli zich al afvroeg of men wel van de socialisten of sociaal-democraten kon spreken: ‘Komt dat “de” hier tepas? Zyn ze homogeen?’ [121] Multatuli aan Muller, 23 november 1884. vw xxiii, p. 239.

Hoezeer hij ook met Domela Nieuwenhuis van mening verschilde, hij leefde met hem mee, zeker toen Domela terechtstond ‘wegens boosaardig en openbaar smaden, honen en lasteren van de persoon des konings’. In Domela's blad Recht voor allen stond in april 1886 een stuk waarin onder de titel ‘De koning komt’ met Willem iii de vloer werd aangeveegd. Domela bekende aanvankelijk er de schrijver van te zijn geweest. Later trok hij die bekentenis in en probeerde aannemelijk te maken dat niet hij de auteur was, maar zijn geestverwant Adriaan Boelens. De rechtbank accepteerde deze verdediging niet en veroordeelde Domela tot een jaar eenzame opsluiting. Het hof bekrachtigde het vonnis en de Hoge Raad verwierp een cassatieverzoek. Op 10 januari 1887 nam Domela afscheid van zijn aanhangers met een citaat uit Multatuli's kruissprook: ‘Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist. Daar is iets schoons te zien op Golgotha.’ [122] Meyers, Domela, een hemel op aarde, pp. 129-156.



illustratie
F. Domela Nieuwenhuis (midden boven), afgebeeld in het tijdschrift Eigen Haard. Rondom hem zijn geestverwanten J.A. Fortuijn, C. Croll en P. van der Stad


 

De schrijver van deze regels kon zeker niet tot de aanhangers van Domela worden gerekend (al vond hij in die tijd net als Domela ‘het heele huis van Oranje 'n vuile troep’), maar hij had met de aanstaande gevangene te doen. Multatuli bood aan om in diens plaats maar de gevangenis te gaan, ‘want aan hem was toch niets meer verbeurd’. [123] Herinneringen van Domela Nieuwenhuis. vw xxiii, p. 665. Multatuli over het Oranjehuis in een brief aan Marie Berdenis van Berlekom, 20 oktober 1886. vw xxiii, p. 722. Maar hij kon zich er niet toe zetten het publiekelijk voor Domela op te nemen, hoewel dat het gebaar was waarop de sociaal-democratische voorman had gehoopt. Hij meende dat zíjn steun Domela alleen maar schaden kon, zoals hij diens raadsman M.J. de Witt Hamer uitlegde. [124] Multatuli aan De Witt Hamer, 26 augustus 1886. vw xxiii, p. 687. Bovendien koos hij in eerste instantie ‘in 't proces van m'n vriend Nieuwenhuis, party voor de rechters die hem veroordeelden. Ze hebben hun (machinaalstomme) rechtersplicht gedaan.’ [125] Multatuli aan Marie Berdenis van Berlekom, 29 juni 1886. vw xxiii, p. 623. Later kwam Multatuli hiervan terug, maar hij verlangde eerst een overtuigend bewijs dat Boelens inderdaad de auteur van het gewraakte artikel was, en niet Domela. Maar deze kon hem dat niet leveren. ‘Die onwil komt me, ronduit gezegd, verdacht voor’, schreef Multatuli. ‘Ik wenschte iets voor hem te doen, en zie 'n beetje kans dat het me lukt. Wie werkt me nu daarin tegen? Hyzelf!’ [126] Multatuli aan De Witt Hamer, 23 november 1886. vw xxiii, p. 742. Vgl. Domela Nieuwenhuis aan Mimi, 23 september 1886. vw xxiii, pp. 712-715. Tot het allerlaatst liet hij in zijn brieven iedere sympathiebetuiging voor Domela volgen door de nadrukkelijke verzekering dat hij diens overtuigingen niet deelde. Ook vond hij dat Domela zijn leed wel een beetje aan zichzelf te danken had. En als iemand dat kon begrijpen - maar dat zei hij er nooit bij - dan was het wel Multatuli, die met Domela Nieuwenhuis niet alleen het verlangen deelde om zich met Jezus te identificeren, maar ook de eigenschap die daar onlosmakelijk mee verbonden is: neiging tot het martelaarschap.

Domela's missies naar Ingelheim waren niet helemaal zonder succes. Multatuli's echtgenote toonde zich ontvankelijker voor Domela's denkbeelden en - vooral - het voorkomen en optreden van de sociaal-democraat. Mimi, die de standpunten van haar man overigens niet openlijk verloochend heeft, nam voortaan het leeuwendeel van de correspondentie voor haar rekening. Begin november 1886 was ze met Wouter in Nederland, waar ze een van de vele socialistische bijeenkomsten in het Amsterdamse Volkspark bezocht (vlak bij de toen al afgebroken Zaag- en Raampoort). [127] Geerke, ‘Het Volkspark’. Daar sprak Domela Nieuwenhuis in de grote houten middenzaal onder andere over ‘de onbekwaamheid onzer Regeering’, aldus een krantenbericht. ‘Mevr. Douwes Dekker, in de zaal aanwezig, was het voorwerp eener ovatie.’ En de voorzitter van de bijeenkomst verzocht haar om Multatuli ‘de hulde zijner vereerders over te brengen, voor hetgeen hij voor de volkszaak heeft gedaan’. [128] Het Vaderland, 9 november 1886. vw xxiii, p. 728.

De gehuldigde zelf, thuis in Ingelheim, liet het er niet bij zitten. In het Rotterdamsch Nieuwsblad liet hij op 12 november 1886 een advertentie plaatsen. Hij verklaarde in deze annonce (die al in hoofdstuk 19 aan de orde is geweest) dat de methoden die de sociaal-democraten aandroegen om iets aan de armoede in Europa te doen hem voorkwamen ‘in hoofdzaak onjuist te zyn’. [129] Ingezonden mededeling van Multatuli in het Rotterdamsch Nieuwsblad, 12 november 1886. vw xxiii, p. 730.

Deze verklaring, ondertekend met zijn schrijversnaam, kan worden gezien als zijn laatste publieke uiting. De tegenstanders van het socialisme namen het bericht in hun bladen triomfantelijk over; de eerste onder hen was J. Hobbel, redacteur van het Rotterdamsch Nieuwsblad, vrijdenker en auteur van de brochure Socialistisch onverstand uit 1883. [130] J. Hobbel in het Rotterdamsch Nieuwsblad, 20 november 1886. vw xxiii, pp. 737-738. Maar ook na dit optreden van Multatuli voelden de meeste socialisten zich niet van hem vervreemd. ‘Multatuli heeft eene zeer belangrijke taak ten dienste der menschheid volbracht’, schreven zij - alsof het een in memoriam betrof, hoewel hij nog leefde. ‘Hij heeft de oogen van velen geopend.’ [131] Groninger Weekblad, 20 november 1886. vw xxiii, p. 741.

Een man die minder betekende voor de sociaal-democratie (al had hij het zelf graag anders gezien), maar nog beter bevriend was met Multatuli, was dr. H.C. Muller, classicus en leraar aan het Amsterdamse Stedelijk Gymnasium. Vriend van Jacques Perk, mede-oprichter van Flanor en dus een goede bekende van figuren als Paap, Van der Goes en Kloos. [132] Oerlemans en Janzen, ‘Kliekgeest beheerscht hier alles’; Keijsper, ‘Kyk daar ga ik aan 't redeneeren’. Muller was een overtuigd aanhanger van Multatuli. In 1882 hield hij een lange toespraak over de schrijver voor de vrijdenkersvereniging De Dageraad, waarvan hij secretaris was. In die functie droeg hij Multatuli voor als erelid van de vereniging; dit was aanleiding tot een hartelijke briefwisseling tussen de twee, en twee bezoeken van Muller aan Nieder-Ingelheim. Mullers rede over Multatuli werd in 1883 als brochure uitgegeven.

In 1886 was er een kortstondige hapering in hun betrekkingen, die zowel Muller als Multatuli kenmerkte. Ze schreven elkaar zeer vaak, maar kort, omdat Muller een van degenen was die hij had weten over te halen tot het spelen van correspondentieschaak. Muller, pas sociaal-democraat geworden en met het fanatisme van de bekeerling, wilde de schaakbriefjes en -briefkaarten gaan gebruiken om een debat over het socialisme op te zetten; Multatuli, oud, moe en inmiddels vooral van mening dat een debat nooit iets kon opleveren, wilde alleen maar schaken - met wiskunde-opgaven en etymologische puzzels tot op het allerlaatst zijn belangrijkste ontspanning. ‘Neem me niet kwalyk’, reageerde hij op Mullers debatteerinvitatie, ‘maar 't maakt my den indruk alsof iemand me voorstelde te gaan hossen op de Rotterdammer kermis.’ [133] Multatuli aan Muller, 20 augustus 1886. vw xxiii, p. 658. Ten slotte werkten de onvermoeibare pogingen van Muller om een debat uit te lokken hem meer op de zenuwen dan de schaakpartij hem plezier deed. Daarom deelde hij Muller mee: ‘Uw toon beviel me niet. “Dit heeft niet met de schaakparty te maken” zult ge zeggen. Wel met de geheele aanraking. Laat ons die liever afbreken. Voor kibbelen acht ik me te goed.’ [134] Idem, 5 september 1886. vw xxiii, p. 708. Mimi wist de partijen tijdens haar bezoek aan Nederland te verzoenen.



illustratie
Een bijeenkomst van socialisten in het Volkspark. Rechts achter de spreker hangt, met bloemen omkranst, het portret van de veroordeelde Domela Nieuwenhuis; aan de tafel links op de voorgrond wordt het blad Recht voor allen verkocht.




illustratie
H.C. Muller


 

Toch was het, niet lang voor de tijdelijke breuk, Muller voor wie Multatuli zijn bezwaren tegen het socialisme ondubbelzinnig op papier zette. ‘Niet alleen dat ik niet Socialist ben, ik ben anti-socialist’, schreef hij in een principiële brief van 15 augustus 1886. ‘De socialisten willen den “Staat” almachtig maken, ik dring aan op de meestmogelyke inkrimping der bemoeienis van 't noodzakelyke kwaad dat men “Regeering” noemt.’ Enkele regels later stelde hij vast dat de socialisten ‘alle kans op winst in de levenslotery’ vernietigden ‘door 't ongerymd afschaffen van de Nieten’. En hij besloot met een parabeltje dat zo in een achtste bundel Ideeën had gekund:


Toen God de wereld geschapen, en aan Adam gevraagd had: ‘is er nog iets waarmee ik je pleizieren kan’ antwoordde de slimmert: ‘hm, ja, 'n onhandig vyandje zou me wel schikken.’
En 't geschiedde alzoo. De Heer - goedig als altyd - schiep de socialisten.

En, niet zonder zelfkennis: ‘Nog eens, 't spyt me dat ik niet met de Socc. kan meegaan. Ik kan met niemand meegaan. Men had moeten meegaan met my.’ [135] Idem, 15 augustus 1886. vw xxiii, pp. 650-654, citaten op pp. 654 en 652.

‘Ik kan met niemand meegaan’: dat hebben niet alleen de nieuwe socialisten ervaren, maar ook de jonge letterkundigen. Kort na 1880 stond er een nieuwe generatie schrijvers op. Een aantal van hen had elkaar leren kennen in het al genoemde genootschap Flanor. Ze waren geboren tussen 1855 en 1865, de meesten in of nabij Amsterdam, anderen in Winschoten (Paap) of bij Heerlen (Frans Erens), maar de hoofdstad bracht hen bij elkaar. Sommigen deelden de schoolopleiding (de Amsterdamse hbs, waar doctor Willem Doorenbos leraar was); allen deelden een afkeer van de gevestigde Nederlandse literatuur. Daaronder verstonden ze in de eerste plaats ‘dominee-dichters’ als Beets, De Génestet en Ten Kate. Drie oudere schrijvers behoorden volgens de jonge dichters uitdruk-kelijk niet tot die ingeslapen generatie: Vosmaer, die van een aantal jongeren (onder wie Perk) korte tijd een soort mentor was; Busken Huet, die zijn eigen generatiegenoten onvermoeibaar bleef neersabelen, en Multatuli. Volgens een enkeling hoorde er nog een vierde bij: zie wat Frederik van Eeden er in 1887 over meedeelde.


Ziehier de vier besten die ik gekend en gezien heb: Douwes Dekker, Busken Huët, Vosmaer, van Vloten.
Ik meen hen in goede rangorde gezet te hebben, doch in den bovenmeester kan ik mij vergissen. [136] Van Eeden, ‘Eduard Douwes Dekker’. In: Studies, p. 9.

Bijna alle Tachtigers - zoals deze dichters en prozaschrijvers bekend zijn geworden - hebben nog tijdens Multatuli's leven op een of andere manier hun ontzag voor hem uitgesproken. Albert Verwey als scholier al, zoals we zagen, en in 1886 nog eens in De Nieuwe Gids, waarvan hij mede-oprichter was. [137] Verwey, ‘Toen De Gids werd opgericht ii’. Fragmenten hieruit in vw xxiii, pp. 611-612. Frank van der Goes was, met Willem Paap, in 1882 volop bezig met het Huldeblijk. Kloos had zich eveneens al vroeg in Multatuli's boeken verdiept; ook had hij een lezing van hem bijgewoond (die hem overigens niet was meegevallen). [138] Kloos, ‘Een uiterst belangrijk want objektief boek over den merkwaardigen Multatuli’; idem, Zelfportret, pp. 106-113. In de tweede aflevering van De Nieuwe Gids noemde Kloos Multatuli een ‘reuzenfiguur’, die zelf niet wist ‘wat een invloed de vrijheid van zijn oordeel en de scherpte van zijn kritiek hebben gehad’. [139] Kloos, ‘Literaire kroniek’. Fragmenten in vw xxiii, pp. 504-505. De classicus Herman Gorter maakte in februari voor het Amsterdamse studentendispuut waarvan hij lid was een bladzijdenlang opstel over Woutertje Pieterse (waarop Busken Huet, aldus Gorter, ‘een vaak valsch licht deed vallen’). Het stuk eindigde in een lofzang op Multatuli. [140] Herman Gorter, Scriptie geschreven voor de werkvergadering van u.n.i.c.a., 4 februari 1885. In: Endt [red.], Herman Gorter Documentatie, pp. 81-101. En een kritiek op die scriptie van F.E. Posthumus Meijes. Idem, pp. 101-106. Fragmenten in vw xxiii, pp. 282-287. Lodewijk van Deyssel heeft, hoewel hij wel eens speelde met de gedachte iets over Multatuli te publiceren, hiervan pas later werk gemaakt, vanaf 1888; zijn stukken werden in 1891 gebundeld. Tien jaar daarvoor vond de toen zeventien jaar oude zoon van de katholieke voorman J.A. Alberdingk Thijm, zoals uit zijn aantekeningen blijkt, Multatuli een genie. [141] Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid, p. 232. Van Deyssels bundel Multatuli werd in 1891 uitgegeven onder het ‘pseudoniem’ A.J., met vermelding van zijn eigen naam, onder de titel Multatuli. Multatuli en Mr. J. van Lennep; Multatuli en de vrouwen.

Vanaf 1885 had de Beweging van Tachtig een eigen tijdschrift. Dat werd ook naar Ingelheim gezonden, waar de geadresseerde er met gemengde gevoelens kennis van nam. In het allereerste nummer stonden fragmenten uit het lange Persephone van Albert Verwey (waarmee Verwey datzelfde jaar nog zou debuteren). Wat men daar ook van kon zeggen, niet dat Multatuli's definitie van poëzie als ‘zamenvatting’ erop van toepassing was. Niet alleen inhoudelijk, maar ook ‘wat vorm, uitdrukkingswys en versificatie aangaat beweer ik dat z'n Persefone zeer slecht is’, schreef Multatuli aan Vosmaer, die de waarde ervan wél inzag. [142] Multatuli aan Vosmaer, 5 april 1886. vw xxiii, p. 580. Over Van Deyssel oordeelde hij minder ongunstig, maar toch ook niet erg waarderend. Over een stuk van Van Deyssel schreef hij dat het ‘'n aardig kunstje’ was. ‘En dit is 'n veroordeeling. Want kunstjes is geen kunst. [143] Multatuli aan Marie Berdenis van Berlekom, 20 oktober 1886. vw xxiii, p. 721. (Het moet over een bijdrage van Van Deyssel in het weekblad De Amsterdammer zijn gegaan, waarvan Multatuli een paar nummers kreeg toegestuurd. Voor De Nieuwe Gids schreef Van Deyssel aanvankelijk maar weinig.) [144] Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid, pp. 567-569; Stuiveling, De Nieuwe Gids als geestelijk brandpunt, pp. 149-153.



illustratie
W.A. Paap


 

Over twee redacteuren van De Nieuwe Gids dacht hij gunstiger. De eerste was, vanzelfsprekend, Willem Paap. Hoezeer ook geknakt door het Huldeblijk, hem vergaf Multatuli alles, en helemaal toen Paap - op zijn aandringen - zijn letterenstudie staakte en op rechten overstapte. Multatuli prees ook een satire van Paap uit 1884, Bombono's. Achteraf gezien is dit boekje inderdaad belangwekkend, omdat het een voorstudie zou blijken te zijn van zijn roman Vincent Haman uit 1898: Paaps afrekening met zijn voormalige kameraden van Tachtig, en met Van Deyssel in het bijzonder. Behalve een wraakoefening is Vincent Haman - opgedragen ‘aan de nagedachtenis van Multatuli’ - een van de sterkste prozawerken die uit de beweging zijn voortgekomen. [145] Paap, Vincent Haman. Dit boek uit 1898 werd in 1936 opnieuw uitgegeven met een inleiding van Menno ter Braak, en is sedertdien enkele malen als Salamander herdrukt. Zo goed was Bombono's niet, maar scherp was het boekje wel. Bombono's, in eerste instantie door Paap voorgelezen in Flanor, veegde de vloer aan met allerlei oudere letterkundigen, wat bij de jonge dichters en ook Doorenbos vanzelfsprekend in de smaak viel. [146] Paap aan Vosmaer, 21 april 1884. vw xxiii, p. 141. Paaps voornaamste slachtoffer was Taco H. de Beer, ook een kennis van Multatuli, en redacteur van het tijdschrift De Portefeuille. [147] Paap, Bombono's; Meijer, Willem Anthony Paap, pp. 81-96; De Goede, Willem Paap. Het paard van Troje, pp. 256-257. De Beer liet zich overigens niet kennen: ‘de Heer Paap verdient een woord van aanmoediging voor zijn geschrift’, aldus een recensie in De Portefeuille, ‘dat, als wij ons niet vergissen, een eersteling is, en ook daarom recht heeft op eene welwillende beoordeeling’. [148] De Portefeuille, 20 juni 1884. Multatuli was enthousiaster. ‘Uw satire is amusant, pittig en (dit is hoofdzaak) ze is waar’, schreef hij vanuit Nieder-Ingelheim. ‘M'n vrouw heeft geschaterd in haar eentje, zoodat Wouter kwam aanloopen met de vraag: “gut mama, waarom lach je zoo?”’ Maar aanmerkingen had Multatuli ook. Hij vond bijvoorbeeld dat De Beer veel te zwaar werd aangevallen, terwijl de door hemzelf verafschuwde H. de Veer, hoofdredacteur van Het Nieuws van den Dag, geheel buiten schot bleef. [149] Multatuli aan Paap, 24 mei 1884. vw xxiii, pp. 157-161. Hij stoorde zich echter niet aan een euvel dat anderen altijd al aan het werk van Paap was opgevallen - Vincent Haman uitgezonderd - en waaraan Bombono's zeker leed: Paaps neiging om Multatuli na te doen. [150] Dit kwam niet alleen tot uiting in Paaps gebruik van de y voor ij. Barend de Goede citeert een van de hoofdpersonen uit Bombono's: ‘'t Is eigenlyk een vaste regel van me, niets te lezen, wat geen tien jaar oud is.’ Het is of Batavus Droogstoppel aan het woord is (maar dan een Droogstoppel van de letteren, in plaats van de beurs). In Vincent Haman komt dezelfde opmerking voor, maar minder multatuliaans geformuleerd: ‘Wat geen tien jaar oud is, lees ik niet.’ De Goede, Willem Paap. Het paard van Troje, p. 257.

Frederik van Eeden was ook door Multatuli beïnvloed, maar van na-aperij kon men hem niet beschuldigen. In 1884 schreven ze elkaar een paar brieven. Zoals zijn gewoonte was als hij met jongeren te maken kreeg, probeerde Multatuli Van Eeden, die al wat toneelwerk had gemaakt, van de bellettrie af te houden. Tevergeefs. In de winter van 1885-1886 las hij in de eerste afleveringen van De Nieuwe Gids Van Eedens Kleine Johannes, en hij vond daarin ‘veel schoons’. Uit de mond of pen van Multatuli was dat, zoals inmiddels is gebleken, niet altijd een compliment.


Schoons genoeg om de acht dagen arrest die ik hem [Van Eeden] (in gedachten slechts, helaas!) oplei voor 't begaan van ‘een sonnet’ in gemoede meen te moeten verzwaren tot driemaal zoolang provoost, zonder acces, op water en brood.
Veel schoons, zéér veel! Zie daar den indruk dien 't stuk op me maakt. Maar met m'n beoordeeling ben ik niet gereed. Ik lees moeielyk, schwerfällig. [151] Multatuli aan Zürcher, 7 februari 1886. vw xxiii, p. 566.

In het voorjaar van 1886 kwam Van Eeden op bezoek, en toen had Multatuli zijn oordeel klaar. Hij vond het mooi, en zijn pleegkind vond het nog mooier. ‘Wouter, dit is nu de man die “de kleine Johannes” heeft geschreven!’, stelde hij de bezoeker voor. Hij vond De kleine Johannes, aldus Van Eeden, geen imitatie van Woutertje Pieterse. [152] En dat was De kleine Johannes dan ook niet. Wel was Woutertje Pieterse de eerste van een serie jonge (literaire) romanhelden: na De kleine Johannes kwamen Van Looys Jaapje, Thijsses Kees de jongen (waar Multatuli's invloed heel duidelijk is) en Bakkers Ciske de Rat. De hartelijkheid waarmee hij Van Eeden ontving, was des te opvallender omdat deze op huwelijksreis was; zijn vrouw Martha was de dochter van Multatuli's grootste vijand: Van Vloten! [153] Herinneringen van Van Eeden, 1920. vw xxiii, pp. 595-600.

Meer dan eens hebben de bezorgers van Multatuli's Volledige Werken benadrukt dat er uit Multatuli's brieven uit de jaren 1878-1887 menige Ideeënbundel had kunnen worden geput. [154] Bijvoorbeeld: vw xxii, p. 516. Maar zoals bekend kwam er geen nieuw deel. Wel kwamen er enkele herdrukken uit, waarvan de tekst hier en daar was gewijzigd en die soms van nieuwe aantekeningen of een nawoord waren voorzien. De belangrijkste was de vijfde druk van Max Havelaar, die in 1881 op de markt kwam. Anders dan de bedoeling was, verscheen deze uitgave zonder illustraties. Zijn uitgever had J.C. van Rappard daarvoor benaderd, militair en verdienstelijk tekenaar. Van Rappard maakte vijftien houtgravures, maar ze bevielen Multatuli niet. Hij vond ze redelijk, niet meer. ‘Middelmatigheid in kunst heeft geen reden van bestaan’, verklaarde hij. [155] Multatuli aan Funke, 15 maart 1881. vw xxi, p. 219. De illustraties, die worden bewaard in het Multatuli Museum, zijn later in diverse publicaties opgenomen, zoals in Stuiveling (red.), Multatuli (uit de reeks Genie en wereld), en in een uitgave van Max Havelaar door Reader's Digest, 1994.

De vijfde druk van de Havelaar zou de laatste zijn die tijdens Multatuli's leven verscheen; om die reden wordt hij sindsdien gewoonlijk gebruikt voor de latere uitgaven - althans: in de gevallen dat men de moeite neemt over de juiste grondtekst na te denken. Een enkele keer werd bewust gekozen voor de vierde of de nulde druk (het handschrift). Van de vijfde druk waren meerdere versies in omloop, die in allerlei details van elkaar verschilden. Ook de linnen band was telkens anders van kleur: soms was hij bruin, dan weer rood of blauw, maar altijd was er een afbeelding van een suikerrietstengel en een twijg van een koffieplant op gestempeld. Van groter belang was de uitgever die op de rug en op de titelpagina stond vermeld: niet langer Funke, maar de Rotterdamse ‘Uitgevers-maatschappy “Elsevier”’. (De spelling van ‘maatschappy’ was aan de rest van het boek aangepast.) [156] Voor de varianten van de vijfde druk: Max Havelaar, editie Kets-Vree, deel ii, passim.

Inderdaad had Funke zijn fonds van de hand gedaan, om zich voortaan te kunnen richten op het meest lucratieve onderdeel van zijn uitgeverij, Het Nieuws van den Dag. Op 21 december 1880 meldde Jac. G. Robbers in het Nieuwsblad voor den Boekhandel dat hij op Funkes veiling voor f 20.078,14 de rechten op de werken van Multatuli (inclusief de nog aanwezige exemplaren) had gekocht. [157] Nieuwsblad voor den Boekhandel, 21 december 1880. wv xx, p. 577. Funke, die zakelijk betrokken was bij Elsevier, was over dit voor die tijd aanzienlijke bedrag meer dan tevreden. Het gunstige resultaat bracht hem ertoe jaarlijks de genoemde vijfhonderd gulden aan Multatuli over te maken.

Minder aangenaam was dat Multatuli als auteur voortaan met de zakelijke Robbers te maken had, en niet meer met zijn vriend Funke. Aanvankelijk klaagde Multatuli dat hij met Robbers niet goed overweg kon, maar na verloop van tijd gaf hij toe dat de Rotterdammer hem eigenlijk heel redelijk behandelde. Tenslotte mocht de uitgever kopij van hem verwachten, zeker nadat hij de schrijver tweeduizend gulden voorschot had verstrekt. Deze schuld werd pas na Multatuli's dood afgedaan, doordat Mimi toen voor Elsevier een afzonderlijke editie (de eerste) van het Woutertje-Pieterseverhaal uit de Ideeën samenstelde.

De vriendschap met Funke bleef zeer hartelijk. Behalve de jaarlijkse vijfhonderd gulden ontving Multatuli van zijn Amsterdamse vriend Het Nieuws van den Dag. Hij las die krant met grote aandacht, maar niet altijd voor zijn plezier, want het blad van De Veer zweeg in alle talen over Multatuli's verdiensten. Bij één gelegenheid werd zijn naam wel genoemd: nadat hij in juni 1881 in een ironische open brief aan Taco de Beer, afgedrukt in diens Portefeuille, de overleden schrijver J.J. Cremer had beledigd. Een medewerker van Het Nieuws van den Dag schreef dat Multatuli voor zijn beweringen geen bewijzen had geleverd, en omdat het een dode betrof, waren de aantijgingen dus ‘òf onbezonnen, òf laf, òf gemeen’. [158] Het Nieuws van den Dag, 29 juni 1881. vw xxiii, pp. 357-358. Die laatste woorden beschouwde Multatuli als uitermate grievend, en er was maar één manier om hierop te antwoorden: een duel. ‘De beschuldiging “laf of (en) gemeen” eischt andere bewoordingen dan frazen’, schreef de 61-jarige. ‘Ik was verheugd dat de aanval zóó grof was (laf of (en) gemeen!) dat hy - zoo ooit - een uitdaging wettigde. En ik zocht sekondanten.’ [159] Multatuli aan Funke, 17 augustus 1881. vw xxi, p. 404. En hij vond ze: eerst G.P.J. Valette, een Indisch ambtenaar (en zwager van Louis Couperus), en later de Groningse boer D.R. Mansholt. [160] Vgl. Bastet, Louis Couperus, p. 90. Hij bleef er nog maanden mee rondlopen, maar op 31 oktober 1881 liet hij Mansholt weten dat hij het conflict voorlopig moest laten rusten, omdat hij het druk had. [161] Multatuli aan Mansholt, 31 oktober 1881. vw xxi, p. 513. Daarbij bleef het, tot grote opluchting van Funke ongetwijfeld, die zijn best bleef doen het ‘duelleren’ metaforisch op te vatten.

In 1884 werd Funke ziek. Hij had een onverklaarbare koorts die zich niet met kinine liet bestrijden. Om aan te sterken ging hij in het voorjaar van 1885 met zijn vrouw naar Wiesbaden, dat per slot van rekening een kuuroord was. Daar werd hij een paar maal bezocht door Multatuli en Mimi: de laatste keer dat ze de uitgever zagen, naar later bleek. Multatuli toonde zich zeer betrokken en ongerust. Hij had geen enkel vertrouwen in dokters, met één uitzondering: Auke Gorter, een voormalig wijnhandelaar die (uit afkeer van het geknoei in zijn oude vak en onder invloed van Multatuli) arts was geworden, en net als Multatuli de gevestigde artsenij wantrouwde. Multatuli wist Funke ervan te overtuigen dat Gorter misschien iets voor hem kon betekenen. En in augustus 1885 scheen dat ook het geval te zijn:


beste Funke! Goddank, Gorter schryft me dat het vooruit gaat! Ik kan U niet zeggen hoe bly ik met dat bericht ben! Hoerah hoerah, hoerah! Ik zou wel 'n gekheid kunnen doen van vreugd.

‘Schryf me niet’, voegde Multatuli eraan toe. Hij vroeg alleen mevrouw Funke om ‘één enkel woordje’: ‘Alleen: “'t gaat vooruit!” is me genoeg...’ [162] Multatuli aan Funke, 28 augustus 1885. vw xxiii, p. 417. Maar zelfs dat ene woordje kwam niet. Anderhalve maand later overleed G.L. Funke, 48 jaar oud. Aan welke ziekte hij heeft geleden, is niet bekend. Multatuli telegrafeerde onmiddellijk aan Funkes zoon Jacobus: ‘Bitter bedroefd. Wil daar komen wanneer en waar begrafenis?’ [163] Telegram van Multatuli aan J. Funke, 20 oktober 1885. vw xxiii, p. 465.

Op donderdagochtend 22 oktober 1885 stonden, naast Funkes vrouw en kinderen, tal van bekende figuren uit de wereld van de boekhandel om de groeve. Een verslaggever zag tussen de aanwezigen ‘den Heer A.C. Kruseman, uit Haarlem, en den Heer E. Douwes Dekker (Multatuli), uit Nieder-Ingelheim’. [164] Nieuwsblad voor den Boekhandel, 23 oktober 1885. vw xxiii, p. 473. Of de twee jeugdvrienden elkaar gegroet of gesproken hebben, vermeldt de geschiedenis niet. [165] Wel zou men uit een brief van Multatuli aan mevrouw Funke van 22 januari 1886 kunnen opmaken dat er ‘iets’ was gebeurd met ‘vreemden’. Maar wie dat kunnen zijn geweest, blijft ongewis, vw xxiii, p. 560.

Na afloop van de plechtigheid ging Multatuli naar Rotterdam, waar hij logeerde bij de familie De Haas en enkele oude bekenden bezocht, onder wie Truida Hotz, de weduwe van zijn oude vriend Jacques Hotz. Ook logeerde hij een paar dagen bij de familie Braunius Oeberius in Utrecht. Hij was in vorm en keerde na een week of twee ‘opgewekt en vol aangename indrukken’ terug naar Ingelheim. [166] Mimi aan G.C. de Haas-Hanau, 8 november 1885. vw xxiii, p. 492; Y. Braunius Oeberius-Meyer aan V. en H. Bruinsma, 9 november 1885. vw xxiii, pp. 493-495. Wel hinderden aanvallen van benauwdheid hem bij alles wat hij deed. Het was zijn laatste bezoek aan Nederland.

In feite stond alles in deze jaren voor Multatuli in het teken van het naderend einde. De dood van Funke was vermoedelijk de zwaarste slag die Multatuli trof, maar het was niet het enige sterfgeval. Voor velen van zijn generatie was de tijd gekomen. Sommigen had hij niet of nauwelijks persoonlijk gekend, zoals mevrouw Bosboom-Toussaint, de al genoemde J.J. Cremer en Johannes Kneppelhout. Twee anderen kende hij maar al te goed: Johannes van Vloten en Conrad Busken Huet.

Om de dood van Van Vloten, op 21 september 1883, heeft Multatuli uiteraard geen traan gelaten. Het bericht liet hem nogal onverschillig, want Van Vloten was voor hem vooral iemand uit het verleden geworden. De schrijver van Onkruid onder de tarwe had hem de laatste jaren met rust gelaten, en Multatuli zelf maakte zich er ook niet meer druk om. In 1878 had hij, na een succesvol verlopen lezing in Rotterdam, zelfs aan Mimi geschreven: ‘Ja, ik verzeker je dat de Van Vlotens overwonnen zyn.’ [167] Multatuli aan Mimi, 21 maart 1878. vw xix, p. 360.

Dat kon hij van Busken Huet niet zeggen. De criticus overleed op 1 mei 1886 in Parijs, kort nadat hij een studie over Multatuli had afgerond. Huet, die voor zijn collega ondanks diens vijandigheid altijd waardering bleef houden, schreef in 1885 een biografietje van Multatuli. Het werk, dat in afleveringen verscheen in het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië, was bestemd voor de reeks Onze hedendaagsche letterkundigen (samengesteld en grotendeels geschreven door Jan ten Brink).

Huet was geen Van Vloten. In zijn boekje - in feite de eerste Multatuli-biografie - werd de hoofdpersoon in alle opzichten recht gedaan als denker en schrijver. Daarnaast bevatte het voor de lezers enkele nieuwigheden. Huet onthulde dat Multatuli als medewerker van de Opregte Haarlemsche Courant de Mainzer Beobachter had verzonnen. En hij kwam met een interessant jeugdwerk van Multatuli voor de dag: de ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’. [168] Busken Huet, ‘Multatuli. (Eduard Douwes Dekker)’.

Hoe vriendelijk Busken Huet ook over hem schreef, Multatuli was alleen maar verontwaardigd.


Die Huet (verlegen om kopie zeker) heeft goedgevonden 'n stuk saamteflansen over my, en hy gebruikt daartoe brokken uit brieven en andere schryvery (grootendeels uit m'n jeugd, nb! Iets er van, dateert van 1842. En ook 't andere is heel oud.) [169] Multatuli aan Kallenberg van den Bosch, 8 januari 1886. vw xxiii, p. 544.

Maar het was hem een raadsel hoe Busken Huet eraan was gekomen. Dat Huet de fragmenten uit de grote brief aan Kruseman uit 1851 had geplukt, werd pas na Multatuli's dood door J.A. Roessingh van Iterson ontdekt. [170] Roessingh van Iterson aan D.J. Korteweg, 22 maart 1887. vw xiv, p. 353. Vgl. aantekening van Mimi in Brieven, wb ii, pp. 100-102. Huet had ze van Kruseman ter inzage gekregen, maar voor Multatuli stond hoe dan ook vast dat de ‘Losse bladen’ waren gestolen. Toen hij een exemplaar van het biografietje toegestuurd kreeg, ‘met de vriendschappelyke groete van B.H.’, antwoordde hij niet.


Niets ware me makkelyker dan B.H. te verpletteren. Maar ik heb er geen lust in. Zekere V. Eybergen Santhagens [= de Indisch ambtenaar R. van Eibergen Santhagens] schreef eens: ‘met B.H. wensch ik geen andere aanraking te hebben dan door middel van de punt van m'n laars’. Welke reden die heer had voor deze uiting, weet ik niet, maar wel dat ik ze tot de myne maak. [171] Multatuli aan Vosmaer, 5 april 1886. vw xxiii, pp. 578-579.

De dood van Huet liet hem dan ook koud; hij sprak het vermoeden uit dat hij zelfmoord had gepleegd op grond van een ‘mislukt leven’. [172] Zoals valt opte maken uit het antwoord van zijn vriend Roorda van Eysinga. Roorda van Eysinga aan Multatuli, 24 mei 1886. vw xxiii, p. 604.



illustratie


 



illustratie
De laatste foto's van Multatuli werden twaalf jaar voor zijn dood al genomen, in 1875


 

Multatuli werd al voor zijn Duitse ballingschap geplaagd door benauwdheid en hoestbuien. Lange tijd hield hij het op een verkoudheid; ook in tijden dat hij door zijn gehoest hele nachten wakker was, kwam het niet in hem op dat hij misschien wel aan een andere kwaal leed (ook aan tuberculose dacht hij niet, hoewel hij, net als zijn tijdgenoten, velen aan die ziekte zag sterven).

In de jaren van zijn voordrachtentournees, 1878-1881, nam zijn benauwdheid toe. De ochtend voor zijn eerste lezing, 6 maart 1878, schreef hij Mimi dat hij bang was voor ademnood tijdens de voordracht, omdat hij al dagen last had van astma. [173] Multatuli aan Mimi, 6 februari 1878, vw xix, p. 56. Die avond ging het goed. Toch was het geen loze angst; diverse aanwezigen bij zijn lezingen hebben van zijn aamborstigheid getuigd. Een van hen was Frans Erens, die hem in de Leidse Gehoorzaal aan de Breestraat hoorde (onbekend is wanneer): ‘Toen hij op het podium stond en wilde gaan spreken, begon hij zenuwachtig te hijgen en sloeg met de hand op de borst, zeggende: “Cette vieille carcasse!”’ [174] Erens, Vervlogen jaren, p. 248.

Het duurde lang voordat hij met zijn benauwdheid en gehoest naar een dokter stapte, want in de medicijnen had hij geen vertrouwen. In deze geest schreef hij in december 1882 ook aan de arts Hendrik de Vries. Multatuli was ‘enigszins beschroomd’ de geneesheer te zeggen wat hij dacht ‘over de geneeskunde in het algemeen’.


Laat me my dus bepalen tot de betuiging dat ik zoo tegen mediceeren ben. Ik gebruikte nooit geneesmiddelen. Aannemende dat asthma kan genezen worden - wat ik doe omdat gy het zegt! - vrees ik voor andere kwalen die door de medicatie worden in 't leven geroepen. [175] Multatuli aan De Vries, 17 december 1882. vw xxii, p. 491.

De Vries had hem in 1863 al eens zijn diensten aangeboden - niet als geneesheer overigens, maar als geestverwant (zie p. 484). Een kleine twintig jaar later meende hij opnieuw dat hij Multatuli kon helpen. [176] H. de Vries, ‘Aan de nagedachtenis van Eduard Douwes Dekker’. In deze jaren begon men erachter te komen dat veel ziektes werden veroorzaakt door micro-organismen; de Duitse bacterioloog en latere Nobelprijswinnaar Robert Koch ontdekte in 1882 de tuberkelbacterie en in 1883 de cholerabacil. Meegesleept door de nieuwe vondsten hield De Vries de eencelligen ook verantwoordelijk voor Multatuli's ademnood. Hij kwam op het idee ze te bestrijden met staalpillen (chloral ferri) en arsenicum. Uiteraard met kleine hoeveelheden in te nemen: juist genoeg om de (vermeende) ziekteverwekkers te doden, en tegelijkertijd de patiënt in leven te laten.

Een aantal hoestbuien en aanvallen van benauwdheid later liet Multatuli zich ertoe overhalen het middel van De Vries te proberen. Sceptisch bleef hij, maar hij werd wel nieuwsgierig naar ‘die onbeschaamde parasietjes’, die hij - vermoedelijk in navolging van De Vries - als kleine schimmelplantjes beschouwde. En hij begon spontaan te rijmen:

Wat de geloovery is voor 't gemoed

Dat zyn de schimmeltjes in je bloed

Die laat men door Chl. ferri verkassen

Maar tegen die andere kwaal is geen kruid gewassen.

‘Zóó beloont de Dichter!’, eindigde hij zijn vrolijke brief. [177] Multatuli aan De Vries, 16 januari 1863. vw xxii, pp. 523-524. Minder opgewekt was de post die De Vries later van hem ontving, want Multatuli's vrees dat de pillen en druppels niet zouden helpen, werd bewaarheid. Of hij van die geneesmiddelen, waarvan een deel tegenwoordig als hoogst ongezond wordt beschouwd, niet juist zieker is geworden, blijft een open vraag. Onderzoek heeft in 1993 in bewaard gebleven botresten van Multatuli geen verhoogd arsenicumgehalte opgeleverd, wat erop zou kunnen wijzen dat hij niet langdurig grote hoeveelheden arsenicum heeft ingenomen. [178] Bruintjes en Van der Meulen, ‘Het ziekbed van Multatuli’, p. 39. Dat er stukjes bot van Multatuli bewaard zijn gebleven, kwam doordat men destijds na de crematie, ‘anders dan nu, de verbrandingsresten niet verder verpulverde’, aldus Van der Does in zijn artikel ‘Wat rest van Multatuli - en waar?’, p. 9.

Ondanks zijn beredeneerde afkeer van medicijnen heeft Multatuli in de volgende jaren heel wat pillen, poeders en druppels geslikt. Een deel ervan had alleen maar een kalmerende werking (zoals morfine), en zal voor dat doel wel hebben gewerkt. De rest - lobeliatinctuur, astmasigaren en, nogal curieus, een ‘stoommachinetje’ - werd geacht te helpen tegen astma. [179] Bruintjes en Van der Meulen, ‘Het ziekbed van Multatuli’, pp. 39-43. Want dat dit de ziekte was waaraan hij leed, stond voor bijna iedereen vast. Alleen hijzelf twijfelde wel eens - én Frederik van Eeden, die als medicus promoveerde op een onderzoek naar ‘kunstmatige voeding bij tuberculose’. [180] Fontijn, Twespalt, p. 212. ‘Ik heb veel over uw kwaal gelezen en het spijt me dat ik u niet eens onderzocht heb’, schreef die. ‘Eigenlijk asthma is het zeker niet!’ [181] Van Eeden aan Multatuli, 23 juni 1886. vw xxiii, p. 618. Achteraf gezien lijkt Van Eeden gelijk te hebben gehad. Tegenwoordig gaan artsen er meestal van uit dat astma-achtige verschijnselen die zich eerst op latere leeftijd voordoen, niet het gevolg zijn van ‘eigenlijk’ astma (astma bronchiale), maar van chronisch hartfalen (astma cordiale). De symptomen lijken overigens zo op elkaar, dat de twee ziektes nog altijd vaak worden verward. [182] Mededeling van dr. Marleen Bakker, longarts te Rotterdam, en dr. Acca Kapteijn, huisarts te Amsterdam, september 2001. Maar de diagnose zou voor de medicijnen die Multatuli gebruikte niet hebben uitgemaakt. Geen daarvan wordt nu nog voorgeschreven, bij welke benauwdheidskwaal ook. Wel werd de astmasigaret of -sigaar, waarin de bladeren van de doornappel waren verwerkt, nog tot na de Tweede Wereldoorlog gebruikt. [183] Bruintjes en Van der Meulen, ‘Het ziekbed van Multatuli’, p. 43. Baat heeft Multatuli daar zeker niet van gehad; de stramoniumsigaar was voor zijn longen niet minder schadelijk dan de vele gewone sigaren die hij tijdens zijn leven heeft gerookt.

Multatuli's benauwdheid werd erger en dwong hem steeds meer thuis te blijven. Zijn laatste bezoek aan Nederland, na Funkes dood in 1885, was hem weliswaar goed bevallen, maar hij had toch ook vastgesteld ‘nooit weer alleen op reis te kunnen gaan’. [184] Y. Braunius Oeberius-Meyer aan V. en H. Bruinsma, 9 november 1885. vw xxiii, p. 494. Hij bleef voortaan dus thuis, zoals hij de laatste jaren trouwens toch al had gedaan. Eenzaam was hij daar niet, zoals al wel is gebleken. Als hij geen bezoek had keek hij terug op zijn leven (vol bitterheid) of dacht aan het naderend einde. Ook zonder het overlijden van zijn generatiegenoten zou het hem niet zijn ontgaan dat hij oud werd: zijn haar was grijs geworden en zijn gezicht vol groeven, zijn tanden raakten los en vielen uit, en als hij een onverwachte beweging maakte schoot het hem soms in de rug en was hij onmiddellijk buiten adem. [185] Bijvoorbeeld: Multatuli aan Vosmaer, 5 april 1886. vw xxiii, pp. 576-577. Hij verwachtte niet dat hij het nog lang zou maken en schreef met grote regelmaat over de dood.

Al in 1879 leek het einde nabij te zijn. Hij ontwaarde zwellingen op zijn borst en meende dat hij kanker had. Maar omdat hij de dokters nu eenmaal niet vertrouwde, vroeg hij Funke om de titel van een boek over deze ziekte. Hij maakte zich zorgen over de toekomst van Mimi en Wouter zonder hem. [186] Multatuli aan Funke, omstreeks 7 september 1879. wv xx, p. 85. Een half jaar later waren de verontrustende symptomen echter verdwenen. Maar zijn gedachten aan de dood bleven. Bang was hij er niet voor, integendeel; vaak verlangde hij ernaar. Het enige wat hij vreesde was geestelijke aftakeling. Maar dát bleef hem bespaard.

In de zomer van 1885 kreeg hij bezoek van een jonge vrouw. ‘Een nieuwe liefde, al zal het dan wel een platonische zijn geweest’, schreef Willem Frederik Hermans over haar. [187] Hermans, De raadselachtige Multatuli, tweede druk, p. 220. Multatuli deed het anders voorkomen, toen hij zichzelf in een brief aan haar ‘Uw vriend en grootpapa’ noemde. [188] Multatuli aan Marie Berdenis van Berlekom, 12 oktober 1885. vw xxiii, p. 446. Haar naam was Marie Berdenis van Berlekom; ze was een van de bewonderaars uit Middelburg, tot wie ook de jurist M.J. de Witt Hamer en de latere Amsterdamse wethouder F.M. Wibaut behoorden. De laatste trouwde op 6 mei 1885 met Mathilde Berdenis van Berlekom, een zus van Marie. [189] Borrie, F.M. Wibaut, p. 15. Wibaut over zijn ontmoeting met de twee zussen:


Marie begon een gesprek over Multatuli. Dat bracht ons dadelijk op een goed terrein. Er was in die tijd niets, waarover ik liever sprak dan over wat Multatuli ons kon geven. De meisjes hadden van Multatuli reeds heel wat gelezen, maar ze verlangden naar meer. Zijn werken, die ik had, stonden natuurlijk tot haar beschikking. Het was een heel bizondere avond. [190] Wibaut, Levensbouw, pp. 75-76.

Marie Berdenis van Berlekom had Multatuli al eens horen spreken, op 11 maart 1879 in Middelburg. In augustus 1885, op weg van Frankfurt (waar ze muziek studeerde) naar Middelburg, stapte ze in Mainz op de trein naar Ingelheim. ‘Gedrongen door den korten tijd’, herinnerde ze zich vele jaren later,


holde ik de hobbelige straatjes van het dorpje door, den eenzamen, stijgenden weg op. 't Werd mij wonderlijk te moede! Hoe meer het pad steeg, des te breeder werd de horizon, des te wijder werd het landschap beneden mij. Daar zag ik den Rijn kronkelen als een zilver lint, - hoe ver was het dorpstorentje reeds achter mij! Zoo stil was het en zoo vreemd: de zon brandde op den heeten, stoffigen weg, in de wazige atmospheer. Mijne wangen gloeiden!

Toen ze ten slotte in Multatuli's werkkamer stond, ‘zoo bescheiden, ja bijna armoedig’,


trad hij mij tegemoet, een slank man, bleek, met lichte zieners-oogen, mijne beide handen grijpend. ‘Bent U niet boos dat ik gekomen ben?’, zei ik. ‘Kindlief, dan zou ik wel een hart van steen moeten hebben’, antwoordde hij. [191] Herinneringen van Marie Berdenis van Berlekom, op schrift gesteld in mei 1921. vw xxiii, p. 420.

Hij liet haar de Laube (een soort prieel van wijnranken) in de tuin zien waaraan hij de hele zomer had gewerkt - met een strooien hoed op zijn hoofd, als de zaaier die op zoveel afbeeldingen uitgaat om te zaaien -, en sprak vele uren met haar. De volgende morgen werd ze door Wouter naar de trein gebracht; Multatuli wuifde haar vanuit het raam na. Ze zou hem niet meer terugzien. Maar ze ontving in 1885 en 1886 hartelijke lange brieven vol (groot)vaderlijke raadgevingen, waarin veel zelfkennis doorklonk. Multatuli verzekerde Marie Berdenis van Berlekom, die om een gestorven broer treurde, dat er maar één manier was om haar verdriet te boven te komen: arbeid. Maar, hij drong (met de stem van dokter Holsma uit Woutertje Pieterse) aan op de ‘praktische mogelykheid van uitvoering’ van dat werk.


Zoo zal 'n leerling die te lui is om z'n ‘sommen’ te maken, zich verdiepen in 't zoeken van de cirkelkwadratuur. Nog eens, ik ken die kwaal, en dit erkennende staat het my 'n beetje minder leelyk, U ertegen te waarschuwen, niet waar? [192] Multatuli aan Marie Berdenis van Berlekom, 29 juni 1886. vw xxiii, p. 623.

Zijn brieven aan Marie Berdenis waren altijd vriendelijk, huiselijk, opgewekt. Zo ook zijn laatste brief aan haar, van 10 en 11 december 1886. Hij bedankte ‘den vriendelyken Sintnikolaas die ditmaal geen oude leelyke bisschop is maar 'n lief hartelyk meisje’. Hij schreef dat hij toch nog iets wilde doen voor Domela Nieuwenhuis, hij maakte zich vrolijk over de muziekkritiek van Daniël de Lange (in Het Nieuws van den Dag), wond zich op over moppenbladen en sprak zijn afkeer uit van het jagen (en ‘ook wel 'n beetje van de lui die er géén afkeer van hebben!’) op een wijze die nog altijd actueel is:


Dat de hazen moeten gedood worden spreekt van zelf. Anders zouden zy - even als alles wat niet wordt gestoord in uitbreiding - de overhand nemen, maar van dat dooden 'n uitspanning te maken, vind ik afschuwelyk. Een slachter kan zich nog beroepen op de noodzakelykheid z'n brood te verdienen, en ook 'n beul heeft zoo'n vergoelyking voor z'n beroep. Wat kan zoo'n jachtliefhebber voorwenden ter verdediging van z'n smaak? [193] Idem, 10 december 1886. vw xxiii, p. 754.

Hoewel hij uitgebreid verslag deed van het ‘waggelen’ en uitvallen van zijn tanden en ook melding maakte van zijn voortschrijdende astma, zal Marie Berdenis van Berlekom in de brief weinig hebben gevonden om zich ongerust te maken over Multatuli, integendeel.

Toch was het de laatste lange brief die hij (voorzover bekend) heeft geschreven. De laatste weken van het jaar 1886 was hij, zo schreef Mimi aan mevrouw De Haas, ‘by buien heel wel, en dan weer erg last van zyn asthma’. [194] Mimi aan G.C. de Haas-Hanau, 23 december 1886. vw xxiii, p. 761. Op oudejaarsavond wachtte hij met Mimi, Wouter en Zürcher, die een paar dagen op bezoek was, rustig op het moment dat de kerkklokken in de verte twaalf uur sloegen. Toen keerde hij, aldus Mimi later, ‘zyn schoon edel gelaat, waar als een waas van onsterfelykheid overlag, tot ons, en begon - voor ons geheel onverwacht - met lieve heldere stem een gedicht te zeggen, dat hy als knaap had geleerd’.

Dra zyn wy aan het eind van de afgemeten baan,

Dra zinkt een jaar daarheen met ryken buit beladen,

Dan biedt zich wel een weg, een nieuwe reisweg aan,

maar 't is een vreemd gewest met nooit betreden paden.

Zo sprak hij verder, vele regels lang, alles uit zijn hoofd, en eindigde met:

Wy gaan bemoedigd henen

Van 't doorgereisde veld naar de onbekende baan,

En 't zy ons aller beê, nu we aan de grenspaal staan

Wat ons de Hoop voorspelt dat wille ons God verleenen! [195] vw xxiii, pp. 769-770.

Het was een ontroerend moment. Het voordragen van dit oude almanakkengedicht betekent uiteraard niet dat hij op de valreep weer godsdienstig was geworden; wel spreekt er weemoed uit, een zeker zwak dat hij altijd heeft gevoeld voor een naïef, niet door dominees bedorven geloof, en het besef dat zijn eigen dood nu werkelijk niet lang meer op zich zou laten wachten.

Die overtuiging schreef hij ook neer in de weinige korte brieven en briefkaarten die hij de dagen daarna nog verzond. ‘Ik ben onwel, en... bezig met doodgaan. Enfin!’, schreef hij - onder een schaakzet - op 6 januari 1887 aan Muller. [196] Multatuli aan Muller, 6 januari 1887. vw xxiv, p. 35. Een dag later berichtte hij de predikant P.H. Ritter (die met zijn zoon P.H. Ritter jr. in de zomer van 1886 in Ingelheim was geweest): ‘Ik denk zeer veel aan den dood en - wat de zaak zelf betreft - zonder afkeer. Maar de byzaken!’ [197] Multatuli aan Ritter, 7 januari 1887. vw xxiv, p. 35. De weken daarna was hij goed gehumeurd, maar lichamelijk zwak. Hij at en dronk weinig, maar las 's ochtends wel met onverminderde belangstelling de kranten. Hij was onder de indruk van een nieuwe vertaling van ‘The Raven’ van Edgar Allan Poe; het gedicht herinnerde hem aan een tamme raaf die hijzelf in huis had gehad, die op de deur van zijn werkkamer placht te tikken en vaak op de boekenkast ging zitten. [198] Mimi aan Snelleman, 20 maart 1887. vw xxiv. De bewuste vertaling was van een zekere Johs. F. Malta (‘De raaf. Naar het Engelsch van Edgar Allan Poe’. In: De Nederlandsche Spectator, 22 januari 1887, pp. 31-32); vanwege de overeenkomende initialen veronderstelden Multatuli en Mimi dat Johannes F. Snelleman de vertaling had gemaakt. Overigens had Jacob van Lennep het gedicht al in 1861 vertaald. En hij schaakte, met Muller, Ritter en de arts Gorter.

Begin februari leek hij wat aan te sterken. Mevrouw Braunius Oeberius, die met haar man naar Ingelheim was gekomen (met sigaren voor Multatuli), schreef dat zijn toestand haar ‘ontzaggelijk’ was meegevallen. Ze speelden whist en Multatuli had oudergewoonte ‘steeds het hoogste woord’. [199] Y. Braunius Oeberius-Meijer aan G.C. de Haas-Hanau, 12 februari 1887. vw xxiv, p. 63. Ook dokter De Vries kwam langs, die verklaarde dat hij Multatuli's ‘toestand volstrekt niet ernstig inzag’. [200] Mimi aan Ritter, 18 februari 1887. vw xxiv, p. 65. Multatuli zei tegen Mimi: ‘Nu geloof my, er is geen kwaad by. Ik ben wat verkouden, en meer niet. Dat gaat weer voorby!’ [201] Mimi aan Mansholt, 19 maart 1887. vw xxiv, p. 336. Maar Mimi bleef ongerust.

Op 14 februari schreef hij een briefkaart aan Gorter, die zelf van een zware ziekte herstelde:


Wel, beste kerel, ik was bly uw hand te zien, en zoo mooi geschreven! Dat belooft veel goeds? Och, ik hoop zoo hartelyk dat gy heelemaal beter wordt. Gods vinger is duidelyk in dit alles. Hy sloeg u met die kwaal om u praktisch onderricht te geven in 't genezen van anderen.
Wat de schaakparty aangaat, ook ik brand van strydlust. M'n allervriendschappelykst plan is, u te verpletteren. Om te beginnen.
2) s g1-f3.... s b8-c6.
Dat je nu nog niet verpletterd bent, weet ik wel, maar dat komt 'n beetje later.
Zeg, als ge u te pynlyk voelt laat dan toch alsjebl. de party wachten. [202] Multatuli aan Gorter, 14 februari 1887. vw xxiv, pp. 64-65. De s staat voor Springer, ofwel paard.

Het was Multatuli als in zijn beste dagen. Typerend is ook een kleine correctie van hemzelf: achter het woord ‘komt’ (een na laatste zin) streepte hij het woordje ‘wel’ door, wat inderdaad een stilistische verbetering is.

Gorter antwoordde met lf1-c4. Op Gorters briefkaart kan men een tegenzet ontwaren, met blauw potlood genoteerd: lf8-c5. Mimi schreef daaronder: ‘Deze zet f8-c5 heeft Dek nog laten verzenden vrydag den 18den febr. 3 uur. Daarvoor liet hy my nog Neumann en Portius aangeven. Was opgeslagen Neumann blz. 30.’ G.R. Neumann en K.J.S. Portius waren auteurs van schaakboeken; op bladzijde 30 van Neumanns Leifaden uit 1874 was, aldus Lodewijk Prins, ‘sprake van Evans-gambiet’. [203] Gorter aan Multatuli, 16 februari 1887. vw xxiv, p. 65; Prins, Multatuli en het spel van koningen, p. 161. In Prins' boek staat ook een reproductie van deze laatste schaakzet. Op zo'n opening, die volgens Max Euwe in 1937 ‘niet zeer gebruikelijk’ meer was, stuurde Multatuli inderdaad aan, maar Gorters antwoordzet week hiervan af. Van die zet heeft Multatuli echter geen kennis meer genomen. [204] Euwe, Volledige handleiding voor het schaakspel, p. 234. Het Evans-gambiet verloopt als volgt: 1. e2-e4, e7-e5, 2. p g1-f3, p b8-c6, 3. lf1-c4, lf8-c5, 4. b2-b4, lc5-b4. Die laatste zet van zwart (de kleur waarmee Multatuli speelde) is de kern van het Evans-gambiet, waarbij het draait om een pionoffer van wit. De (niet meer door Multatuli aanschouwde) vierde zet van Gorter was echter p b1-c3. Met dank aan Geert van der Meulen, Heemstede.

lfs-c5’ was het allerlaatste wat Multatuli heeft opgeschreven. Diezelfde dag schreef Mimi aan Ritter over haar man: ‘Hij is nu doodaf van een lange asthmabui die nog niet geheel voorby is. - het is afschuwelyk ellendig hem zoo te zien lyden.’ [205] Mimi aan Ritter, 18 februari 1887. vw xxiv, pp. 65-66. ‘Ach God, die arme Dek is zoo verergerd sedert gisteren’, berichtte mevrouw Braunius Oeberius de dag daarna. ‘God geve dat hem de doodstryd niet al te zwaar wordt gemaakt.’ [206] Y. Braunius Oeberius-Meijer aan G.C. de Haas-Hanau, 19 februari 1887. vw xxiv, p. 66. Ook Multatuli zelf geloofde er niet meer in. ‘Dit is geen bui meer’, zei hij tegen Mimi. ‘Hieraan ga ik weg.’ En toen Mimi hem aanspoorde moed te houden: ‘Ja, kind, moed heb ik wel, om te sterven.’ [207] Mimi aan het echtpaar De Haas-Hanau, 20 februari 1887. vw xxiv, p. 69; Mimi aan De Wolff e.a., 2 maart 1887. vw xxiv, p. 218. Volgens deze lezing, en ook volgens Zürcher (die het echter ook weer van Mimi vernam), waren Multatuli's woorden: ‘Dit is geen bui meer, het is het einde.’ Artikel van Zürcher in: Nieuws van den Dag, 25 februari 1887. vw xxiv, p. 129. Hier is de voorkeur gegeven aan de versie van 20 februari, die minder dan één etmaal na Multatuli's dood werd opgeschreven. Na een doorwaakte nacht stond hij zaterdagochtend, 19 februari, toch nog op, om zich, leunend op de schouder van Mimi, naar zijn werkkamer te begeven. Daar ging hij op ‘de sofa’ liggen (een chaise longue, nog altijd in het bezit van het Multatuli Museum), waarboven het portret van Funke hing. [208] Mimi aan M.C. Funke-de Koning, 20 februari 1887. vw xxii, p. 71. ‘Het gaat hard achteruit’, zei hij een paar maal. [209] Mimi aan A.H.E. Douwes Dekker, 19 maart 1887. vw xxiv, p. 343. Een dokter uit Nieder-Ingelheim kwam langs met een slaapdrank. Mimi:



illustratie




illustratie
Boven:‘Deks huis’, zo schreef Vosmaer in 1883 onder deze tekening, en onder de chaise longue waarop Multatuli overleed.


 


ik gaf hem die om half drie nog met hoop. ik geloof hy zelf hoopte ook nog. Want al had hy moed genoeg om te sterven, hy zou graag nog wat geleefd hebben. Hy viel zeer snel in slaap en ik lag geknield by hem en rookte stramonium sigaren en blies hem de rook in. een uur lang. toen stond ik op en schreef een paar briefjes met hoop. ik hoorde hem ademen, voortdurend en toen het 5 uur was en donker werd en ik begon te vinden dat het lang duurde - toen hield het ademen op - eensklaps, en was hy dood. - [210] Mimi aan Mansholt, 19 maart 1887. vw xiv, p. 337.

Braunius Oeberius telegrafeerde 's avonds om tien over half tien in verhollandst Duits aan de familie De Haas:


d. soeben kalm gestorben sorgen sie bitte fuer publicitaet in hollaendische blaetter. [211] Telegram van Braunius Oeberius aan het echtpaar De Haas-Hanau, 19 februari 1887. vw xiv, p. 66. Het woord kalm bestaat in deze betekenis niet in het Duits, en het had natuurlijk in hollaendischen Blaettern moeten zijn.

Een zaak van hygiënischen aard

In 1876 schreef Multatuli een noot bij Idee 925, waarin hij de christenen verweet dat ze ten onrechte het alleenrecht claimden op allerlei normen en gebruiken.


Ik noemde in dit nummer 't woord ‘christelijke begrafenis’. De sedert opgekomen beweging voor 't lykenverbranden, heb ik met vreugd begroet. Jammer dat de voorstanders van die verbetering met zoveel moeilykheden te kampen hebben. Maar vreemd is 't niet. Sedert eeuwen vonden de vromen in de akeligheden en spokeryen hunner kerkhoven, de trouwste bondgenoten voor hun bygeloof. Maar des te gebiedender eist het plichtsbesef van welmenenden en ontwikkelden, dat ze den vyand dat wapen uit de hand slaan, en dus op 't invoeren - of althans op 't fakultatief veroorloven - van crematie blyven aandringen. De zaak is van hygiënischen aard, o zéker! Maar ze is dit niet minder voor 't denkvermogen van de levenden, dan voor hun lichamen. Dat er uit de kerkhoven verpestende dampen opstygen, is ook als beeldspraak de volle waarheid. [212] vw iv, p. 717.

Vervolgens begon hij uit te varen tegen de befaamde natuurkundige P. Harting, die in het Album der Natuur tegen crematie had gepleit. [213] Cappers, Vuurproef voor een grondrecht, pp. 71-73. Multatuli's vroegste gedachten hierover dateren van 1841. In de ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man’ (die fictief zijn, maar deels toch weergeven wat de jonge bestuursambtenaar toen vond) staat, zoals we in hoofdstuk 11 hebben gezien, een opsomming van ‘wat toch geschieden moet’. Daaronder bevindt zich ook de wens tot ‘verbranding der dooden’. [214] Opgenomen in de brief van Dekker aan Krüseman van 24 februari - 6 mei 1851. vw ix, p. 172. Hoewel hij er niet erg vaak over schreef, bleef hij deze mening toegedaan. Hij vertegenwoordigde daarmee een minderheid in de Nederlandse samenleving, maar alleen stond hij niet. In het programma van de vereniging De Dageraad, opgericht in 1856, was de lijkverbranding opgenomen. [215] Cappers, Vuurproef voor een grondrecht, p. 31. In Nederland nam het aantal voorstanders van crematie sindsdien langzaam toe, al duurde het nog tientallen jaren voordat de lijkverbranding werd toegestaan. In de nieuwe begrafeniswet van 1869 werd crematie zo goed als verboden. [216] Ibidem, pp. 32-34. Wel stond er in de wet een artikel dat later door voorstanders zou worden gebruikt om crematie toch mogelijk te maken.

In Duitsland was dat anders. Daar werd in 1874, in Dresden, voor het eerst geëxperimenteerd met moderne lijkverbrandingsovens. [217] Idem, pp. 37-38. Multatuli las de berichten over de eerste verbrandingen vol belangstelling. Op 11 november van dat jaar schreef hij Funke over de crematie van een vrouw in Dresden.


Ik wist niet dat de verbranding reeds was ingevoerd, of getolereerd. Ook niet dat men hiertoe naar Dresden moest. De zaak komt me nuttig voor, want veel bygeloof was op kerkhofs akeligheid gegrond. Goed voorgaan doet goed volgen. Mimi wil naar Dresden en ik ook, als 't kan. [218] Multatuli aan Funke, 11 november 1874. vw xvii, p. 88.

Het werd niet Dresden, waar slechts een experimentele oven had gestaan, maar Gotha in Thüringen, waar in 1878 het eerste crematorium van Duitsland (en het derde ter wereld) was gebouwd. [219] Grossmann, ‘Das Gothaer Krematorium’; Mendelsohn, Cremation. Het crematorium van Gotha staat er nog steeds, van buiten nagenoeg onveranderd en met een mooie oude urnenzaal. Zelfs de oude verbrandingsoven is er nog, maar deze wordt niet meer gebruikt. Crematies vinden nu plaats in een moderne oven. [220] Bezoek aan het crematorium van Gotha, 5 oktober 1998.

Er was één nadeel: Gotha lag hemelsbreed op 120 kilometer van Nieder-Ingelheim. Het vervoer van het lijk en de verassing zouden, berekende Mimi, duizend mark kosten (toentertijd bijna zeshonderd gulden). Dit bedrag werd haar door haar Rotterdamse vriend H.C. de Wolff voorgeschoten.

Intussen had de dokter in Nieder-Ingelheim Multatuli's overlijden bevestigd (en bij dezelfde gelegenheid vermoedelijk ook een haarlok afgeknipt, die bewaard is gebleven); op maandag de 21ste werd door de ‘Hand-Arbeiter’ Michael Baumgärtner (een van de weinige Ingelheimers met wie ze omgingen) aan de burgerlijke stand doorgegeven dat ‘Eduard Douwes-Dekker, Literat, siebenundsechzig Jahre alt, Dissident Religion’, was gestorven. [221] Akte van overlijden. vw xxiv, p. 75. De korte tekst bevat meerdere onjuistheden: behalve de onjuiste leeftijdsvermelding van de dode (en het hier onterechte maar in Duitsland gangbare verbindingsstreepje in zijn achternaam) is Mimi's meisjesnaam fout gespeld (Hammick-Schepel) en staat er dat Multatuli in Baumgärtners huis was gestorven. De haarlok wordt bewaard in het Multatuli Museum.

In Rotterdam pakte mevrouw De Haas, die het telegram van Braunius Oebe- rius had ontvangen, haar koffer en stapte op de trein naar Duitsland. Ze arriveerde nog op tijd om de dode te zien.



illustratie
Het crematorium te Gotha


 


Daar lag hij in zijn eigen kamer op de sofa alsof hij rustte. Zijn gelaat was weinig veranderd. De handen lagen kruiselings over elkaâr. Het hoofd leî op 'n kussen en was eenigszins rechts gebogen. De houding van het geheele lichaam was als die van iemand die rustig slaapt. [222] Terugblik van G.C. de Haas-Hanau, omstreeks 23 februari 1887. vw xxiv, p. 119.

Wat later die maandag arriveerden ook Paap en Zürcher. Zij waren net te laat om Multatuli nog te zien; het lijk was al gekist. Dinsdagmorgen werd de dode per trein naar Gotha vervoerd. Mevrouw De Haas, mevrouw Oeberius, Wouter, Paap en Zürcher bleven in Ingelheim. Zo kwam het dat er maar vijf personen voor de plechtigheid naar Gotha waren gegaan: Mimi, haar broer Albert, die in allerijl uit zijn woonplaats Bergen (België) was overgekomen, Braunius Oeberius, en twee jonge bewonderaars uit Middelburg: de houthandelaar C.M. Ghijsen en F.M. Wibaut. Wibaut had onmiddellijk de trein genomen toen het doodsbericht Nederland had bereikt; Ghijsen was hem de volgende morgen gevolgd. Ze wilden voorkomen ‘dat er evenals bij Busken Huet niemand aan 't graf zou zijn’. [223] M. Wibaut-Berdenis van Berlekom aan J.J. Berdenis van Berlekom, 22 februari 1887. vw xxiv, p. 89.

Er werd niet gesproken. Wibaut en Ghijsen kregen het verzoek ‘niets uitvoerigs naar de Nederlandsche pers’ te seinen. Dat had Nederland aan Douwes Dekker niet verdiend, zei Mimi. [224] Herinneringen van Wibaut, opgenomen in vw xxiv, pp. 103-104 en 105-108. Op woensdag 23 februari om 3 uur 's middags werd Multatuli als eerste Nederlander gecremeerd.

Aanvankelijk leek het verzoek van Braunius Oeberius aan De Haas om voor ‘Publicitaet’ te zorgen, veel voeten in de aarde te hebben. Het hoofd van de gemiddelde Nederlander stond helemaal niet naar verdriet om die dwarsligger in Duitsland; dezelfde dag, zaterdag 19 februari 1887, was koning Willem iii - de man die door Multatuli ‘'n lor’ werd genoemd - immers zeventig geworden. [225] Multatuli aan Marie Berdenis van Berlekom, 20 oktober 1886. vw xxiii, p. 722. Dát was waar de zondagsbladen en de maandagkranten vol van waren. Alleen de Nieuwe Rotterdamsche Courant kwam meteen met een herdenkingsartikel; in dezelfde krant stond op maandag ook een ingezonden overlijdensbericht, opgesteld door Mimi. De andere bladen begonnen er vanaf dinsdag 22 februari over te publiceren - maar vanaf dat moment kwam er dan ook een stroom op gang van korte berichten en lange herdenkingsartikelen in de dag-, week- en maandbladen, die tot in juli zou aanhouden. Ook in de Indische bladen en in de buitenlandse kranten, zoals het Journal de Bruxelles, de Frankfurter Zeitung, de Kölnische Zeitung, Die Nation, The Athenaeum en The Times, werd over Multatuli's dood geschreven. Bijna alle Nederlandse kranten maakten melding van zijn geniale schrijfstijl, maar ze verzuimden vaak niet erbij te zeggen dat dit maar één kant van Multatuli was. ‘Het was een geniaal man, doch die zijn groote gaven beter had kunnen aanwenden; die het goede bedoelde, maar veel kwaad heeft gesticht’, schreef bijvoorbeeld het Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage - de behoudende krant waarvan Multatuli eind jaren zestig nog bijna medewerker was geworden. Het scherpst was de toon in de confessionele pers. Zoals De Standaard: ‘In zooveel jeugdige harten heeft Multatuli alle heilige ontwikkeling gesmoord en zijn onkruid gestrooid met handvollen’, aldus de antirevolutionaire krant. ‘En al stierf hij weg en al is zijn lijk in den Gothaschen gloeioven verbrand, de brand, dien hij aanstak in onze zedelijke huishouding, wordt door niets in zijn vernieling gestuit.’ [226] De Standaard, 7 maart 1887. vw xxiv, p. 243. Multatuli zou het met plezier hebben gelezen.

Maar in de meeste bladen overheersten toch waardering en lof. Zelfs de kranten die Multatuli bij zijn leven fel hadden bekritiseerd, zoals het Algemeen Handelsblad, konden nu nauwelijks woorden vinden om hun bewondering uit te drukken. Pijnlijk waren alleen de vele verschrijvingen en onjuistheden in de berichtgeving: zo werd Multatuli's laatste woonplaats meerdere malen ‘Nieder-Inselgeim’ genoemd - de bladen schreven het elkaar na -, en vergiste men zich in de precieze sterfdatum en in de leeftijd die hij had bereikt. In één krant werd, bij een terugblik op zijn leven, zelfs gesproken van de ‘residentie Lebok’. [227] De Avondpost, 22 februari 1887. vw xxiv, p. 100. Niet alleen Lebak is fout gespeld; het was bovendien een afdeling en regentschap in de residentie Bantam.

Dit soort fouten werden niet gemaakt in De Dageraad. Dat dit het tijdschrift was van Multatuli's trouwste aanhangers, werd in maart weer eens bewezen. In allerijl had de redactie een herdenkingsnummer samengesteld. Het opende met een korte tekst in een zwart kader: ‘Op den 19den Februari 1887 stierf, bijna 67 jaar oud, te Nieder-Ingelheim ons eerelid eduard douwes dekker. - multatuli - Hij heeft geleefd.’ Bijgevoegd was een onbekend portret, nagetekend door een zekere Overman. Van dit inmiddels beroemde portret, dat in de verloftijd (1852-1855) zou zijn gemaakt, zijn later ook fotografische afdrukken teruggevonden. Maar het origineel ontbreekt. Of het inderdaad Multatuli is, blijft onzeker. Mimi meende stellig van wel, maar de echtheid kon door Multatuli niet worden bevestigd, omdat het immers pas na zijn dood opdook. [228] Brieven, wb ii, p. 150; Hermans, ‘Multatuli's portretten’. Behalve het portret bevatte het Multatuli-nummer van De Dageraad herinneringen, beschouwingen van getrouwen als H.C. Muller, H. de Vries en Marie Berdenis van Berlekom. [229] ‘Multatuli-nummer’ van De Dageraad, 15 maart 1887. Grotendeels opgenomen in vw xxiv, pp. 279-324.

Enkele vrienden pleegden volgens Mimi verraad aan Multatuli (of zijn nagedachtenis). Een van hen was Zürcher, die in het Nieuws van den Dag ‘voor vrienden’ enkele bijzonderheden over de crematie had prijsgegeven. Hij schreef onder andere dat Multatuli in Nederland niet begraven kon worden, omdat hij daar niet had willen leven; in Ingelheim was een begrafenis zonder kerkelijke ceremoniën onmogelijk, zodat men voor crematie had gekozen. [230] Nieuws van den Dag, 25 februari 1887. vw xxiv, pp. 129-130. Een ‘grof, onjuist en bovenal heiligschennend artikeltje’, vond Mimi, die hem daarover de oren waste. Ze was evenmin ingenomen met een herdenkingsartikel in De Nieuwe Gids van Frederik van Eeden. Die had inderdaad een merkwaardig stuk geschreven, dat lovend begon maar nogal snerend eindigde, omdat hij tijdens het herlezen van de Ideeën steeds meer bezwaren had gekregen tegen Multatuli. [231] Van Eeden, ‘Eduard Douwes Dekker’. Fragmenten hieruit in vw xxiv, pp. 440-450. ‘Ik wist niet dat de ideeën zoo schrikkelijk taai zijn’, zuchtte Van Eeden tijdens het schrijven van het artikel in een brief aan Kloos. [232] Van Eeden aan Kloos, 22 april 1887. vw xxiv, p. 392.

Maar de meeste last had Mimi van een oproepje van Multatuli's uitgever Elsevier. Robbers, die jarenlang vergeefs op nieuwe kopij had gewacht, riep degenen die brieven van Multatuli bezaten op deze tijdelijk af te staan, met het oog op een ‘zooveel mogelijk volledige uitgave zijner brieven, die een merkwaardig licht kunnen verspreiden over het leven van dien meester’. [233] Het Nieuws van den Dag, 8 maart 1887. vw xxiv, p. 243. Mimi was hevig geschokt - te meer daar Taco de Beer juist een aantal lange brieffragmenten van Multatuli (met mededelingen over Edu) in zijn blad De Portefeuille had gezet. Er werd een snelle tegenactie op touw gezet door Vosmaer en vervolgens Vitus Bruinsma, die ertoe leidde dat niet Elsevier, maar Mimi de meeste brieven in haar bezit kreeg.

Multatuli's dood betekende geenszins dat er niet meer aan hem verdiend kon worden; dat beseften ook anderen dan Elsevier. In De Portefeuille van 7 mei, tweeënhalve maand na zijn overlijden, annonceerde een oude bekende in De Portefeuille:


Te Koop.
Het HANDSCHRIFT van
de bruid daarboven’,
door
multatuli

Aanbiedingen van Prijs worden ingewacht onder letters on, bij de firma r.c. meijer, Damrak 97, te amsterdam. [234] De Portefeuille, 7 mei 1887. vw xxiv, p. 405. Het handschrift is nu in het bezit van het Multatuli Museum.

Niet alleen de pers reageerde massaal op het overlijden van Multatuli. Mimi ontving dikke stapels brieven van bekenden en onbekenden. Behalve brieven en kaartjes werden er ook complete kransen en linten naar Nieder-Ingelheim gestuurd.

De post kwam uit alle windrichtingen, behalve uit het zuiden. Nu zal Mimi niet bijzonder verlangend zijn geweest naar berichten van Edu en Nonni, maar ze had hen toch nodig. Op 10 maart 1887 werd door de Ingelheimse notaris namelijk een boedelbeschrijving opgemaakt, en Multatuli's eigen kinderen behoorden nu eenmaal tot de rechthebbenden. Op het eerste gezicht leek er voor hen nogal veel te erven - de lange inventaris vermeldt onder andere vier ‘volständige’ bedden, twee Amerikaanse ovens (kachels), twee geiten, de beken-de chaise longue, schilderijen en uiteraard boeken - maar de totale geschatte waarde van al deze voorwerpen was (ook naar huidige maatstaven) niet bijzonder hoog: 1596 mark, dat was volgens de toenmalige koersen minder dan duizend gulden. Met het huis erbij kwam de notaris toch nog op 18.796 mark (ruim 11.000 gulden). Schulden waren er ook: 5100 mark (3000 gulden) aan diverse lokale leveranciers. Eventuele schulden van lang geleden in Nederland, Nederlands-Indië, België of... Lissabon, waren niet genoteerd. Het ging dus om het huis, waar Mimi niet langer kon en wilde wonen. Maar zonder volmacht van Edu en Nonni kon het niet worden verkocht. Bijzonder veel zou het niet opleveren. Volgens Mimi was het huis op 15.000 mark getaxeerd (een nogal zuinige opgave; in de boedelbeschrijving stond 17.000 mark); 5/8 daarvan zou zij erven, en Edu en Nonni samen 3/8. [235] Mimi aan Edu, 29 augustus 1887. vw xxiv, p. 486.

Bassani, de man van Nonni, meldde zich (uiteraard schriftelijk) in april. Van Edu geen spoor; het duurde tot 17 augustus voordat hij iets van zich liet horen, in een brief aan de redactie van Het Nieuws van den Dag. ‘Zoudt U mij willen verplichten door mij één exemplaar te sturen van elk nummer van Uw krant dat iets bevat over de dood van mijn arme en geliefde vader?’, vroeg hij. [236] Edu aan het Nieuws van den Dag, 17 augustus 1887. vw xxiv, p. 474. Brief oorspronkelijk in het Frans. Het lijkt schijnheilig. Maar in een brief van Edu aan Sietske Abrahamsz van een week later schreef hij pas twee weken tevoren te hebben gehoord ‘dat mijn arme Dek’ was overleden. Alle ellende die tussen zijn vader en de kinderen was voorgevallen weet hij aan Mimi,


een egoïstische vrouw die het hele leven van een man aan zich wist te binden en naar haar wil te buigen, een man met zo'n goed en gevoelig karakter doch heel zwak onder het juk van deze verderfelijke vrouwelijke invloed. Arme, arme Dek! [237] Edu aan Sietske Abrahamsz, 25 augustus 1887. vw xxiv, p. 477.

Toch was er wel iets met Edu aan de hand, want rond dezelfde tijd ontving ook Mimi brieven van hem, waarin ‘zooveel verdriet’ was ‘dat ik alles vergeet, of liever dat de herinneringen aan veel onaangenaams verdrongen wordt door zyn hartelyken toon’. [238] Mimi aan het echtpaar De Haas-Hanau, 28 augustus 1887. vw xxiv, p. 485. En dat deed ze.

Maar Edu zal niet gelukkig zijn geweest met de transactie die Mimi, geadviseerd door Paap en Zürcher - rond het huis in Ingelheim heeft uitgevoerd. Op 24 december 1887 werd een comité in het leven geroepen om de weduwe in staat te stellen de woning te kopen waarin Multatuli ‘zijn laatste jaren in betrekkelijken vrede doorgebracht heeft, die hij een uitroepingsteeken na al zijn zwerven noemde, waar hij met liefde de Laube plantte en verzorgde’. [239] Oproep van H. Holdert (redacteur van De Echo), Paap en Zürcher in het Nieuws van den Dag, 23 december 1887. Een paar dagen later berichtte het comité echter al dat de aankoop ‘onmogelijk’ was geworden. [240] Mededeling van Holdert, Paap en Zürcher in het Nieuws van den Dag, 26 december 1887. Een wonderlijke mededeling, zoals uit het vervolg van de gebeurtenissen zou blijken. Het huis zou wel degelijk worden verkocht, blijkens een advertentie in enkele Duitse kranten over de ‘versteigerung einer Villa bei Nieder-Ingelheim a Rh. auf Anstehen der Wittwe und Erben des holländischen Schriftstellers Herrn Eduard Douwes Dekker’. [241] De Schoondochter, De waarheid over Multatuli en zijn gezin, p. 390. Op die veiling, die op 2 januari 1888 plaatshad, was de belangstelling voor het huis kennelijk gering. Mimi, opnieuw bijgestaan door Zürcher, kocht het zelf, voor slechts 8250 mark. Van dat bedrag ontvingen Edu en Nonni hun deel. Een half jaar later verkocht Mimi het huis echter weer, met een winst van bijna zesduizend mark. Daarvan kregen Multatuli's kinderen niets. [242] Van den Bergh in vw xxiv, p. 26; Hermans, De raadselachtige Multatuli, tweede druk, p. 225. De waarde van het huis, in maart 1887 geschat op zo'n zeventienduizend mark, bleek in januari 1888 dus te zijn gedaald tot ruim achtduizend mark, om in de zomer weer te zijn gestegen tot zo'n veertienduizend mark. Opgehelderd is dit fenomeen nooit; maar het is niet verwonderlijk dat Edu, en later zijn weduwe, moeite hadden om de fluctuerende Ingelheimse huizenmarkt te doorgronden. [243] De Schoondochter, De waarheid over Multatuli en zijn gezin, pp. 384-400. Mogelijk werden de schommelende prijzen door Mimi en de haren verdedigd met het argument dat het huis in de tijd dat het werd geveild bewoond was, en daarom minder opbracht dan in de zomer ervoor, toen het leeg werd opgeleverd.

In juni 1887 vertrok Mimi met Wouter uit Nieder-Ingelheim. Ze verhuisde naar Amsterdam, waar ze een bovenwoning had gehuurd aan de Nassaukade, op nummer 86, zoals ze haar vrienden berichtte. Dat dit eveneens het huisnummer van Willem Paap was, vertelde ze er aanvankelijk niet bij. Ze zou er tien jaar wonen, totdat Wouter volwassen was. Voor de bewering van Jaap Meijer in zijn anti-biografie van Paap dat ze een verhouding hebben gehad - ‘voor een bohémienne als Mimi was een dergelijke relatie toch iets zeer gewoons’ - is geen bewijs, maar uitgesloten is het evenmin. [244] Meijer, Willem Anthony Paap, p. 135. Geestverwanten waren ze in ten minste één opzicht: hun gepassioneerde bewondering voor Multatuli. Aangemoedigd en geholpen door Paap verzorgde Mimi een tiendelige brievenuitgave van haar man, nadat ze in 1890 al een bundeling van de Wouter-Ideeën had gemaakt.

In 1897 verliet Mimi het huis van Paap en verbleef nadien op wisselende adressen; ook woonde ze korte tijd in Ermelo. In 1904 verhuisde ze naar Den Haag, waar ze tot haar dood zou wonen. Ook in de rest van haar lange leven stond alles in het teken van de man aan wiens zijde ze ruim twintig jaar had doorgebracht. Mimi leefde lang genoeg om de oprichting in 1910 van de Vereniging Het Multatuli Museum (het latere Multatuli Genootschap) mee te maken, en ze was er ook nog toen in 1920 Multatuli's honderdste geboortedag werd herdacht. Toen ze in 1929 negentig werd, kreeg ze een delegatie van de vereniging op bezoek en ontving ze veertig bloemstukken en honderd felicitatietelegrammen. [245] Jongstra, De Multatulianen, pp. 186-187. Op 25 september 1930 overleed ze, een half jaar na Edu en drie jaar voor Nonni. Ze werd in Velsen gecremeerd. Sinds 1848 staat er bij dat crematorium een klein monument, waarin de asurnen van Multatuli en Mimi zijn bijgezet.



illustratie
Herdenkingspagina van het weekblad De Amsterdammer, 6 maart 1887