Multatuli.online


De auteur wordt gekapitteld, en verzoekt den lezer daarvan het zyne te nemen

Dem kann geholfen werden, had Adolf gezegd, zonder acht te slaan op wat hy zeide, want by voortduring hielden hem de geheimzinnige geluiden bezig, die zich een weg baanden door de spleten van 't gewelf:

- Messieurs, faites le jeu!

- Le jeu est fait!

- Rien ne va plus!

- L'or va au rouleau!

- Moitié à la masse!

- Dix louis au billet!

- Trois... quarante!

- Un... un après! La carte est noire...

- Rouge gagne et couleur!

- Rouge perd, la couleur gagne!

- Onze, noir, impair et manque!

- Trente-six, rouge, pair et passe!

- Aux quatre premiers, s.v.p.!

- A cheval, neuf à douze!

- Transversale, treize à dix-huit!

- Zéro!

En tussen dat alles in, hoorde men het rollen van muntstukken, 't glitterend geschuifel van bankbiljetten. Soms ook, maar zelden, het gekibbel van spelers.

Ik kon niet langer zwygen, en zonder op de terugkomst van de uitgezonden boden te wachten:

- Meester, riep ik, gy hoort de echo van de bank te Wiesbaden. Daar wordt gespeeld - men noemt dat spel, o goden... is er sarriger lusus a non ludendo denkbaar? - dáár wordt gewonnen en verloren, dáár wordt getournooid à outrance tussen lichtzinnigheid en moed, tussen hartstocht en koelbloedigheid, tussen vertwyfeling en hoop! Dáár is een der scherpst-geslepen brand-punten van den fellen Kampf ums Dasein dien wy, arme mensen, genoodzaakt worden, wormpjes, atomen en zonnestelsels na te stryden. Dáár, Meester... ik vocht liever mee op dát terrein, dan nu op m'n ouden dag te gaan schacheren in kurk, roggekoffie of assurantie. Meester, ik verzoek u my door uw gnomen te doen onderrichten in de kansrekening.

- Dem kann geholfen werden, zei Adolf nog eens, en ditmaal zonder verstrooidheid. Kabouter 0/0, laat wat ertsblokken brengen, en zet ze in orde. Er is grote vergadering vanavond. Zorg voor veiligheidslampen, en denk aan suikerwater voor de redenaars.

Daarop wendde hy zich weder tot my en vroeg:

- Wat bewoog u tot de mening dat myn kaboutermannetjes iets van de kansrekening verstaan?

- Fancy heeft me hierin gegooid. Zyzelf moge verantwoorden waarom!

- Ze is verantwoord! Er bestaat tussen fantasie en verstand een soort van overeenstemming waarvan gy mensjes u zelden rekenschap geeft, schoon gy toch iets van de zaak schynt te ahnen, daar ge vaak - en dat is een tweede fout! - verbeelding en oordeel verwart. Men is, daar boven ons, gedurig bezig met de al te goed gelukte oplossing van 't probleem: hoe men dwalen kan tegelykertyd op tweeërlei wys, en dit heeft ulieden geleid tot de zotte mening - uw derde fout! - dat er kans is op 't terugvinden van den rechten weg, door van die dwalingen 't gemiddelde te nemen. Daarover misschien later, als ge na de zitting van hedenavond nog wat hier blyft. Is dat uw plan?

- Ik moet volstrekt naar boven. De portier zal ongerust zyn, en bovendien, de lezers van ‘Het Noorden’ wachten op myn millioenen-studie...

- Ik mag lyden dat dit laatste waar is. Ge hebt wel wat recht op belangstelling... al ware 't om den titel alleen, die goed gekozen is... om de studie niet, maar om de millioenen. Wat den pórtjeh aangaat, hy zit in de Schenke, beneden in 't dorp, en schwätzt van Königgrätz en Sadowa...

- Maar Staccata?

- Die is aan 't kibbelen met de meid, over 'n gebroken Schnapsglaasjen, en vindt nu op haar beurt zo'n onhandigheid ‘zu ko-lossal’. Ge hoort het, zy praat den student na. Dat dacht ge niet! Over 't geheel hebt gy die zeer ordinaire stumperd voor belangwekkender aangezien dan zy inderdaad is... uw gewone fout! De oorzaak is, dat ge haar persoon verward hebt met de indrukken die u bezighielden, toen ge 'r voor 't eerst zaagt in '54...

- Ik zal 't niet weer doen.

- Dat kunt ge niet beloven. Wat gyzelf eenmaal over politiek evenwicht zeidet [*] Minnebrieven; zie deel II, pag. 79. is ook van toepassing op het basculeren der verschillende werkingen van den geest. Volkomen balans is ondenkbaar... en zou dan ook evenmin te wensen zyn als elke andere stilstand. Stilstaan, niet-bewegen, is een feitelyke ontkenning van het zyn dat in beweging bestaat. Wat niet beweegt is dood... neen: is niet. Dat 's nog minder dan dood. Begrypt ge dit?

- Nagenoeg. Maar ik weet niet of m'n lezers...

- Dat gaat my niet aan, en ik geef ook u den raad daarnaar nooit te vragen. Zeg en schryf wat u voorkomt waar te zyn, tracht zo duidelyk mogelyk over te brengen wat Fancy u in de gelegenheid stelt te horen, en laat de rest over aan de toekomst. Er is veel kans dat men daarboven eindelyk eens zal leren lezen. Nog een paar generatiën...

- Meester, ik kan zo lang niet wachten!

- Waarom niet? Is 't u dan om de claque te doen? Dat zou me spyten. Ik herinner me dat ik in myn tyd ook zo mensachtig ongeduldig was, maar na m'n dood vond ik het dom. Ook ik wou terstond vrucht zamelen, en zaaide slordiger dan 't geval zou geweest zyn, als ik wat verder vooruit had gezien. Je hebt er geen begrip van hoe snel de geslachten elkaar opvolgen, wanneer men eerst goed en wel onder den grond zit. Een moeder meent hemelsbreed ver te staan van haar zuigeling, en 'n paar eeuwen later is de geschiedschryver in de war tussen grootvader en kleinzoon. Op zekeren afstand smelten alle Ramsessen in elkander, en ik heb opgemerkt dat er in uw geschiedenisboekjes hele dynastieën 't achterste-voren gezet zyn. Maar denk niet dat wy onder-den-grond-wezens u zulke blunders kwalyk nemen. Waarlyk niet! Och, 't doet er zo weinig toe. Iets van meer belang is, dat gylieden zo onachtzaam omgaat met die ándere ge- * 
schiedenis, de geschiedenis van uw eigen wording. Al uw Genesissen zyn geen oortje waard. - Misschien had ik moeten zeggen: geen kreutzer, heller, batzen of pfennig, omdat ik een Duitser geweest ben... ge ziet het, nationaliteit gaat hier onder den grond totaal naar de maan. - Uw Scheppingen deugen niet, voornamelyk omdat er wel bezien nooit iets geschapen werd, of - als dit u aangenamer is - omdat het scheppen altyd voortduurt. 't Gaat hiermee als met het liefde-devies: ni jamais, ni toujours, door 'n omgekeerden kyker gelezen. Geschapen wordt er nooit of... immer. Hola, hei, hé da!

De aardmannetjes verschenen op den roep des Meesters.

- Is er nafta genoeg? Wordt er behoorlyk gewerkt aan salpeter? Wie zorgt voor kool? Meesterknecht, laat u de werkstalen voorleggen, en zie eens na of er wel by voortduring alles wordt daargesteld, wat als noodzakelyk gevolg van vorigen arbeid gefabriceerd worden moet?

De meesterknecht haalde z'n schouders op, als wilde hy zeggen: my te herinneren aan m'n plicht. Hoe menselyk! Men kan wel zien dat de Meester nog niet lang dood is.

- Hy heeft gelyk, zei Adolf. Het was dom van me, zulke bevelen te geven aan baas Logos die meer van de zaken weet dan ik. Ik schreeuwde dan ook maar zo, om u te doen vatten dat er een dubbelpunt moet staan tussen dat averechts liefdepraatje en myn bevelen. Logos begaat zulke overbodigheden niet. Wie geen verstand heeft van interpunctie, moet volgens hem maar ongepunt blyven. Die onverschilligheid is misschien een gevolg van z'n langen diensttyd. Zyn opzienerschap dateert van den beginne, dat is: hy stond altyd aan 't hoofd van de zaken...

Toch zou 'n medaille voor twaalfjarige trouwe dienst den eerlyken Logos slecht gekleed hebben, want hy was jong en krachtig, en zelfs droeg zyn nooit verwisseld gewaad niet de minste sporen van slyting. Geen leerjongetje zag er zo fris uit als hy.

- Onder ons gezegd, fluisterde Adolf me in 't oor, hy is hier eigenlyk de man waarop alles aankomt, en ik zou terdeeg met de handen verkeerd staan, als-i eens z'n ontslag nam. Maar dat zal hy niet, dat kan hy niet, want hy heeft aandeel in de zaken...

- Geërfd?

- Neen, ipso jure. Zonder hem zou de hele fabriek...

- Niet opgezet zyn?

- Mis!

- Niet geworden zyn wat ze is?

- Half waar, dus ook mis! Neen, zonder hem wás de fabriek niet, want hy is de zaak. Dit werd reeds op Patmos erkend door iemand die overigens - ik moet dit tot m'n leedwezen erkennen - z'n verstand ál te wild liet op-en-neerwippen door z'n fantasie. Het eerste woord dat de arme Joannes tot de wereld sprak, was wáár en van dieper zin dan begrepen wordt door de meesten dergenen die hem tot 'n heilige maakten. Het ware te wensen, dat velen wier oordeel iets minder dan 't zyne te lyden heeft van overwegende verbeeldingszwakte - gy mensen noemt het kracht, geloof ik - den braven Logos zo ruiterlyk de eer gaven die hem toekomt. Dat zou veel nutteloos gekibbel hebben uitgewonnen...

Maar, aldus ging Adolf voort, ik ben u nog de uitlegging schuldig van de onbewuste gegrondheid uwer hoop dat ge hier beneden iets van de kansrekening zoudt te weten komen. Fancy had volkomen gelyk in de mening dat uw verbeelding daarin verder zou doordringen dan uw verstand. Gy mensen zyt minder dom dan gezelf weet...

Ik stond op, en boog.

- Meester, geeft ge my vryheid dat compliment over te brengen aan myn lezers?

- Och ja, als ge meent dat het hun aangenaam wezen kan, en zeg er dan by dat dit hen te verachtelyker maakt.

Ik ging weer zitten.

...te verachtelyker! Want niet weten, dom zyn, weinig begrypen, ware eer te verschonen dan dat voortdurend wél begrypen, wél weten, en ánders doen. Gyzelf zult hedenavond weinig of niets vernemen, dat u óf niet bekend was, óf waarvan ge de kennis niet zoudt hebben kunnen opdoen boven den grond. De meesten uwer weten genoeg voor hun behoeften. De fout is dat ge meestal het bekende verkeerd toepast, en u daarby gewoonlyk laat leiden door indrukken die met weten niets te maken hebben. Belang, hartstocht, eigenzinnigheid, sleur, mensenvrees... Nu dit laatste is 't zotste van alles, en wel een blyk dat gy daarboven elkaar meer eer bewyst dan u vice versa toekomt. Hoe kan een mens, die dan toch by ondervinding weet wat buikpyn is en verkeerd oordelen... hoe kan-i bang zyn voor andere schepsels die evenals hyzelf laboreren aan verkeerd oordeel en buikpyn? Noch uw deugden, noch uw fouten zyn vrees waard. Geen uwer driften is bestand tegen een onverwacht speldeprikjen in de kuit. Probeer 't eens, als ge iemand ziet die verliefd is of 'n moord wil doen. Met 'n paar theelepeltjes glauberzout op 't juiste tydstip ingegeven, verandert men uw hele toekomstige wereldgeschiedenis, en zonder de Veuve Cliquot, waaraan Alexander zich te buiten ging te Persepolis, hadden de Romeinen waarlyk zo'n rol niet gespeeld...

Adolf weidde nog verder uit over al de zaken die anders zouden geweest zyn, indien deze of gene kleinigheid anders geweest ware. Ik was zo vry hem in de rede te vallen met de opmerking dat nietigheden die grote gevolgen hebben, juist daardoor géén nietigheden zyn, en dat 'n wereldgeschiedenis-veranderende speldeprik van meer belang is, dan de onregelmatigheid in de deklinatie van een wereldzon wezen zou, indien de gevolgen van zodanig wangedrag ons onbekend bleven.

Waarschynlyk om zich te wreken over de gegrondheid van m'n opmerking - de Meester was nog niet lang genoeg dood, om alle ydelheid vaarwel gezegd te hebben... ik leef nog helemaal, helaas! - begon hy uit te varen tegen de door my veronderstelde mogelykheid van 'n afwyking.

- Pas um Gottes Willen op, dat Logos je niet hoort! Van zó'n suppositie zou hy buikpyn krygen! Al wat is, moet wezen, en al wat er wezen moet, is. Daarop kun je staat maken! De meest ordinaire centraalzon doet z'n plicht - háár plicht, zeggen uw schoolmeesters - en wat gy afwyking noemen zoudt, is de oude, onveranderlyke, onvermydbare norm. Rechthaberei... juist. Ik noemde dit zo-even op, onder al die andere Spitzbuben die, als wangunstige schoolmakkertjes, de slotsommen van de lei wissen, die ulieder verstand heel aardig had uitgerekend. Nog eens, gy mensen zyt minder dom dan gyzelf weet, en Fancy hoopte dat er voor u iets zou te leren vallen van myn kereltjes, die by hun begrafenis dien gansen armee-bedervenden stoet van treinsoldaten daarginder achterlieten. Er is iets nuchters in een dode, * 
waaraan gylieden u maar niet kunt gewennen. Duizend byzaken trekken uw aandacht van de hoofdzaak af. Ge zyt als kinderen dien men appels te tellen geeft. In plaats van tellen, snoepen ze 't ooft op. Heb ik ook jacht op geestigheid genoemd onder de zaken die 't verstand belemmeren?

- Nog niet, Meester, maar er is nog tyd toe.

- Welnu, ik gun me dien tyd. Gyzelf hebt menigen appel opgegeten, die u te tellen was gegeven. Waarom zeidet gy, dat de Pruisen de stenen poppen op 't slot te Biebrich hadden stukgeslagen?

- Meester, ik zag dat die beelden er desolaat uitzagen...

- Juist. En toen hadden dat volgens u, mir nichts dir nichts de Pruisen gedaan, omdat het zo in uw fraze te pas kwam. Welnu, 't is onwaar. Zulke schryvers-kunstjes brengen veel dwaling in de wereld. De ridders in myn tyd voerden ook veel verkeerds uit, al schreven ze niet. En dat ze vaak... onwaarheid spraken, stem ik toe, maar ze lieten zulke dingen niet drukken. Trek uw leugen in...

Lezer, dat doe ik by dezen.

- Misschien, vervolgde Adolf, dat ik dan ook de straf verzacht, die de zetter van ‘Het Noorden’ over u heeft uitgesproken... een ware Vargas!

- Welke straf? Ik weet van niets...

- Ei, hebt ge niet bemerkt, dat hy u onlangs door Bismarck deed opknopen? Het doet me leed, want ik ben u niet ongenegen... Ik wist waarlyk niet, waaraan ik deze vriendelyke stemming van den gewezen Keizer te danken had. En ik erkende die onwetendheid.

- Herinnert ge u den nacht van...

En hy noemde een datum dien ik vergeten heb, maar 't jaartal was '66.

- Neen, Meester!

- Nu, ik wel. In weerwil van uw fouten heb ik een vriendschappelyk gevoel voor u... en had dit reeds lang voor 't Fancy in 't hoofd kwam u in dezen kuil te gooien. 't Was zeer lief van u... ik meen de historie met dien paal... blauw en goud... denk eens na. Overigens moet ik erkennen dat ik niet houd van sentimentaliteit...

- Maar Meester, aan welke sentimentaliteit heb ik me dan dien nacht schuldig gemaakt? En een paal? Ik begryp er niets van.

- Dan zal Fancy 't u wel herinneren, zodra 't haar gelegen komt. Maar denk niet dat ik u dáárom, of om andere gevoelighedens - gekheid! - uw schryversfouten vergeef! Wat hoef je te schryven, als je geen waarheid schryft. Metsel dan liever, of... maak yzer als wy. Daarin is nooit 'n leugen. Logos zou 't niet dulden. Wat is, is... en wat gy mensjes zo-al praat of schryft, is soms niet. Meent ge misschien dat het er niet op aankomt, met juistheid te weten of 't de Pruisen zyn die de beelden te Biebrich hebben stukgeslagen? Dat hebt ge mis. Zy hebben geen deel in de eer - betrekkelyke eer, ja! - die er liggen zou in zo'n vandalisme.

- Eer?

- Ik weet wat ik zeg. Ziet ge my voor 'n schryver aan? Gyzelf vertaaldet het stuk van Andrieux, dat met de woorden eindigt:

Zie, een landschap wordt gestolen,

En een molen blyft gespaard...

Meent ge dat dit sparen van molens mooi is? 't Lykt er niets naar. Sei was du bist, koning, dief, annexateur... wees schryver in 's hemelsnaam, als 't wezen moet, maar noch 'nmal: sei was du bist! Het wegnemen van hele landen, toegesuikerd met het ontzien van 'n paar stenen poppen, is erger dan roof. 't Is huichelary. Ik bedoel hiermee niet, dat ieder die wel poppen of stenen stukslaat, daarom geen huichelaar wezen zou. Weet ge waarom de Pruisische soldaten die beelden niet deerden?

- Dat is moeilyk te zeggen, Meester.

- Volstrekt niet. Ze konden er niet by, omdat die poppen op 't dak staan van 'n kasteel dat ze niet mochten binnengaan.

- Niet móchten! Zy die 't hele land namen?

- Ze mochten niet. En daarin steekt juist de huichelary die ik zo kwalyk neem. Myn dappere achterneef en naamgenoot vocht... zeer uit de verte. Hy verdedigde z'n landje... per telegraaf, geloof ik. Zyn vrouw, de hertogin, bleef te Biebrich, met iets als... moed. Onder ons, ze wist dat men haar niet deren zou, en kon zich dus zonder gevaar aanstellen als 'n soort van Debora die de heerscharen des vyands tart. Die vyand nu was... van de fa-milie des mans die zo goedig met molens omging. Hy kende dat kunstje: 'n hutspotje van fortiter en suaviter...

Nu, héél suavis was hy niet, maar 't had er toch den schyn van, en om dien schyn is 't by zulke gelegenheden te doen. Myn achternicht werd niet geradbraakt. Integendeel, ze kreeg 'n pruisische erewacht, welker soldy niet eens ten laste der Nassause begroting gebracht werd... ja later toch, maar dat betaalden de Nassauers niet, omdat ze toen geen Nassauers meer waren. In stede van die heldhaftige vrouw 't kasteel uit te jagen - zulke domheden deed men in de dagen der heilige Elisabeth van Hongarye, en van Genoveva - verbood men haar zelfs 't vertrekken, tenzy ze beloven wou héél ver te gaan. Den omgang met de bewoners van Biebrich scheen men nadelig voor haar zedelykheid te vinden - ge weet het, al die Rynplaatsjes zyn vol Bierkneipen en Weinwirtschaften - althans men belette haar uit te gaan. Zy, koppig van háár kant, wandelde niet eens in den Schlossgarten waartoe ze permissie had, mits ze zich gedroeg naar de geafficheerde politie-verordening; geen bloemen te plukken, geen honden mee te brengen, niet te roken, en over 't algemeen keinerlei Unfug zu treiben. Wat nu den een voorkomt als Unfug, kan den ander deugd schynen... er is te allen tyde over zulk verschil van opvatting veel stryd geweest. Ook maakt het een groot onderscheid, of men zelf iets doet, of datzelfde ziet verrichten door 'n ander. Misschien zouden de pruisische moralisten er kwaad in hebben gezien, als m'n nicht door de hektralies heen, haar hand had te kussen gegeven aan haar aanstaand-gewezen onderdanen. En zyzelf had dat mooi gevonden, schoon ik niet zeggen kan dat ze het dikwyls deed toen ze nog in de gelegenheid was 't honderdmaal daags te doen. Ze liet het nu uit dépit, en vroeger... ge kent dien slottuin?

- O, zeer goed.

- Ei, laat eens kyken? Zeg me eens, waarom m'n nicht er nooit in wandelde, toen ze nog regerend hertogin was.

- Om de muggen?

- Neen.

- Omdat ze 't publiek niet zien wilde?

- Ook niet. Er zyn genoeg laantjes met ‘verbotener Zugang’-bordjes, waar men 't publiek ontwyken kan. Uw goed-kennen van dien tuin is weer 'n schryvers-fraze. Waarom niet nog liever gelogen met de spreek-fraze: ik ken hem perfect... een woord dat de mensjes nooit moesten gebruiken. Gy dan, die den Biebrichsen slottuin zo goed kent, wat zegt ge van den gehangen man?

- Een gehangen man? In dien tuin?

- Ja, ja, ja, ja! Ziet ge wel - schryver - dat gy zeer onopmerkzaam zyt? Daar hangt een man aan 'n boom... of liever 'n geraamte, want de persoon is nu hier, by ons... hy werkt aan steenzout. Nu dat geraamte hebt ge niet gezien. Zeg dus niet dat ge dien tuin kent. Verzoek Fancy eens, u by gelegenheid te vertellen wat dit skelet aan dien boom beduidt... neen, in den boom, of er tégen liever... zó is het. Nu, Hertogin Adelheid was er bang voor, en daarom vermeed zy den tuin, lang voor ze er uitbleef uit tegenzin in de Pruisische permissie.

Die Pruisen dan martelden haar juist genoeg om plezier van 't martelen te hebben, zonder háár 't genoegen te gunnen voor gemarteld door te gaan. 't Mens at er geen boterham minder om, dat ze geen hertogin meer was. Dit is trouwens 't geval by veel onttroonde vorsten. Ze gelyken daarin op grandioze bankroetiers, die gewoonlyk redelyk wel leven na 'n accoord van 15 pct. Adelheid kreeg schoon linnen, zoveel ze begeerde. Dat ze zich niet verschonen wou, was haar eigen verkiezing. Misschien vond ze 't pikant de zaak isabellig op te nemen.

Maar denk je nu dat de Pruisen haar kost en inwoning gaven uit mensenliefde? Of dat men die beelden spaarde uit kunstgevoel? Der Teufel auch, nenni! Geen soldaat mocht 'n voet in huis zetten, veel min de trappen beklimmen, die naar de tinnen voeren waar die beelden zich staan te vervelen. Verbeel-je dat 'n Feldwebel eens - by vergissing natuurlyk - de slaapkamer van m'n nicht ontwyd had met z'n spykerschoenen en andere dingen... shocking!

Neen, neen, niets daarvan! De soldatery bepaalde zich tot de, nogal sterke, corps-de-garde in de voorwarande, en wat patrouilles. Overigens, geen schyn van dwang, of beter: wél dwang maar géén schyn. ‘Respectons la décence, zal men gezegd hebben. Daar woont 'n stroweduw - dat geloof ik graag, zyzelf hadden haar man weggejaagd - we zullen ons aanstellen als beschaafde lui. Dat kleedt!’

En... hoor eens, er is nóg iets: ‘heden myn, morgen dyn’. Misschien dachten de Pruisische Feldwebels er aan, dat ook zy misschien eenmaal hún lusthoven zullen moeten beschermen... uit de verte. 't Was my ook niet voorgezongen in de wieg, dat een myner nazaten of z'n vrouw, permissie zou nodig hebben van 'n... hoe heten ze ook?

- Van 'n Hohenzollern.

- Ja. Ik kan die namen zo slecht onthouden - de vorstenhuizen uit myn tyd ken ik op m'n duimpje - nu, dat 'n Nassauer of Nassauerin, verlof zou nodig hebben van zo'n Hohenzollern, om in z'n eigen tuin te wandelen. En... dat kan 'n Pruisischen Feldwebel ook gebeuren, zie je... als hy maar lengte van leven heeft. Om tegen dien tyd hun eigen beelden en vrouwen heel te houden, hebben ze m'n nicht niet geradbraakt, en de stenen poppen gespaard...

Ik beken dat ik schik begon te krygen in de historisch-filosofische expectoratiën van m'n interessanten gastheer. Maar tevens verlangde ik naar de avondzitting, waarin ik iets zou te weten komen van de millioenen die ik absoluut nodig had. Ook kittelde my de nieuwsgierigheid naar dien paal, dat nachtsentiment - oorzaken van z'n genegenheid mywaarts, had hy gezegd - en naar dat skelet, aan, in, tegen 'n boom, dat ik moest gezien hebben.

Ik knikte dus op 'n manier die iets als ‘ja, juist!’ beduiden moest maar waarin tegelykertyd een uitdrukking schynt gelegen te hebben van ongeduld. Althans hy antwoordde:

- Nu ben je precies een lezer... dat 's nog erger dan 'n schryver. Meent ge nu inderdaad dat ik, Inhaber van de twaalfjarige-keizersdienst-medaille, ik die daarginds op 't korstje van ons bolletje Graaf was, en hier beneden Meester ben, meent ge dat ik hier zeshonderd jaar onder den grond heb gezeten, om m'n vertellingen in te richten naar de luim van den eersten den besten die... me opslaat?...

Hy sprak als 'n boek dat door my gelezen werd... een feuilleton misschien.

- Ach neen, Meester, ik vraag vergeving...

- Zeer wel. Bedenk dat gy géén keizer zyt, géén prins, en wees beleefd jegens 'n Meester die geesten kommandeert. Zodra ge 't zó ver gebracht hebt op de wereld, of er in, als ik... zal ik te rade gaan met uw keus van gesprekken. D'ici-là... à propos, hebt ge er lust in, goed te leren spreken?

- Ach, zo gaarne, zo gaarne!

- Nu, leg u dan op luisteren toe, en wees aandachtig als ik spreek. Een zonderling wezen, zo'n onder-den-grond-keizer!

Met 'n zedig buiginkje beloofde ik zwygend het gevorderde. En hy ging voort:

- Dat half-martelen, dat byna-doodknypen, dat fatsoenlyk kleuren van brutaliteit, stuit me. In myn tyd sloeg de een den ander dood, dat 's waar, en al waren de middeltjes die men aanwendde om altyd de ‘een’ te wezen, en zo zelden mogelyk de ‘ander’, soms niet zeer eerlyk, het doodslaan rymde iets beter op wat voorafging en volgde. En, leer dit van my, rym is - behalve in verzen - de schoonste zaak ter wereld. Wat goed rymt, is goed. Vriendelyk praten en ruw handelen, is zedelyk-ongerymd, is slecht. Kemels slikken - ik weet niet of er tegenwoordig zulke dieren in 't Nassause zyn... in myn tyd niet - kemels doorlaten en muggen uitziften - die zyn er veel in den Biebricher tuin... nu, dat 's weer 't zelfde - geloof my, dat rymt niet! En daarom beweer ik, dat de Pruisen beter zouden gedaan hebben die beelden flink naar beneden te gooien.

- Ik begryp er nu iets van, Meester.

- Ik geloof integendeel dat ge er nog altyd niets van begrypt. Ik verwed 'n centenaar yzer tegen een pruisische Silbergroschen... zeg eens, is 't waar dat er onlangs te Berlyn een chemicus is opgehangen?

- Ik heb er niets van gehoord... ik denk het wel, want de Noordduitse Bond houdt veel van de doodstraf. [*] Men weet dat de voorgestelde afschaffing niet is doorgegaan. De tegenstemmers kunnen gelyk hebben.

- Dat is waar. Er is kans op 'n goede carrière voor uw zetter, als-i naar Berlyn wil gaan. Maar ze zullen daar toch niet iederéén ophangen? En die chemist...

- Wat had hy gedaan?

- Men vertelt hier dat hy wegens laster is ter dood gebracht, omdat-i beweerde, na jaren tobbens - ik beken dan ook, 't is 'n lage * 
insinuatie! - zilver te hebben gevonden in 'n pruisisch dubbeltje. Doch... laat dien man hangen, als hy hangt. Misschien zien we hem later hier.

Nu, ik verwed 'n schep yzer tegen zo'n Silbergroschen, dat ge nu nog niet weet wat het allerminst rymt in dat ontzag voor die standbeelden?

Ik beet verlegen op m'n wysvinger.

- Houd je Silbergroschen maar - gelukkig, ik had er geen - ge zoudt haar verloren hebben. Wilt ge, als je straks weer naar boven gaat, wat yzer meenemen, goed! We zien hier niet op 'n kleinigheid. Wat je transporteren kunt, mag je hebben... als ge 't maar eens zyt met Logos. Nu dan, gy hebt niet eens acht gegeven op 'n veel groter kemel die zeer ongerymdelyk verslikt wordt. Ge hebt weer niet bemerkt...

Ach, lieve hemel, dacht ik, zou ik weer 'n skelet over 't hoofd hebben gezien?

Waarachtig, 't was zo. En ditmaal 'n hele verzameling van skeletten.

- Gy hebt niet eens gelet op al de geraamten die daar uw aarde bevuilen by Königgrätz! Foei, foei, ben je 'n schryver? Een brekebeen zyt ge, 'n beginnertje, 'n rekruut, 'n mazette, 'n kruk, 'n tiro... houd u eerst eens 'n paar jaar bezig met onderzoeken, opmerken, denken! Oefen u, en wacht nog 'n eeuw of wat, voor ge u opwerpt als voorganger. Die zetter is après tout zo mal niet. De man moet naar Berlyn...

Lezer, om u de waarheid te zeggen, ik houd niet van u. Maar toch wens ik u 't lot niet toe van m'n armen wysvinger!

Adolf zag misschien dat ik erg verlegen was, en met iets als medelyden - misschien dacht hy aan de zo vreemd recommanderende paalhistorie - haalde hy me weer te voorschyn uit den wand waarin ik me had weggedrukt.

- Blyf maar zitten, zei hy, en bederf m'n behangsel niet. Ik zal u niet terstond geheel en al verdammen. Er kan nog altyd iets redelyks van u komen. Byt maar veel op uw vinger... dat is nuttig. Leer denken.

- Ik zal myn best doen.

- Ganz wohl! En tracht u duidelyk uit te drukken.

- Ik zal myn best doen.

- Ganz wohl! 't Is uw schuld, als men u niet begrypt...

Ik zie den lezer groeien!

- Gy vergeet te vaak dat ‘Publiek’ aartsdom is...

De lezer krimpt weer.

- De mensen willen 't goede wel...

Groei!

- Maar die vervloekte Trainbuben maken hen verachtelyker... Krimping!

- Verachtelyker dan ze wezen zouden, indien 't goede dat in hen is...

Groei!

- Niet bedorven werd door dat gespuis. De slotsom is dat ze...

Hier laat ik 'n paar regels van m'n gesprek met Adolf oningevuld, omdat ik me niet juist de conclusie zyner mensentaxatie herinner, en dus niet weet of ik me tenslotte m'n lezers als dwergen of als reuzen moet voorstellen. Wie 't liefst precies blyft zoals hy is, kan 't ook doen, meinetwegen!

- Hoe dít zy, ging Adolf voort, het is uw plicht begrepen te worden...

- Als ik onder den grond zit?

- Ja! Zyt ge daarmee niet tevreden? Wat verlang je meer? Zie m'n kobolden eens. Zien ze er niet flink uit? En wou je beter zyn dan 'n onschuldig graankorreltje? Heb je ooit 'n eikel horen klagen omdat men hem begroef? Wilt ge zaad, kiem, bloesem, vrucht... alles tegelyk? Pas op dat Logos 't niet verneemt... hy zou je kapittelen! Hy is veel strenger dan ik, moet je weten. Ook is hy minder gunstig gestemd jegens u... over dien paal, want hy is geen Nassauer. Maar toch, myn vriendschap gaat niet zó ver, dat ik 't u vergeven zou, als ge minder waart dan 'n eikel. Weet te sterven, dan zult ge leven! Laat u begraven, ge zult opstaan! Leer verrotten... dat is de weg naar bloei!

Myn zonderlinge Meester zweeg 'n ogenblik, en ik spande my in tot het begrypen van wat hy gezegd had.