Multatuli.online




illustratie


 

Japanse gesprekken


geschreven juni 1862
gepubliceerd 23 en 30 juni 1862

Japanse gesprekken

Japan is in Den Haag. 't Werd tyd. Holland is zo lang in Japan geweest! De contravisite liet zich lang wachten. Men zegt dat de Japannezen bang waren voor 'n soort van jus talionis. Ze vreesden dat Holland van hen vorderen zou, dat ze nu ook hún god zouden vertrappen, en daarom hebben ze gewacht op 'n liberaal ministerie. Verbeelje, wanneer Groen van Prinsterer minister waar geweest, en als voorwaarde van toelating in de tent van 't Haagse bos, gevorderd had dat ze den Heidelberger zouden aanbidden!

Maar de heer Groen zou dat niet geëist hebben, want de Hollanders hebben altyd zorg gedragen hun catechismus onderworpen te houden aan de beleefdheid omtrent ‘vrienden’.

Wat 'n vriend is, staat op pagina zoveel van de Minnebrieven, die niet ‘mooi’ zyn.

Neen, de Japannezen zyn niet genoodzaakt geworden iets te vertrappen of te aanbidden. Hoogstens viel men ze wat lastig over den koers der tails, en over 't gebrek aan perspectief in hun ‘verlakt’.

Van ‘verlakt’ gesproken, men zegt - men alweer, de liegende men - dat zy grote bestellingen hebben gedaan by den kunstlakker Franse, in de Schaggelstraat te Haarlem, en dat ze dien artist het ereburgerschap in Japan hebben aangeboden, omdat hy op 'n theeblad bomen had geschilderd, nog onmogelyker dan de Japanse. Maar de heer Franse zou geweigerd hebben, zegt men, omdat-i behoorlyk P.G. is, en dus niets wil te maken hebben met een volk dat 'n verkeerd geloof heeft. Als 't waar is, schynt deze heer vaster te staan in de leer, dan de hollandse natie, die zich altyd wist te verdragen met allerlei geloven, als 't maar voordeel gaf. Deze schelmery heet in de dieventaal der kerke: verdraagzaamheid.

O, men vertelt van die Japanners allerlei dingen! Zelfs dat ze * 
minzaam waren in de fabriek van den heer Enthoven, wat heel vreemd is in Heidenen, en zeker treffend voor 'n Christen. Ik vraag - en veel dominees vragen dat met my - hoe zyn toch die mensen zonder genadeleer, aan minzaamheid gekomen? 't Is me een raadsel. Ernstig gesproken, de zaak is verdacht, en de Japanners moeten in mora gesteld worden, om de wettigheid van 't bezit te bewyzen. De kwestieuse minzaamheid zou intussen kunnen gedeponeerd worden by de politie... met sterk aanbevolen recht van gebruik, om later te worden verkocht ad opus jus habentium.

Maar dit alles wilde 'k u eigenlyk niet zeggen. Ik gaf maar wat van men's onwaarheden vooruit, om 't recht te kopen men na te doen, en óók wat leugens te vertellen.

Ziehier. Ik ben by de Japanners geweest, en heb met hen ontbeten. De reden myner komst was eigenlyk een brandende begeerte om te weten of zy familie waren van ‘Kami’ die ‘van school zou komen’ volgens de verzekering van Hieronymus van Alphen.

Zy erkenden gulweg dat ze die eer niet hadden, en vraagden wie en wat ik was?

'k Gaf 'n kaartje: Multatuli, genie.

De secretaris schreef wat op. Ik gluurde in z'n boekje, en bemerkte dat 'k een plaats kreeg in de rubriek: industriële zeldzaamheden, juist onder 't stuk geschut dat ze hadden zien smelten en vermengen met brons, te Delft.

- Genie... wat is dat voor 'n beroep?

Ik hemde, kuchte, snoot en snoof, en zei heel onnozel:

- Dat weet ik niet, o Kami!

- Kunt ge uurwerken maken?

- Neen, Kami.

- Of parapluien?

- Neen, Kami.

- Of horologiën met ontuchtighedenS?

- Ach neen, Kami!

- Verstaat ge u op de keizersnee?

- Ook niet, Kami...

Maar toch ging me een licht op door die vraag, en vóór nog 't dienstmeisje binnentrad, dat de Kami had laten roepen, om de bekwaamheid te beproeven die hy in my veronderstelde, riep ik met al de verwaandheid van iemand die meent wat ontdekt te hebben:

- Dát is het, Kami, ik ben verkeerd geboren!

Weer schreef de secretaris wat op. Rubriek: natuurlyke zeldzaamheden. Ik kwam te staan onder Malcolm uit Macbeth.

- Verkeerd geboren, goed. Maar wat kan je doen?

- Ik kan nu en dan de waarheid zeggen, o Kami!

't Hele gezantschap schrikte, en bekeek myn buik. Die absent was. Daarin vonden zy dan ook de enige verschoning, dat ik 'm niet had opgesneden. Maar - dit erkenden zy met Japanse gulhartigheid - waar niets is, verliest zelfs de leugen zyn recht op moord aan de waarheid.

Ik weet wel dat de mannen leugen vrouwelyk hebben gemaakt, maar ik verkies nu te zeggen: zyn recht. Ik vind niets vrouwelyks in 't liegen.

- En hoeveel inkomen geeft u dat? vroeg de Kami belangstellend.

- 't Geeft my niets, o minzame Kami!

Weer schreef de secretaris in z'n boekje. ‘De waarheid in Holland is zo goedkoop, dat ze niet betaald wordt. Maar die 'r leveren, hebben geen buik.’

- Heb je plezier om hier te ontbyten?

- Met genoegen.

En ik nam plaats tussen Kami en Kami. Maar de andere Kami's zaten naast elkaar, zoals in Japan gebruikelyk is. En aan 't ondereind der tafel zat 'n Kami. Daarop volgde 'n gesprek dat ik zo goed mogelyk weergeef.

- Zeg me toch eens, genie van verkeerde geboorte, hoeveel goden zyn er?

- Precies kan ik 't u niet zeggen, Kami. Laat zien... Noorwegen, Zweden, Denemarken, Rusland, Polen, Anhalt-Dessau, Hildburghausen, Monaco...

- Maar dat is geographie. Ik vroeg u naar de goden... dat noemt ge hier, meen ik, theologie.

- Zeker, Kami. Maar de theologie berust op de geographie, en wel op de politieke. Ieder staat heeft z'n eigen god, of wel twee... * 
één antieke en één moderne. Als 't prinsdom Hechingen oorlog krygt met Rusland, komt er conflict tussen de goden van die landen. De god van Nederland is de beste...

- Waaruit bewyst ge dit?

- Kami, het staat in alle nederlandse schoolboekjes. En het bleek bovendien by veel gelegenheden. Hy heeft de Armada verstrooid, en toen moest de god van Spanje beschaamd afdruipen. En toen Willem de Zwyger vermoord werd...

- Waarom noemt ge dien man de Zwyger?

- Om al de schone dingen die hy niet gezegd heeft, Kami. Nu, toen was het volk van Nederland erg verlegen om een stadhouder, en zocht overal naar iemand die 't wezen wou. Niemand durfde die betrekking aanvaarden, maar Neerlands god was terstond gereed. Hy meldde zich aan...

- Hoe weet ge dit?

- Van Alphen heeft 't hem horen zeggen:

Lalálalála... schrik!

En Neerlands god zei: Ik!

Dat is duidelyk, Kami.

- Ja, duidelyk en overtuigend. En ik zal u niet meer zo telkens om bewys vragen van wat ge zegt. Ik zie dat ge vry wel reden van wetenschap weet te geven...

- Vanwaar ontleent gy die plechtige uitdrukking, Kami... reden van wetenschap? 't Klinkt...

- Notarieel?... Ja. Wy putten...

- Putteden, zei de tolk.

- Puttédèn. Wy putteden dat woord uit de handboeken voor 't notarisambt, die ge ons toezondt, gelyk met de geneeskundige werken, 't politiek jaarverslag van Europa en de horologiën met...

- Met dubbele kast, Kami. Doch we dwalen van den weg, o onderzoekende vreemdeling. De god van Nederland...

- Ik begryp 't nog niet! Want eilieve, hoe gaat het dan met zo'n theologischen geographie-god, by scheuring van een land, zoals by u in 1830? En by annexatie, zoals daarginds onlangs, en misschien hier weldra?

- Dat weet ik niet, o Kami! Doch juist dáárom is de theologie zo moeilyk. Als men 't begrypen kon, was 't geen theologie meer. Dit is dan ook de reden dat de theologen vry zyn van militie en schuttery...

- Militie... Wat is dat?

- Kami, de Fransen - die voor 't merendeel verkeerd geboren zyn - heersten voor vyftig, zestig, jaren in dit land, en voerden allerlei slechte wetten in. Daartoe behoorde ook, dat alle jongelieden van achttien jaren moesten loten, om uit te maken wie lust had in 't soldatenleven, en aanleg voor krygsroem. Toen die verkeerd geboren Fransen eindelyk waren weggejaagd door Wellington, Blücher, den prins van Oranje, de huzaren van Boreel en den god van Nederland, bepaalde men dat de door hen gegeven slechte wetten zouden worden gehandhaafd, om by 't volk den afschuw levendig te houden van geweldenary. Is dat Japanse thee, o minzame Kami?

- Ja, wy hebben ze van Otto Roelofs, die 'n depôt heeft te Yedo. Kunt ge 't proeven, o verkeerd geborene?

- Ja, ze smaakt als 'n wandeling door de wei... drie dagen na 't maaien.

De Kami's klapten in de handen van verrukking, nagenoeg als 'n Hollander die z'n nationalen roem baseren zou op in- en weer uitgevoerde Keulse Schiedammer.

- Thee is de verheuging des harten, Kami.

- Wat noemt ge een hart, gy die geboren zyt te slechter ure?

- 't Is een boek zonder bladen, welwillende vreemdeling, die minzaam waart in de yzergietery. 't Is een boek waarin alles geschreven staat wat we doen en laten moeten.

- Is dat te huur in leesbibliotheken?

- Neen, Kami, te huur is 't niet, maar wel wordt het nu en dan verkocht, vooral wanneer 't slecht geschreven is.

- En wie 't verkoopt?

- Die behelpt zich zolang met principes, met dogmen, met gewoonten, met omzien naar men's oordeel.

- Men... wie is dat?

- 't Is 'n dier met veel koppen. 't Voedt zich met bloemen en vruchten - de fynste, o Kami! - en 't spuwt venyn, precies anders-om als de byen die honig zuigen uit gif. Men is yzer als-i slaat, wolk als ge 'm wilt terugslaan. Men is de man die 'r niet is. Men spreekt waar-i niet gevraagd wordt, en zwygt waar-i wordt aangesproken. Men schuilt in hoekjes die kleiner zyn dan hyzelf, en als ge 'm daaruit wilt halen, is-i weg, juist als wand...

- Ik weet al, we zyn te Parys geweest... Maar hebt ge dan geen insectenpoeier hier?

- Zeker, neerbuigende Kami, maar 't helpt eerst als men dood is. Men zou kunnen verdreven worden, als-i niet altyd zorgde dood te zyn, begraven en vergeten, vóór de nederlaag. Dan zyn er nieuwe men's in de plaats, en ze menen dan met 'n paar duizend pond gegoten yzer, in de vorm van een pop die ze neerzetten op de een of de andere markt, de schuld der oude men's te betalen. Of liever ze menen dat niet eens. De bedoeling is alleen zich uit te geven voor beter dan de vorigen. De onoprechtheid van zo'n nahulde blykt onder anderen hieruit, dat ze, yzer gevende voor eerloos onthouden goud, terzelfdertyd stenen werpen op hen die later weer aanspraak zullen hebben op onnodig yzer.

- Maar hoe doet ge dan om niet te bezwyken?

- 't Is moeilyk genoeg, Kami die gekomen zyt van verre. Er zyn er, die stryd voeren tot het uiterste - dat zyn de verkeerd geborenen - maar de meesten lopen over, en maken gemene zaak met men, schoon niemand dat erkent onder vier ogen. Integendeel, ieder spreekt over men, alsof-i daartoe niet behoorde.

- Hoe kunt ge dan weten wie 'r toe hoort, en wie niet?

- Dat ziet ge veelal aan den buik... die 'r niet is, o Kami, wiens gemoed lust heeft in onderzoek. Wie 'n buik heeft, dik, rond, formosus - dat is: vol van vorm, o Kami! - vooral onopengesneden als 'n bundel preken, kan verondersteld worden tot men te behoren. En wie geen buik heeft, is verkeerd geboren. Maar 't gaat niet altyd door, o Kami die wysheid vergadert als 'n regenbak het water, 't gaat niet altyd door. 't Is daarmee als met fatsoen...

- Fatsoen... wat is dat?

- Dat is iets als de lynen die den inhoud betekenen, en daarvoor worden in plaats gegeven, omdat 'n lyn goedkoper is dan inhoud. Fatsoen is 't stro dat men in papier wikkelt, en waarop men schryft ‘hele mans met klink’ om 'n kousenwinkel te kunnen opzetten met klein kapitaal. Fatsoen is 'n speelfiche dat waarde voorstelt, maar nooit wordt ingewisseld. Fatsoen is gecristofleerde deugd...

- Ah, deugd! Neem nog 'n kop thee, gy die verdiendet opengesneden te zyn... drink, verheug u, strek de benen uit, en zeg me wat deugd is?

- Ik wil 't u gaarne zeggen, Kami die wysheid opslurpt als aftreksel der bladeren van den struik des levens, maar eilieve... 't is gevaarlyk! Belooft ge my, Kami, niet te zullen óververtellen wat ik u zeggen zal over deugd? Dat ge 't zeggen zult noch aan den koning, noch aan den minister, noch aan den eigenaar van uw hotel, noch aan 't meisje dat ge liet roepen zo-even, noch aan den man die uw laarzen schoonmaakt?

- Wy dragen geen laarzen. Zeg vry op, gy die geen buik hebt, wees onbeschroomd. Al droegen wy laarzen, toch zouden we 't niemand zeggen. Wat is deugd?

- Kami, ik weet niet wat deugd is!

- Dat dacht ik wel, toen ik vernam dat ge niet eens in staat was horologiën te maken met ontuchtighedenS. Maar als ge 't dan niet weet, waarom waart ge dan zo bevreesd dat we zouden overzeggen wat gyzelf ons niet zeggen kunt.

- Dat is 't juist, o deugdzoekende Kami, die ontuchtighedenS liefhebt... op horologiën. Dat is 't juist! Men weet precies wat deugd is, men mishandelt den verkeerd geborene die 't niet weet.

- Maar zeg my dan, o gy wiens ziel onrecht geboren is, zeg me dan wat men voor deugd houdt?

- Dat is iets anders, Kami van zedelyke waarde en Japans koper, maar die vertelling is lang, omdat men zo vaak verandert, en de deugd van men meteen. Er zyn veel deugden van men verloren gegaan - de meeste deugd werd niet opgeschreven, Kami - doch over wat er bewaard bleef, wil ik gaarne alles zeggen wat ik weet.

In den beginne was deugd... niemendal. Men was deugdzaam, zo lang er niemand sprak over deugd. Deugd is de eigenschap van deugen, o taalkundige Kami. In den beginne nu deugde alles. De koe at gras, zonder dat iemand 't beest zei, hoe 't moest doen om dat te verwerken tot melk en boter. Men handelde goed, men deugde... tot 'r mensen kwamen die handleidingen gaven; hoe 'n koe gras moet eten, en hoe men doen moest om te deugen. Die handleidingen voor de koeien deden geen kwaad. De stomme dieren lazen ze niet. Dit is 'n grote deugd in koeien, o Kami. * 
Maar men las wel de handleiding om te deugen. Dat was men's eerste ondeugd, o Kami die wetenschap opslikt als morgendrank.

Want de natuur van den mens was goed...

- Zeg eens, onwelgeschapen vreemdeling, is 't waar, dat ge mens schryft zonder C.H.? Dat verweet u de knecht by 't aandienen.

- Helaas, ja... Kami wien niets ontgaat. Ik laat die C.H. liggen, als 'n wintermantel in zomertyd. 'k Begryp evenwel dat zo'n knecht dien opneemt, en daarmee heel mooi is.

De eerste natuur dan van den mens was goed, o Kami die taalkunde samensmelt met wysbegeerte, maar men kwam vertellen wat goed was, en van dat ogenblik af had men zoveel deugden als men koppen had, dat is: legio, zoals ik u reeds zeide, o Kami die bedreven zyt in onbegrypelykheden.

De moeder had haar kindje lief. Men zei: ‘Hoort, moeders, ge moet uw kinderen beminnen.’ Als van toen af 'n moeder heel lief was voor haar kindje, dacht dit al heel gauw: ‘Je moet wel, men heeft 't u gelast.’

't Lag in de natuur, dat er hartelykheid werd geboren uit den omgang tussen de geslachten. Dat was óók zo by de ganzen die samen hun jongen bewaken. Maar by de ganzen is 't zo gebleven, omdat 'r niemand was die 't voorschreef.

Kortom, o Kami die beminnelyk zyt als 'n echtgenoot der broeiende ganshén... Zyt gy gehuwd?

- Neen, man van tuchteloze wordingsmanier.

- 't Doet 'r niet toe, gy dan die beminnelyk wezen zoudt met de gegevens van die gans... de deugd verdween na 't spreken óver de deugd, zo als de stilte verdwynt door geschreeuw óver de stilte.

Men maakte deugden, die in de plaats kwamen van deugd. En die gemaakte deugden veranderden met de seizoenen, ja by de week. Wat heden deugd was, werd morgen ondeugd, en omgekeerd. Wie vandaag de deugd omhing van verleden jaar, zou uit de mode wezen, en worden aangezien voor verkeerd geboren. Wie zich kleedt in de deugd van de toekomst, wordt uitgefloten als Wagner's muziek te Parys. De hoofdzaak is, dat men zich omhangt met de deugden van den dag. Wie dat goed in acht neemt, is modern, deugend, deugdzaam.

Voor jaren byv., o Kami die zyden stoffen ten geschenke geeft, voor jaren droeg men geloof in Jupiter, Venus, Vesta, en zulke dingen... zomerstofjes die geweven werden in de open lucht, door dichters. Er waren hier en daar schone tekeningen in die weefsels, maar de kleur verschoot in de kou.

Daarop volgde 'n tyd lang een warboel van allerlei andere godsdiensten...

- Ik vroeg u naar deugd, o man die de zaken verwart... ik vroeg naar deugd, en gy spreekt van godsdienst...

- Ge hebt gelyk, Kami die prins zyt in juistheid van onderscheiding. 't Was eenmaal hier en daar deugd, z'n medemensen op te eten. Men was daar tégen, en bepaalde dat verbranden beter was... om de vrolykheid. Want vuur geeft licht, o Kami die natuurkunde inzuigt als 'n spons, en licht geeft opgewektheid. Men verbrandde al wat andere deugden had dan menzelf. Op 't laatst verveelde dat voortdurend illumineren - gy kunt dit weten, o Kami die rondgevoerd zyt tussen de reien gasvlammen voor de tent in 't bos - 't voortdurend illumineren verveelde, men sloeg de mensen 't hoofd af, dat voor velen een klein verlies is. Nog later bedacht men andere middelen om te dwingen tot men's deugden. Men smoorde de patiënten. Dat is men's goedkoopste en de thans gebruikelyke manier.

- Welke andere deugden meer zyn thans in de mode, o man die óndeugend zyt ter wereld gekomen?

- Gy hebt bemerkt, o Kami die 't onderste begeert uit de kan van myn gemoed, dat ik huiverig was u te spreken over dit onderwerp. 't Heeft my niet mogen gelukken uw scherpzinnigheid te ontwyken, daar ze doordringt tot de diepte myner ziel, als 'n belastinggaarder tot den bodem der geldla. Doch nu, o Kami, voor ik my uitlaat over de deugden van den dag, eis ik van u een plechtigen eed. Zweer me by...

- Goed, goed, wy zweren. Ik zweer, en Kami zweert, en ook wordt er gezworen door Kami, die daar in den hoek zit.

- Gylieden zweert, my niet te verraden?

- Dat zweren wy, man die langdradig zyt door verkeerde geboorte.

- Hoort my, Kami, gy die aan 't hoofd staat der boodschappers van verre, en gy Kami die in 't midden staat, en gy Kami die daar staat aan den staart des gezantschaps, er zyn thans twee deugden. Haar namen zyn kuisheid en eerlykheid. En die twee zyn één, o Kami. En de naam van die ene deugd - die twee is - de naam van die deugd...

- Ga voort, man van onmogelyke daarstelling...

- De naam van die ene deugd, o Kami... Hebt ge 'n paar duizend tails voor my te leen?

- Onmogelyk! We hebben juist onzen laatsten tail uitgegeven.

- Dan durf ik u den naam niet zeggen van die éne deugd, o Kami die menen zoudt dat ik u uitschold voor óndeugend, wyl ge uw laatsten tail uitgaaft.

- We zullen 't ons niet aantrekken. Wy zyn Japanners, en behelpen ons met Japanse deugd. Zeg op, man wiens ziel krom is...

- De naam van die deugd, o Kami...

Juist kwam de knecht binnen, die de courant bracht.

- Zoudt ge ons de courant willen voorlezen en verklaren, gy vreemdeling in 't land uwer geboorte?

- Met genoegen, deugdzame Kami.

- Waarom noemt ge my deugdzaam?

- Kami, ik zag dat de knecht die u de krant bracht, terzelfdertyd u een brief overreikte. Dien brief hebt gy geopend, en ik bemerkte den weerschyn der deugd op uw gelaat, toen ge daarin een wissel ontdekte...

- TéT, zei de Kami die tolk was.

- Zoals ge wilt, Kami. Té, é, té, tét, als dit aangenamer klinkt in uw oren die ge ongeschonden meebracht van zó ver! Ik zag, o Kami, hoe gy u verheugdéT en verblyddéT toen gy bemerktéT dat die brief den wissel bevattéde, dien gy verwachttéT.

De tolk was opgetogen over myn getét.

- Ja, Kami, ik zag den gloed der eerlykheid op uw gelaat, en verheugde my over den welstand uwer ziel. Daarom noemde ik u deugdzaam.

- En de kuisheid?

- Die zal niet achterblyven, o Kami. Met uw wissel... hoe groot is hy?

- Dertien-duizend tails.

- Met uw wissel kunt ge alle afwykingen van onthouding be-dekken, die men u zou aanrekenen als onkuisheden, indien gy dezelve niet bedekte...

- TéT, zei de tolk.

- Als gy die niet bedektét met uw wissel.

Meent ge, o Kami die uw deugden ontvangt in wissels, over de post, dat het Nederlandse gouvernement, steeds uitblinkende in allerlei deugden van den dag, uw leverancier zou geweest zyn in ontuchtighedenS, indien gy ondeugdzaam genoeg waart geweest, die niet te betalen in Japans koper en verlakte presenteer-trommeltjes? Neen Kami! Wat gemeen zou gevonden zyn in 'n armen drommel, werd in Nederlandse ogen edel, groot en kuis, zodra 't uitging van 'n bestuur, zo ryk in verlakte deugd als 't Japanse.

En meer nog, Kami... Mag ik u verzoeken 't kamermeisje te laten roepen? En den knecht ook? Maar één voor één.

De knecht kwam eerst, wyl 't kamermeisje les nam in 't Japans.

- Zeg me, o knecht, zyt gy deugdzaam?

- Ja, m'nheer, heel deugdzaam.

- Dat zou 'k hem niet aangezien hebben, riepen de Kami's. Hy ziet er niet uit als iemand die behoorlyke wissels in z'n portefeuille heeft.

- Een ogenblik, o belangwekkende vreemdelingen die te hoog staat om 't kleine te verachten. Er is grote deugd, en kleine deugd. Ik gis dat we hier 'n voorbeeld hebben van kleine deugd. Zeg my, o knecht die in deugden gezegend zyt boven veel knechten en heren, zyt gy eerlyk?

- Ja m'nheer, want dat duurt het langst. 'k Heb hier zes gulden in de week, en vollen kost.

- Ziedaar de eerlykheid in eenvoudigsten vorm, o Kami, zo eenvoudig als 't lampekapje, dat ge op uw hoofd hebt gezet, in plaats van 'n hoed. De man berekent... zeg eens, knecht, als ge niet eerlyk waart, hoeveel hadt ge kunnen stelen op éénmaal?

- Eens wel duizend gulden, m'nheer! Maar dan was ik weggejaagd.

- Juist. Let nu goed op, Kami. Deze man verdient zes gulden in de week, en ‘den kost’. Stellen we dat op vyfhonderd 's jaars. De gemiddelde knechts-carrière zal wel dertig jaren zyn. De beloning der eerlykheid van dezen man komt derhalve neer op vyftienduizend gulden. 't Is dus geheel naar de mode van den dag, om die beloning voor te trekken boven 't weinige dat z'n oneerlykheid hem zou opbrengen, gezwegen nog van de onaangenaamheden die ze hem berokkenen zou. Gyzelf hebt gehoord, Kami, hoe hy, in de taal der volkswysheid, de eerlykheid prees als ‘langer durende’.

- Dat is zo, vreemdeling die niet ontbloot zyt van enige scherpzinnigheid. Maar nu de andere helft van die éne deugd, die twee is?

- Daarvoor heb ik 't meisje nodig...

- Om de keizersnee?

- Neen, Kami, om de kuisheid.

De knecht vertrok, en 't meisje kwam. Ze zag rood van al 't Japans, dat ze zo-even scheen geleerd te hebben.

- M'nheer, wil u vragen aan die gele heren, of 't waar is, dat hun knecht in zyn land 'n beklanten winkel heeft? En of ik 'r op rekenen kan, dat-i behoorlyk voor me zal zorgen?... Want ik ben niet zo mal als Grietje, die loopt te bedelen met 'r kind zonder vader... gut nee... eerst moet ik weten... Want, ziet u, op me fatsoen ben ik gesteld. En om nou 'n goeie dienst te verliezen, voor 'k zeker ben, da'k niet zal rondlopen als Grietje die nergens terecht kan, omdat ze geen eerlyk meissie is...

- Genoeg, o dienstmaagd die 'n eerlyk meissie zyt, gy kunt gaan. Neen, dit nog: hoe staat het met uw japanse les?

- Och, dat zou wel schikken, m'nheer... Als ik maar zeker ben, dat-i in zyn land 'n beklanten winkel heeft, en dat ik niet als Grietje...

- En uw hollandse lessen?

- Hyzelf heeft maar zes gulden in de week, m'nheer, en den kost... en u begrypt, dat 'k later niet graag als Grietje...

- 't Is wel, ge kunt terugkeren tot uw lessen, o deugdzame dienstmaagd.

Hebt gy begrepen, Kami, hoe deze kamerstoffende vrouwspersoon vervuld is van de deugden des daags, als 'n hollandse regering?

- Zeer wel, o buikeloze onderzoeker die waarheid perst uit maagden en dienstknapen; maar moogt ge deze twee exemplaren beschouwen als toonbeelden van 't geheel?

- Ik geloof ja, Kami. Gy hebt gehoord hoe 'n volksspreekwoord de eerlykheid meet by de el, als gylieden de stukken zyde, die ge my niet ten geschenke gaaft, en hoe de deugdlievende maagd haar Japanse studiën afhankelyk maakte van de gegoedheid des onderwyzers. Zó, Kami, is 't overal. In de hogere klasse der maatschappy is men niet gewoon alles zo te noemen by den rechten naam, doch in den grond der zaak komt alles neer op... geld.

Wanneer ik, die niet deugdzaam ben, iemand vond die zwakker was dan ik, en 'k zou zo-iemand dwingen voor my te arbeiden zonder loon, om zelf in luiheid te leven van de vruchten zyner handen, zou dit worden gehouden voor oneerlyk, tot op 't ogenblik dat ik spoorwegen kon aanleggen van 't gestolene. Dit kunt gy weten, o Kami, die sterkte en geduld hadt om zittingen by te wonen van de Kamers die 't Nederlandse volk niet vertegenwoordigen.

Als ik iemand sloeg en geselde, of opsloot en deed omkomen van honger, zou dat worden beschouwd als ondeugdzaam, wyl men my vragen zou naar 't batig saldo, dat ik niet zou kunnen tonen. Maar in Den Haag hebt gy gezien, hoe de eerlykste mannen uit zeventig dorpen heel tevreden zyn over de deugd ener regering, die 't zelfde doet zonder de minste schaamte. Hebt ge in de Kamers iemand zien blozen, o Kami, om 't verdelen van 't batig slot?

- Neen, 'k moet bekennen dat die heren 'n rustig geweten schenen te bezitten. Er waren 'r by, die buiken hadden, zwellende van deugd.

- En die ze nooit opensnyden, Kami, dat jammer genoeg is. En 't ander gedeelte van de deugden des daags die met 'r tweeën één zyn, ook dat, Kami, is overal hetzelfde. Ziehier de krant:

Getrouwd:


M'nheer Jansen
met
Juffrouw Pieterse.

Juffrouw Pieterse is nu mevrouw Jansen. Dat wil zeggen: m'nheer Jansen heeft aan juffrouw Pieterse beloofd dat-i 'r niet zou laten rondlopen als Grietje.

Dat heeft-i beloofd onder getuigen, op 't stadhuis, en z'n naam heeft-i in 'n boek geschreven, waarin men later precies vinden kan wie de vader is van juffrouw Pieterse's kinderen, om uit te maken wie 't schoolgeld moet betalen, en de rekening van 't vaccineren.

Wanneer nu juffrouw P. was gaan samenwonen met m'nheer J., vóór of zonder die belofte in dat boek op 't stadhuis, zou ze beschuldigd zyn van onkuisheid. Haar kindertjes had men onecht genoemd, of: natuurlyk.

- En hoe heten die kinderen nu?

- Onnatuurlyk en echt, o Kami wiens geest onverzadelyk is als de roofzucht van 'n christenstaat; nu zyn die kinderen echt, uit overmaat van onnatuurlykheid. Maar de hoofdzaak komt neer op geld. Toen de heer Jansen op de knieën viel, om op gepaste wyze aan juffrouw Pieterse te vertellen dat-i 'r wou verheffen tot de moeder zyner aanstaande kinderen, hing haar kuisheid af van de vraag: of-i in staat was haar te bewaren voor 't rondlopen als Grietje.

De heer Jansen schynt 'n welbeklanten winkel gehad te hebben. Als juffrouw P., zónder dien winkel, geantwoord had: met pleizier! of: je bent wel vrindelyk! of zelfs: ik zal 'r me op beslapen... dan ware juffrouw P. heel onkuis geweest. Nu is ze deugdzaam, en zelfs groots op 'r deugd, want, ge ziet het, zy vertelt aan de hele wereld dat ze voortaan samenwoont met m'nheer Jansen.

- Wie heeft die deugd uitgevonden, of is daarover verschil van gevoelen, zoals over de boekdrukkunst.

- Noch die deugd, noch die kunst is uitgevonden. De omstandigheden noopten tot de toepassing van iets dat bestond, o Kami. De behoefte aan kennis noopte tot sneller verspreiding van denkbeelden, en men koos daartoe de lang bekende manier van 't drukken, die vroeger alleen dáárom niet werd aangewend, wyl de mindere behoefte de kosten niet zou vergoed hebben.

En de kuisheid, o Kami die verkeerd deedt my af te leiden van m'n onderwerp, de kuisheid bestaat niet. 't Is de toepassing van een der vele manieren, waarop men zuinigheid verheft tot 'n principe, en deugd maakt uit de duurte der voedingsmiddelen. In den beginne, o Kami, waren alle kinderen onecht, en 't kwam * 
niemand in den zin, 'n meisje te verachten omdat ze moeder was. 't Zou geweest zyn, alsof men boos werd op 'n bloem, wyl ze zich verstout had over te gaan van knop in bloei.

Dit bleef zo, tot 'r schraalte kwam aan voeding.

Men beduidde de jonge meisjes, dat zy te zorgen hadden voor 't onderhoud van haar kinderen.

Zy namen daaruit aanleiding, vooraf te informeren of de candidaat-vader 'n beklanten winkel had?

Velen zeiden ja, en vaak wás 't ook zo. Maar daar waren er, die in weerwil hiervan, toch geen zorg droegen voor hun kinderen. Zy hielden zich als wisten zy van niets, wanneer deze of gene jonge moeder hen uitnodigde om de zorgen voor 't gezin met haar te delen.

Om die ontkenning voor te komen, stelde men vast dat 'r huwelyken zouden gesloten worden, en dat ieder die vader worden wou, dat eerst moest verklaren. Hierin, o Kami, ligt wel iets goeds, maar niet goed is 't, dat men 't deed voorkomen alsof 'n meisje dat iemand geloofde op z'n woord, zónder die openlyke verklaring, minder braaf was dan 'n ander. Hoogstens is zy schuldig aan onvoorzichtigheid, omdat ze vergat dat de harten der mensen boos zyn, 't geen toch ieder weten kan.

Ik zeide u, in den beginne was dat anders, o Kami. De uitvinding van 't woord kuisheid...

- Ge zeidet, die ene helft van de algemene deugd - die twee is - was niet uitgevonden?

- En dat zeg ik nog, o Kami, die overvloeit van halve oplettendheid. De zaak is niet uitgevonden, kón niet uitgevonden worden, wyl ze niet bestaat. Maar 't woord om dat niet bestaande aan te duiden, kwam in toepassing toen men 'n schrikbeeld nodig had om te waarschuwen tegen al te kleine portiën voedsel, door verhoging van 't deeltal aanzitters. Zy zelven, die nu verschrikken om den klank van dat woord, weten niet meer, dat eenmaal haar onvoorzichtigheid niet werd geteld als zonde.

Maar by ons is dat lang geleden, Kami. Elders was 't nog zeer onlangs niet de minste schande natuurlyk te wezen. Ziehier 'n boekje dat zeer belangryk is en waaruit men zien kan, dat nog voor zestig jaren in Noord-Amerika de kuisheid, in beschaafd-hongerlydenden zin, niet bekend was. ‘Geen onvoorzichtigheid * 
- aldus spreekt 'n Amerikaans Hoofd - kan 'n vrouw uit haar ouders huis verbannen; het maakt geen verschil hoeveel kinderen zy te huis brengt; zy is altyd welkom; de ketel is altyd over 't vuur, om hen te voeden.’ Ziet ge wel, o Kami, de hele kuisheid zit in dien ketel. Neem dien ketel weg, en terstond zult ge zien hoe de ouders een woord maken, dat 'n vloek beduidt tegen 't meisje dat haar kindje thuis-brengt, zonder opgeschreven vader.

- Denken die roodhuiden nog zo?

- Ik gis neen, Kami van gele gelaatskleur. Ik denk dat de blanke Amerikanen hun de ketels hebben afgenomen, en daarvoor wat uitgevonden woorden óver deugd in de plaats gegeven. Als nu 'n meisje een kindje krygt, dat schuldig is aan verregaande natuurlykheid, zal ze dat zeker doodmaken, zoals dat gebruikelyk is in beschaafde landen. Ziehier, o Kami die begerig waart beschaving te putten uit de krant: ‘Uit de Prinsengracht is hedenmorgen opgehaald 't lykje van 'n pasgeboren kind.’ Dit, of zo iets, leest men minstens alle weken, en wanneer men bedenkt hoeveel pasgeboren kinderen niet worden gevonden, die toch even onlief behandeld werden, als dat wicht in de vuile Prinsengracht, dan, o Kami, betreurt men de uitgevonden woorden óver deugd, en benydt den Amerikanen hun ketels die, steeds over 't vuur hangende, den mens toelieten mens te zyn in stee van deugdzaam.

- Maar wat is de beloning van die deugdzaamheid, vroeg Kami.

- Gene, Kami, en ook weer om en door geld. Ouders, wetgevers en vorsten begrypen zeer goed, dat het belonen der deugd even duur zou uitkomen, als 't dragen der gevolgen van het tegendeel. Daarom heeft men iets uitgevonden - een woord alweer, Kami - doch zeg eens, hebt ge m'n Ideeën gelezen?

- Wel neen, we hebben moeten beloven ons daarvan te onthouden.

- Nu, dan kunt ge niet weten wat ik gezegd heb in nummer 88: woorden regeren de wereld, Kami. Zo'n woord heeft men - by gebrek aan 'n ketel over 't vuur - ook uitgevonden om deugd te belonen. Als uw kamermeisje vol deugd blyft, als de knecht van uw hotel blyft overvloeien van eerlykheid, laat men ze, zodra ze niet meer kunnen arbeiden, rondlopen, precies als Grietje die geen deugdzaamheid bezat, of als iemand die dom genoeg was om duizend gulden ineens voor te trekken boven dertig jaren ‘kost’. Maar 't verschil begint na den dood. Dan, zegt men, komen die verkeerde rekenaars en Grietje beneden, en de anderen boven. Of 't waar is, weet ik niet. En zy, die beschikken over die plaatsen, weten 't eigenlyk ook niet, of liever, zyzelf geloven er niet aan.

- Hoe kunt ge weten dat ze 'r niet aan geloven?

- Kami, daar zat 'n man in den schouwburg, en trachtte 't schouwspel te zien. Maar dat was hem onmogelyk, wyl zovele mensen daar waren, die vóór hem zaten en boven hem uitstaken. Hy wilde gaarne ruimte maken vóór zich, om beter te kunnen zien, en tevens om niet te worden afgedrongen van zyn plaats, die wel goed wezen zou, als 't maar wat minder vol ware om hem heen.

Wat zou hy doen, Kami? Hy bedacht 'n woord, dat betekende: ‘na dit schouwspel wordt er 'n veel mooier stuk vertoond. Wie nu hier z'n plaats bewaart, zal dat mooier stuk niet zien. Wie terstond opstaat en heengaat, zal 't stuk wel zien’.

Velen geloofden hem, en gaven hun plaats op...

- En hyzelf?

- Kami, met handen en voeten klemde de man zich vast aan z'n plaats. Hy vreesde te worden mee-weggedrongen door de menigte die hem geloofde, en die wegliep van 't stuk dat vertoond werd, om recht van toegang te verkrygen tot de vertoning die komen zou. My dunkt, daaruit blykt, dat die man niet geloofde aan z'n eigen woord.

En daarom, o Kami die vergelykingen weet over te gieten in nuchterheid van tale, daarom geloof ik niet aan 't woord dergenen, die de deugdzaamhedenS welke zy verkondigen, betalen met 'n munt die niets kost. En hieruit ziet ge ook weder, hoe de godsdienst die allerlei deugden voorschryft, eigenlyk niets anders is dan 'n aanwyzing op 'n onbekenden kassier, dien niemand ter verantwoording kan roepen. Ook dat woord godsdienst is 'n uitvinding der zuinigheid, o Kami die reeds zult opgemerkt hebben hoe 'n christen-bedelaar met z'n ‘God zal 't je duizendmaal lonen!’ 999% winst biedt, voor den cent dien hy u vraagt.

- Zyn er velen in dit land, die zo denken?

- Ik zeide u reeds, o Kami, dat ik verkeerd geboren ben, en dus een uitzondering maak. Maar die verkeerdheid openbaart zich in 't zeggen, meer dan in 't denken. Zodra de mode verandert der deugden die geld opbrengen en weinig kosten, zullen zeer velen beweren, dat ze precies van myn idee waren. Doch thans zwygen zy, alsof ze den man geloofden, die zich vastklemt aan z'n plaats.

- En staan op?

- Geenszins, o Kami, ook zy klemmen zich vast, en vinden 't makkelyk dat er 'n woord wordt gesproken, dat hun wat ruimte zal verschaffen. Daarom juichen zy toe, al weten zy beter.

- En de arme gelovers, die opstonden, en weggingen om later terug te komen?

- Waarschynlyk vinden ze 'n gesloten deur, o diep-onderzoekende Kami. Of beter, ik gis dat ze niet in de gelegenheid zullen wezen terug te komen in 't geheel.

- En vinden uw wetgevers goed, dat men alzo de lichtgelovigen bedriegt met onware woorden?

- Zekerlyk, Kami. Zelfs laten ze 't volk belasting opbrengen om de mensen in 't leven te houden, die zulke woorden spreken. Ziehier in de krant 'n verslag der zitting...

- Om 's hemelswil, vreemdeling van ongepaste begrippen, bedenk dat we die zitting by woonden...

- 't Is waar, geduldige Kami... non bis in idem. Wilt ge dus heden liever niet horen wat er in de krant staat?

- Een andermaal! Nu gaan we de een of andere zeldzaamheid bezoeken... 'n diamantslypery, of 'n vondelingshuis.

- Ik heb u reeds gezegd, Kami, dat men hier de pasgeboren kinderen in 't water gooit. Van uw scherpzinnigheid had ik verwacht dat ge, in zo'n deugdzaam land, niet geloven zoudt aan vondelingsgestichten die de zeden bederven.

- Wat noemt gy zeden?

- Zeden zyn monsterbiljetten waarop men de deugden van den dag schildert... de modeplaatjes van 't hart.

- Wie maken die?

- Dit is 'n geheim, Kami. Maar vólgen moet men ze, op straffe van door te gaan voor tuchteloos en verkeerd geboren. Hebt ge wel 'ns iemand gezien die 'n bochel had?

* 
- Heel dikwyls, vooral hier-te-land.

- Welnu, 'n bekwame kleermaker weet zo'n bochel nagenoeg onzichtbaar te maken met watten en balein. Wie nu 'n bochel heeft in z'n ziel...

- Op z'n ziel, zei de tolk.

- Op z'n ziel, Kami die nauwkeurigheid beoefent in voorzetsels. Wie nu zo'n gebochelde ziel heeft, abonneert zich op 't een of ander zeden-reglement, dat tevens de adressen opgeeft waar de watten en 't balein te koop zyn. Daar is in dien handel veel concurrentie.

- Welke watten zyn de beste?

- Dat hangt af van 't geloof, Kami.

- Wat is dat?

- Geloof is de vrywillige cellulaire gevangenis van 't verstand.

- Meent ge daarmee dat de mensen die geloven, geen verstand hebben?

- Wel neen... dan viel er niets op te sluiten. Integendeel, hun verstand komt heel goed voor den dag, zodra 'r belang in 't spel is. 't Is hiermee aldus, Kami. Wanneer gy een knecht uitzendt naar den winkel van 'n geldhandelaar, met de boodschap: ‘Kompliment van Kami, en Kami laat vragen om fondsen’, dan zal die wisselaar uw knecht terugzenden met 'n verzoek om bewys dat gyzelf werkelyk hem hebt gezonden.

Dit nu is 'n blyk dat zo'n geldman inderdaad verstand hééft. Maar als iemand hem komt vertellen dat-i gezonden is door God, om z'n ziel te repareren, dan sluit-i dat verstand op, en betaalt heel gewillig watten en maakloon, zonder te vragen of de boodschapper behoorlyk gekwalificeerd is.

En nu, Kami, neem ik afscheid, ik ga Ideeën schryven. Komt ge in Amsterdam?

- Ach... ja!

- Daar hoop ik u weer te zien in Artis... in 't Park... of by deze of gene andere tentoonstelling van Nederlandse beschaving. Dag, Kami, bewaar uw buik.

- Dag, man van verkeerde geboorte, tracht er een te krygen.

- 't Is niet de moeite waard, Kami.