Multatuli.online


1036.

Herhaaldelyk schreef ik in vorige nummers de poging om my dood te zwygen - waarom toch, als de Natie me niet kent? - aan twee oorzaken toe, of liever, ik beweerde dat traagheid de valsheid in de hand werkte. Dit blykt o.a. hieruit, dat er over myn handelingen te Lebak nooit een woord gesproken wordt, en zelden een woord over de werken die op den Max Havelaar gevolgd zyn...

Toen de Havelaar zelf verscheen, was natuurlyk 't wachtwoord nog niet gegeven!

... en dat velen de voorgeschreven onthouding enigszins uit het oog verliezen, zodra ik iets publiceer dat men met een ‘mooi’ of ‘niet mooi’ meent te kunnen afdoen. Vandaar de uitzondering die voor Vorstenschool gemaakt werd door politieke kunstbeschouwers.

We hebben gezien hoe lief Hanna was, en hoe dom overigens de schryver. Zo'n reagens solliciteert om vergiffenis voor 't breken van 't consigne.

‘Van dát stuk moeten we wel iets zeggen... 't zal zeker gespeeld worden, en dan helpt ons zwygen niet. Welnu, dan zullen we op ouwerwetse recensenten-manier wat foutjes sprokkelen, en hier en daar iets “mooi” vinden, alles ingekleed op de beste wys om 't geheel, en vooral den schryver zelf, te doen doorgaan voor niet veel byzonders. Nu eenmaal niet kunnende voortgaan met zwygen, is zúlk spreken het minst schadelyk.’

Ik blyf vragen waarom de pers van de Natie m'n Minnebrieven niet behandeld heeft? M'n twee stukken over Vryen Arbeid? M'n Ideeën? M'n Een-en-ander over Pruisen en Nederland? M'n studie over Specialiteiten? De in één bundeltje verzamelde Verspreide Stukken, waaronder de brief aan Van Twist, die beter dan de Havelaar m'n punt van uitgang beschryft?

By 't antwoorden op deze vragen, is 't zeer moeilyk het aandeel der beide faktoren valsheid en luiheid te bepalen. Als hulpmiddel diene dat het oppervlakkig en innocent toneelspel ‘De Bruid daarboven’ wél besproken is.

En nu: Vorstenschool?

Zoals men 't nemen wil. Tot nog toe by voorkeur de gemakkelykst te behandelen gedeelten daaruit, en de eigenlyke strekking niet!

Men houdt zich alsof men...

Luiheid of valsheid?

...men houdt zich alsof men de byzaken, de parerga, de inkleding van dat stuk, aanzag voor de hoofdzaak. Wie als de niet onbekwame recensent in den N. Rotterdammer - ‘Staatkunde!’ - die hoofdzaak aanroert, doet het zo herabsetzend mogelyk. Wie hiertoe niet oneerlyk genoeg is...

Is 't oneerlyk of niet, de door Louise geschetste toestanden naar Spanje te verwyzen?

... wie de hiertoe nodige onbeschaamdheid mist, gaat die hoofdzaak doodeenvoudig met stilzwygen voorby, of nagenoeg.

Een curieus voorbeeld daarvan leverde dezer dagen de heer Vosmaer in den Spectator...

Ik schryf met consciëntie. Sedert vele dagen ligt het stuk van den heer Vosmaer voor me, en ik vraag my af, of ik het onbeantwoord laten mag? Zo neen, op welken toon ik dien schryver behoor toe te spreken? Lang heb ik geweifeld, en wanneer ik niet 'n treurige ondervinding had opgedaan, van de wys waarop men in zekere kringen gewoon is trouwhartige toenadering te beantwoorden, zou ik hem ondershands opheldering gevraagd hebben van zekere uitdrukkingen die hy zich omtrent my veroorlooft.

't Is me namelyk niet duidelyk, of ik ook hier me zou moeten verdedigen tegen moedwillige vyandschap - dit ware gemakkelyk! - dan of ik te doen heb met zeker soort van welwillendheid die me enigszins... vreemd voorkomt, en op z'n zachtst gezegd, zeer ongewenst is.

Straks zal de lezer de oorzaak dezer weifeling kunnen beoordelen, en tevens of ik gerechtigd ben in 't openbaar te antwoorden op een my in 't openbaar - door 'n orgaan alweer van een deel der Nederlandse Natie! - aangedane... ik zoek naar 't juiste woord! En daartoe is het tyd, omdat ik eerst over dat stuk in den Spectator een en ander te zeggen heb, dat aan de bekende schuwheid voor den Bogowonto herinnert.

De heer Vosmaer dan, is met Vorstenschool zeer ingenomen. Indien 't my te doen ware om lof over mooischryvery, zou ik overvloedige reden hebben tot voldoening, en zelfs tot dankbaarheid. Daarom echter is 't me niet te doen. En toch...

Ik ben, ook in deze soort van aandoeningen, geheel en al een mens, een gewoon mens, een compleet mens, d.i. een mens die vatbaar is voor alle indrukken, waarvoor we kunnen aannemen dat de mens behoort ontvankelyk te zyn, op straffe van degradatie tot 'n stuk steen of mislukten filosoof. Homo sum, en ik voel niet de minste begeerte iets anders te zyn. Nog minder, my als iets anders voor te doen.

Ik erken dus dat de ‘bewondering’ voor m'n laatste werk waarvan de heer Vosmaer getuigenis aflegde, me zeer aangenaam stemde.

De ‘recensie’ verscheen in twee fragmenten...


Tussen één en nogmaals één,
Vlamt en klieft...

...het een of ander heen, misschien wel weer 'n stuk van de Natie, die den heer Vosmaer schynt aan den arm gestoten te hebben, om hem te storen in z'n ‘bewondering’.

Na de lezing van 't eerste stuk had ik voor den schryver een vriendelyk gevoel, en ik stond op het punt hem te bedanken. Voor z'n oordeel niet, maar voor de uiting. Ikzelf namelyk geloof dat Vorstenschool 'n goed stuk is. Maar... er zyn gebreken in, en ik had tot onderlinge oefening den heer Vosmaer daarop willen opmerkzaam maken. Ook had ik hem gaarne enige bedenkingen medegedeeld tegen de hedendaagse wyze van kunstbeschouwen. Nu, daarop zal ik later terugkomen. Doch liever zag ik eens 'n handleiding van Busken Huet, tot betere beoefening van dit verwaarloosd vak.

Kortom, m'n stemming was allervriendelykst, en ik verheugde my als 'n kind, daarin eens eindelyk te kunnen toegeven. Wel had het m'n aandacht getrokken, dat er in 't geleverd ‘verslag’ een sprong werd gedaan van het tweede op het vierde Bedryf - Akte III = Bogowonto! - maar ik maakte juist hieruit op, dat het behandelen van Louise's ‘staatkundige’ beschouwingen bewaard werd voor het slot. Ze zouden gewicht byzetten, meende ik, aan het zwaartepunt der beoordeling. M'n verzoek om 't stuk te behandelen als drama, kon toch onmogelyk 'n wenk beduiden om géén acht te slaan op de hoofdzaak waarover dat drama loopt. Ik bedoelde daarmee o.a. dat men de uitdrukkingswyze, de manier van voorstellen, niet toetsen zou aan hoofdartikelstyl of brochure-polemiek. De heer Vosmaer zelf immers, verwierp den door my voorgeslagen ondertitel, als overbodig? Nu zal hy toch erkennen dat die wegwyzer niet kon gemist worden, nietwaar? Of, indien hy nóg meent wat hy scheen te denken, voor er iets ‘vlamde en kliefde’ tussen z'n eerste stuk en het tweede:

‘Ieder beseft - namelyk: ook zonder dien ondertitel - dat hier voor toeschouwers en hooggeplaatste personen iets te leren valt.’ ...indien de heer Vosmaer dit nog altyd meent, waarom sloeg hyzelf dan, in z'n ‘verslag’ geheel en al, en by z'n latere opmerkingen byna geheel, die derde Akte over? Juist dát deel alzo van 't stuk, waarop zyn aangehaalde woorden moesten geacht worden in de eerste plaats toepasselyk te zyn?

Hoe, m'nheer Vosmaer, gy besteedt anderhalve kolom aan 't betoog dat het kuiperytje u niet helder is, en aan 'n paar aanmerkingen op enjambement en klemtoon, terwyl ge over die gehele derde Akte - waaruit dan toch naar uw mening: ‘voor toeschouwers en hooggeplaatsten wel iets zou te leren vallen’ - slechts tien regels ten beste geeft? Tien regels, waarvan acht gewyd zyn aan 't ‘vermakelyk staatkunstknutselarytje’ tussen Miralde en Van Huisde, zodat er voor de behandeling van de in dat bedryf voorkomende hoofdzaak, slechts twee regels overblyven? Dat ge 't recht hebt de punten te kiezen, die ge uw aandacht waard keurt, spreekt vanzelf. Maar ik heb het recht, uit die keus - in verband met andere opmerkingen - gevolgtrekkingen te maken, en u te vragen of er niet iets... bogowontisch ligt in zo'n vreemde repartitie?

In verband met andere opmerkingen! Daartoe behoort o.a. zekere bevreemding over de ongelyksoortigheid der beide helften van uw ‘bewondering’ en vooral over het slot van de tweede helft. Ge kent immers den regel: desinit in piscem, enz.?

Ik arme, die met verlangen uitzag naar iets als behandeling van Louise's denkbeelden over de ‘staatkundige’ ziekten van den dag!

Ik, die gereed stond alle op- en aanmerkingen - mits getuigende van eerlykheid, en die verwachtte ik hier! - dankbaar in overweging te nemen, en daarmee ten algemenen nutte m'n voordeel te doen by 'n volgende uitgaaf!

Wat vind ik?

Een zoetzure uitnodiging aan de Natie...

Ik vraag den heer Post, tot wien anders dan tot de Natie de heer Vosmaer in den Spectator 't woord richt?

...een christendomachtige uitnodiging aan de Natie, om terwille van de aardige dingetjes die ik nu en dan schryf, myn verdorvenheid door de vingers te zien!

Zó immers ben ik wel genoodzaakt de woorden te vertalen waarmee de heer Vosmaer z'n stuk over Vorstenschool besluit. Hier zyn ze:

‘Met een enkel woord weet de dichter de fijnste snaren van de ziel te doen trillen, het gehele gemoed in beweging te brengen. Hij heeft van die accents de coeur, omdat hij schrijft uit zijn eigen zieleleven.

Multatuli heeft zijn naam ontleend aan den bekenden versregel van Horatius:


Multa tulit fecitque puer, enz.

Citaten zijn de muntstukken wier beeld en schrift door het onophoudelijk gebruik verslijten tot onkenbaar worden toe. Ja, sommige vertonen geheel andere vormen dan die de munter er in sloeg. Horatius gebruikt deze woorden als grote lofspraak: hij heeft, zegt hij, veel gedragen en veel gedaan, in het zweet zijns aanschijns, in koude, en bij velerlei onthouding.

En de menigte heeft van dien regel, eerst spelend geparodiëerd, later onkundig een schimp gemaakt.

Niet anders is het met Multatuli's beeltenis gegaan. Het gebruik, en misschien menige vuile vinger die 't muntstuk beduimelde, heeft er den grilligsten, soms lelijksten schijn aan gegeven. Maar ‘schijn is geen blijk’. Zal men bij zulk een smachten naar het hogere en edelste, bij zoveel grootse gedachten, bij zoveel kies * 
en teder gevoel, bij zulk een verhevene opvatting van het leven, bij zoveel kreten uit het hart, als in de regels van dit drama ons beurtelings roeren en verheffen, beweren dat dit alles maar door de verbeelding verzonnen is? Gelove wie het kan. Een groot dichterhart moge veel geleden en gedragen hebben, het moge zelfs gedoold hebben en gefaald - het blijft toch een groot dichterhart.

En zijn schepping met liefde en bewondering tegemoet te komen, moet ons een waardiger lust zijn dan te veroordelen, waar toch de diepste roerselen ons onbekend zijn.’

Men ziet, de heer Vosmaer pleit verlichtende omstandigheden. Dit is duidelijk, al weet ik niet waarvoor.

Minder duidelijk is 't me, hoe ik zyn woorden moet kwalificeren? Nog altyd ben ik in 't onzekere over de stemming waaruit ze voortkwamen. 't Zou me leed doen, 'n welmenende ruw te bejegenen. Wanneer ik evenwel geloven moest, hier te doen te hebben met 'n verfynde uitgaaf van den Arnhemse Q...

By twyfel is onthouding plicht. Ik zal er over nadenken. Misschien voelt de heer Vosmaer zich opgewekt, my op den weg te helpen. Hyzelf immers zou 't jammer vinden, nietwaar, indien sommigen z'n ‘bewondering’ en z'n poging ‘om anderen tot bewondering op te wekken’ aanzagen voor 'n perfidie? Men is er toe in staat.

Wat my betreft, ik herhaal voorlopig de betuiging dat ik 'n goed mens ben. Eenvoudiger kan ik m'n protest niet inkleden, tegen de zonderlinge schuldvergiffenis die me eigenlyk - zeker tegen de bedoeling van den heer Vosmaer - zeer onverwacht in staat van beschuldiging stelt. Ik meen aanspraak te hebben op wat anders. (310)

En... ook dit laatste staaltje van wat er uit de Natie tot my komt, beveel ik zeer aan in de opmerkzaamheid van den heer Post.