Multatuli.online

Volledige Werken. Deel 4. Een en ander over Pruisen en Nederland. Causerieën. De maatschappij tot nut van den Javaan. Ideeën, derde bundel

Een en ander over Pruisen en Nederland

Aantekeningen

Notities in handschrift

Causerieën

I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI

XII

XIII

XIV

XV

XVI

XVII

XVIII

De Maatschappy tot Nut van den Javaan

Ideeën, derde bundel

541.

542.

543.

544.

545.

546.

547.

548.

549.

550.

551.

552.

553.

554.

555.

556.

557.

558.

559.

560.

561.

562.

563.

564.

565.

566.

567.

568.

569.

570.

571.

572.

573.

574.

575.

576.

577.

578.

579.

580.

581.

582.

583.

584.

585.

586.

587.

588.

589.

590.

591.

592.

593.

594.

595.

596.

597.

598.

599.

600.

601.

602.

603.

604.

605.

606.

607.

608.

609.

610.

611.

612.

613.

614.

615.

616.

617.

618.

619.

620.

621.

622.

623.

624.

625.

626.

627.

628.

629.

630.

631.

632.

633.

634.

635.

636.

637.

638.

639.

640.

641.

642.

643.

644.

645.

646.

647.

648.

649.

650.

651.

652.

653.

654.

655.

656.

657.

658.

659.

660.

661.

662.

663.

664.

665.

666.

667.

668.

669.

670.

671.

672.

673.

674.

675.

676.

677.

678.

679.

680.

681.

682.

683.

684.

685.

686.

687.

688.

689.

690.

691.

692.

693.

694.

695.

696.

697.

698.

699.

700.

701.

702.

703.

704.

705.

706.

707.

708.

709.

710.

711.

712.

713.

714.

715.

716.

717.

718.

719.

720.

721.

722.

723.

724.

725.

726.

727.

728.

729.

730.

731.

732.

733.

734.

735.

736.

737.

738.

739.

740.

741.

742.

743.

744.

745.

746.

747.

748.

749.

750.

751.

752.

753.

754.

755.

756.

757.

758.

759.

760.

761. Vervolg: publieke voordrachten.

762.

763.

764.

765.

766.

767. De algemeenheid van wanbegrip (541)

768.

769.

770.

771.

772.

773.

774.

775.

776.

777.

778.

779.

780.

781.

782.

783.

784. Raden en oordelen in verband met kansrekening. (541)

785.

786.

787.

788. Wysbegeerte een roeping van allen. (542)

789.

790.

791.

792.

793.

794.

795.

795a. Afkeer van arithmetische juistheid

796. Meeting te Batavia in mei 1848

797. Zekere theologieën. (554)

798.

799. Iemand die in zichzelf de nodige geschiktheid heeft. (554)

800.

801.

802.

803.

804.

805. Likdoorns

806.

807.

808.

809.

810.

811.

812.

813.

814.

815.

816.

817.

818.

819.

820.

821.

822.

823.

824. De onzedelykheid van de beloon-theorie in de opvoeding (561)

825.

826.

827.

828. Het onderwys (561, vlgg.)

829.

830.

831.

832.

833.

834.

835.

836.

837.

838.

839.

840.

841.

842.

843.

844.

845.

846.

847.

848.

849.

850.

851.

852.

853.

854.

855.

856.

857.

858.

859.

860.

861.

862.

863.

864.

865.

866.

867.

868.

869.

870.

871.

872.

873.

874.

875.

876.

877.

878.

879.

880.

881.

882.

883.

884.

885.

886. De schepping werd in weinig regels afgedaan. (563)

887.

888.

889.

890.

891.

892.

893.

894.

895.

896.

897.

898.

899. Het zyn liegt niet. (574)

900.

901.

902.

903.

904.

905.

906.

907.

908.

909.

910.

911.

912.

913. Vervolg: Onderwys, in verband met het godsbegrip en met de studie van den aard der dingen.

914.

915.

916.

917.

918.

919.

920.

921.

922. Het beoordelen der zedelykheid (589).

923.

924.

925.

926.

927.

928.

Naschrift bij den tweeden druk

Naschrift by den derden druk

Aantekeningen

Verantwoording

Een en ander over Pruisen en Nederland

Causerieën

De Maatschappy tot Nut van den Javaan

Ideeën, derde bundel

Alphabetische lijst van verklaringen


II

Juchhé... juchheisa... hoera... hoezee... nu weet ik het!

Als ge my toestaat tot bedaren te komen (het laatste modeplaatje der litteratuur zegt: wanneer ge my toestaat. Omslachtig is 't wel, maar styf), als ge my toestaat tot bedaren te komen van m'n al te grote vreugde - la joie fait peur - zal ik u vertellen wát ik weet. Er is een ontdekking gedaan... er is een uitvinding geschied... die... dat...

Hoe 't zy, laat ons eerst bedaren. In myn overspanning zal ik misschien de zaak verkeerd voorstellen, en daardoor veel schoons bederven.

Intussen wil ik trachten, even bedaard alsof ik niet razend verheugd was, iets anders te behandelen.

Vooreerst dan: ik heb twee dagvaardingen ontvangen. Van twee kanten ben ik aangeklaagd wegens laster, en als ik over veertien dagen in gebreke blyf met myn causerie, denk dan maar dat ik achter slot zit. Want ik vrees veroordeeld te zullen worden. Met gewone lezers-kortzichtigheid zal deze of gene nu denken dat de heer Lion... mis! Ik heb niets van den man gehoord, en 't schynt dat hy, met een by journalisten niet zeldzame onbeschaamdheid, myn beschuldiging zoetsappig geslikt heeft. Neen, de eerste dagvaarding is...

Maar ik wil liever beginnen met de tweede. Honneur aux dames. Ja, aux dames! Want de beschuldiging gaat uit van een vrouw. Verbeeld u, er staat in de dagvaarding: ‘Wegens het de klageres in den mond gelegd hebben van woorden, termen en uitdrukkingen, dewelke zy klageresse beweert nooit ofte nimmer te hebben gebezigd, en welke woorden, termen en uitdrukkingen haar klageresse zouden overgeleverd hebben aan de verachting en den haat harer medeburgers, indien zy klageresse die woorden, termen of uitdrukkingen wel hadde gebezigd.’ Dan volgt er nog iets van ‘overzulks’ en zulke dingen.

Myn eerste indruk was dat my dit stuk werd toegezonden om my in de gelegenheid te stellen my wat te oefenen in styl. Maar deze mening werd me ontnomen door een tegelykertyd ontvangen brief waarin die dame my op de hoogte brengt van haar toorn.

Na de mededeling namelyk dat zy P.G. is - een communicatie die in geen fatsoenlyk hollands geschrift ontbreken mag - gaat ze aldus voort:

- Toen ik u sla aanbood...

Lieve God, daar verwyt ze my haar weldaden!

- Toen ik u sla aanbood, kon ik er niet op bedacht zyn, dat ge zo spoedig na 't gebruik maken van myn gastvryheid...

Alweer! Un bienfait reproché... Zou men er niet voor schrikken ergens anders sla te eten dan in z'n eigen huis!

...gastvryheid, u zoudt veroorloven my te maken tot de risée van alle fatsoenlyke mensen, door my afschuwelyke woorden in den mond te leggen, die ik nooit gebruikt heb, en welker betekenis ik niet begryp.

Hoe weet ze dan dat die woorden afschuwelyk zyn?

- Ik heb Klaasje Zevenster door myn man horen lezen zódanig dat ik daarvan alleen het schone genoot, voornamelyk den verheven styl, de juiste karakterschilderingen, den ongekunstelden dialoog, en het extract van Ds Bols ridderlykheid. Al wat aanstotelyk was, of maar uit de verste verte aanstotelyk schynen kon...

‘Verste verte’ recommandeer ik aan verzamelaars van verlepte taalnieuwigheidjes. Het zou kunnen geplaatst worden onder de rubriek: Litterarische ploerteryen, en gerangschikt tussen: ‘bepaald’, en: ‘ik weet er alles van’.

- Zó ver ging de kiesheid van myn echtgenoot - hy is lid van den kerkeraad, mynheer! - dat hy zelfs die hele ‘mevrouw Mietje’ er uit heeft gelaten, uit vreze dat ik in de voorgewende domheid van die verhevene figuur een persiflage zou menen te ontdekken, schoon het toch van algemene bekendheid is dat ik my nooit aan het voorwenden van domheid heb schuldig gemaakt. Ook heeft myn echtgenoot de scabreuze passage overgeslagen - de vader van myn echtgenoot is ouderling, mynheer! - waarin de Leidse jongelui ‘van achteren’ ontdekken dat Klaasje geen jon-getje is. Myn echtgenoot - hy heeft zelfs een broeder die dominee is, mynheer, en de neef van onze meid is koster - hy heeft, improviserende onder 't lezen, dien Haagsen baron, die zo onhaags, onhandig en onbaronnig, een romanheldin wil verleiden met een tientje, omgeschapen in een ‘oude getrouwe’ stovenzetster, die wel verre van onkiese bedoelingen te koesteren, haar decentie zó ver dryft dat ze haar vyfogige voedsterlingen blinddoekt, om ze het spionneren te beletten. Te mynen behoeve heeft voorts myn gezegde echtgenoot die Klaasje eerst op tienjarigen leeftyd in de banketbakkersdoos laten plaatsen, om door grotere verwydering van het vermoedelyk ogenblik der geboorte, de gedachten der Leidse jongelui, en de mynen, af te leiden van andere vermoedelyke ogenblikken. Klaasjes liefde voor dien jongen graaf - die in vergelyking van een Amsterdamsen patriciër niet veel meer dan een koelie is - werd onder de handen van myn man omgewerkt in een voorheersende liefhebbery in huishoudelyke bezigheden, als 't inmaken van zuurkool, rolpens e.d., zodat ook aan dien angel, door welken myn al te vurige verbeeldingskracht misschien zoude gewond zyn, de punt is afgebroken.

- Ga nu na dit alles eens te rade by u zelven, mynheer, hoe onmogelyk het is, dat ik de woorden gesproken heb die ge my kwaadaardigerwyze toedicht. Ge schynt weinig omgang met fatsoenlyke vrouwen gehad te hebben, mynheer, anders zoudt gy weten dat zy uitmunten in een onwetendheid, waarin zich de kracht en de wysheid Gods ten duidelykste openbaart...

Daarop volgde nog een en ander in den trant van Klaasje van de Gracht (zie blz. zoveel myner Ideeën) waaronder een verzekering dat ze nooit iets anders had gelezen dan ‘de Schrift’, en dus niet in staat was onkiese uitdrukkingen te gebruiken. Dat ‘dus’ is aardig.

Ik zit zeer met de zaak verlegen. Te meer omdat zy stipt genomen gelyk heeft, en inderdaad geen enkel van de woorden heeft gesproken die ik meende verstaan te hebben, toen ze my sla aanbood.

Dat heeft men er van dichter te zyn. Zo'n wezen meent altyd meer te begrypen dan er te begrypen valt, en schept een wereld... uit 'n paar slablaadjes. Myn besluit ten aanzien dezer rechts-kwestie is genomen. Ik zal ronduit schuld bekennen, en betuigen dat ik die dame voor zeer onwetend houd.

Nu de andere zaak. Die is erger, en ook daarin zal ik waarschynlyk succomberen, én omdat ik alweer ongelyk heb én omdat myn tegenparty ditmaal geen onwetende dame is, maar integendeel bestaat uit een verzameling van mannen die byzonder veel weten. Ik heb myn hand gestoken... niet in een wespennest - want myn vyanden zyn leeuwen - niet in een leeuwenhol - want hun getal is legio als van een wespenzwerm... nu, maak de vergelyking maar in orde.

De beschuldiging ‘overzulks’ welke ik ditmaal ter verantwoording word geroepen, luidt: ‘wegens het zyn lezers in den waan getracht hebben te brengen...

Oef!

...dat de corporatie der Nederlandse dag-, week-, maand-, jaar- en vlugschriftenvervaardigers alleen daarom den heer Lion met vereende pogingen tracht te doen voorkomen als iemand van “byzondere gemeenheid” dewyl gezegde dag-, week-, maand-, jaar- en vlugschriftenvervaardigers jaloers zouden zyn van...

Jaloers van! style Klaasje Zevenster.

...jaloers zouden zyn van de talenten diens redacteurs, een insinuatie, dewelke gezegde dag-, week-, maand- enz. vervaardigers zoude blootstellen aan den haat en de verachting hunner medeburgers.’

Wat moet ik nu doen? Eerlykheid komt in rechten niet te pas. Anders zou ik zeggen, dat ik juist, precies, ‘bepaald’ zelfs, gemeend heb wat ze my ten laste leggen. Het gevolg is een veroordelend vonnis. En als ik aan myn woorden een andere uitlegging tracht te geven... als ik aan 't knoeien ga, dan verlies ik 't ook, want dat verstaan die dag-, week- enz. vervaardigers beter dan ik.

Ik zie een moeilyke toekomst tegemoet. Met het oog op de wraakzucht dier onwetende dame (P.G.) bereid ik me voor tot de oplossing van 't ingewikkeld vraagstuk, hoe men in twee gevangenissen tegelyk kan worden opgesloten.

Een troost blyft me over. Enkel of dubbel gevangen, gedurende den tyd myner afzondering zal ik niet in de gelegenheid zyn myn straf te verzwaren door 't ‘genieten’ der producten van de heren die... niet jaloers zyn op talent, o neen!

De markies verliet een ogenblik 't salon. Toen hy terugkwam, trapte hy op 't staartje van een discours dat in zyn afwezigheid...

- Lion beschermen... Dagblad pryzen... verkocht aan het behoud...

Gelyk alle staartjes waarop men trapt, kronkelde ook dit staartje weg, en verborg zich onder: mooi, warm, guur weer vandaag, en iets over de opera...

- Ja, 't is guur, en de opera is tegenwoordig... zó zó, zei de markies terwyl hy wat snuif van z'n jabot afknipte.

In Klaasje Zevenster en dergelyke prachtstukken laat de auteur z'n helden altyd een haaltje aan pyp of sigaar doen als hy verlegen is om een stopzin. Een markies geeft men snuif en jabot voor zulke gelegenheden.

En waarom voert ge hier een markies in? 't Is om op causerietoon te kunnen blyven, en daardoor 't recht te kopen niet nog magerder te worden dan ik ben. Waar zou 't heen, als ik toegaf in de verontwaardiging die elken weldenkende bezielen moet by 't vernemen van zulke lasterpraatjes. Waarmee toch heeft ‘het behoud’ verdiend dat men het tentoonstelle als verkwistend? Zou men de zo zuur byeengebrachte penningen voor evangelisatie, (liefst buitenslands, en zo ver af mogelyk) voor bybels, (zonder één enkel apocrief boek er in) zou men, als ongetrouwe rentmeesters, zulke tot heilige doeleinden byeen gezamelde gelden wegwerpen aan iemand die de onheiligheid zelve is? Laster! Ik verzoek ernstig myn vrienden den behouders zulke ongerymde beschuldigingen niet naar 't hoofd te werpen, beschuldigingen te zotter, daar toch ieder weten kan dat de ware behouder, op 't punt van liberaliteit byna zo vasthoudend is, als de liberalen zelf. Hadde men nog de vooruitgangsmannen beschuldigd my te hebben omgekocht... de zaak ware min gevaarlyk geweest, dewyl by de bekende offerzucht der liberalen, niemand daaraan 't minste geloof zou hebben geslagen. Voor belangstellenden diene dus a governo dat ik nog altyd te koop ben. Voor f 10.000 's jaars wil ik pégé worden. Voor f 20.000 bewys ik dat vrye arbeid op Java, geen leugen is. Voor f 30.000 zou ik my verbinden aan te tonen dat de Septuaginta de élite van 't Nederlandse volk en de Thorbeckiaanse kieswet een pronkstuk is. Met f 40.000 zou men 't betoog kunnen kopen dat Mr Van Twist een kundig, yverig, bekwaam landvoogd geweest is... neen, wel beschouwd kan ik 't er niet voor doen. Maar ik wacht een bod, te adresseren op z'n buiten by Deventer, waar ik zal gaan logeren zodra ik uit myn gevangenissen kom.

Die man praat nog altyd mee, zelfs over Indische zaken, waarin hy, gelyk ieder weet, een ware specialiteit is. Men verzekert dat hy druk bezig is met een maleis woordenboek dat in het licht zal verschynen tegelyk met 's mans ‘beredeneerd overzicht der belangrykste gebeurtenissen in Nederlands-Indië gedurende het beheer van den schryver, beschouwd in verband met art. 55 van het Regerings-reglement’. Dit stuk zal, evenals het woordenboek, dat reeds tot ‘ada baai’ gevorderd is, in echt-christelyken geest geschreven zyn, en o.a. een heldere toelichting bevatten van het bekende kuisheidsbesluit. De schryver - geen enkelen lauwer ongeplukt willende laten, en niet geheel zonder yverzucht op Ten Kate die Genesis op geologische rymen gezet heeft - stelt zich voor een dichterlyk quodlibet te leveren waarin de Banjermasinse moorden, de rystlevering op Banka en al de jongelui die door het joséfisch besluit radicaal verongelukt zyn, tot een harmonisch geheel worden samengesmolten.

Behalve door dezen letterkundigen arbeid blyft de heer Van Twist zich byzonder onderscheiden op staatkundig gebied. Men heeft aardschudding waargenomen in de buurt der grafsteden van Adam Smith. By het behandelen der zegelwet heeft de edele man de treffende opmerking gemaakt, dat in een staat welks begroting geen excedent opleverde, elke afschaffing van belastingen moest vergezeld gaan van een equivalent. De te grote bescheidenheid van den spreker heeft weder belet hem te verstaan, en ik heb redenen te geloven dat het byblad den moed niet gehad heeft 's mans redevoering ongeschonden over te nemen. De meeste heren namelyk waren van oordeel dat het equivalent welks noodzakelykheid door Mr Van Twist was ontdekt, moest worden gevonden in den jenever. Daartegen verzette zich, als ik wel geïnformeerd ben, de edele man. Het zo valselyk gesuppri-meerd advies van den menslievenden staats-wysgeer luidde dat: er een herziening van het kadaster nodig was; dat de grondbezitters veel te laag waren aangeslagen in de algemene lasten; dat hy voor zich z'n buitenplaats aanbood... zyn dierbaar Buffelrust... Het spookt er, moet ge weten!

Het gerucht dat alle leden der Eerste Kamer - grondeigenaars! - dit voorbeeld zouden gevolgd hebben, schynt evenwel ongegrond te zyn, en wel uit vrees voor het verkleinen van des heren Duymaers edelmoedigheid. De algemene smaak is op den jenever gevallen - ik bedoel op een equivalent door verhoging van accyns op dien drank - en 't is te voorzien dat eerlang slechts een man van middelen zich 't genot der dronkenschap zal kunnen veroorloven.

De tribune is onbeschaamd. Verbeeld u, sedert enigen tyd, (laat genoeg!) zyn de rechtbanken op 't lumineuse idee gekomen dat groothandelaars, in het bezit gevonden wordende van gesloken jenever, vervolgbaar zyn. Nu, de heer Van Twist dacht er ook zo over, en hy behandelde dit zo moeilyk thema met z'n gewoon talent. Doch zie, ietwat duizelig van z'n kruistocht tegen sopi-gelap, gleed hy uit op de helling van zyn welsprekendheid, en zonk weg in den afgrond van 't spreekwoord: ‘de heler is zo goed als de steler’. Daarop vernam men gemor onder het publiek, dat deze aanhaling ongepast vond in den mond van den man die Slymering in bescherming had genomen tegen Havelaar. Om zulke vitteryen tegen te gaan is er, naar ik verneem, een ontwerp van wet in behandeling waarby bepaald wordt, ieder die als opperhoofdheler van knoeiery bekend staat, en op een gepast ogenblik weet te zwygen ‘uit vrees voor schyn van partydigheid’ een diploom uit te reiken als lid der Eerste Kamer en de eigendomsbewyzen van een mooie buitenplaats.

Ik hoop dat men toch behoorlyk nieuwsgierig wezen zal naar de oorzaak der vreugde die my bezielde, toen ik met zoveel gejuich deze causerie aanving. Welnu, de zaak is dat ik nu eindelyk weet waartoe een dagblad dient. Ik had er vaak over gedacht, veel gepeinsd, diep onderzocht, ernstig gestudeerd... maar eerst nu is me die cirkelkwadratuur helder voor ogen gelegd. Ik kan 't nu prompt opzeggen tot den 1000sten decimaal toe, ja verder nog. Wie is de edelmoedige die my zo op de hoogte heeft geholpen? Lieve lezer, 't staat in alle letters te lezen in het Handelsblad van den 9den April. Om u deelgenoot te maken van myn vreugde en van myn verrassing, wil ik de gehele... kwadratuur voor u afschryven. Het Handelsblad spreekt:

‘Wy van onze zyde hebben nooit ontveinsd welk gevaar ons bedreigde door de concurrentie welke van een ongezegelde journalistiek te wachten is, en voor welke wy thans staan. Toch hebben wy ons aangesloten by de beweging ten gunste ener inderdaad vrye drukpers, en verheugen ons oprecht in haar verkregen uitslag. Wy zullen niet in gebreke blyven haar gevolgen in ons blad te doen blyken. Voortbouwende op den verkregen en gevestigden grondslag, wensen wy, in plaats van den zegelstempel die verdwynen zal, onzen lezers datgene te verschaffen wat een goed blad zyn moet: een helderen spiegel van al wat...’

Als ik nu werkelyk causeerde en dezen passus in gezelschap voorlas, in plaats van 't vry vervelend overschryven, zou ik hier afbreken, en een spelletje voorslaan. Toch zal ik 't beproeven. We zyn met ons, niet waar? Komaan, ieder legt een schaap in, wie 't raadt, krygt de hele kudde. De jongste 't eerst.

- Moet het rymen, Markies?

- O neen, hoe ongerymder hoe beter. Begin maar.

- Ik denk dat de zaak in verband staat met het nieuwe papillottenpapier, dat de firma Koster - zonder bluf ditmaal - in alle couranten adverteert...

- Mis, zei de markies. A d'autre!

- Ik denk dat ze voortaan veel marge zullen geven in de courant, en dat het papier gesatineerd zal zyn...

- Mis, zei de markies. A d'autre!

- 't Zal een reclame zyn van een spiegelfabrikant.

- Mis, zei de markies. A d'autre.

- Helder? Een spiegel? Wel, ik denk dat het Handelsblad een huishoudkundigen cursus gaat houden. 't Is een aansporing om die gladde verlokkers tot ydelheid braaf met jenever en kryt te poetsen.

- Mis, mis, alles mis, riep de markies. Ik zal u wat op den weg helpen: er moet wat van de zon in komen.

- Het Handelsblad moet voortaan al z'n tegenstanders blind schitteren!... Een zonnetelescoop?... Een mirage?... Een fata morgana?... Een... een... een... ik weet niet meer. Lieve markies, neem gy de schapen, en vertel ons wat dat voor 'n ongestempelde spiegel wezen zal?

Ziehier. 't Handelsblad spreekt weer:

‘een heldere spiegel van al wat by den dagelyksen loop der aarde om de zon de aandacht van den ontwikkelden aardbewoner verdient’.

Is dat niet fraai! En begrypt ge nu myn vreugde? Is 't niet heerlyk zo op eenmaal - dat heet: na 1 Juli - in zo'n spiegel te mogen kyken?

Ontwikkelde aardbewoner, lees! Ontwikkelde aardbewoner, juich!

En nu na de vreugd - helaas, elke actie geeft reactie! - na de vreugd, het nadenken en - wie weet! - misschien treurigheid. Vooreerst, gaat dat: ontwikkelde aardbewoner ons aan? Zou wellicht de scherpzinnige - voortaan ongestempelde - redacteur daarmee een flink uit de kluiten gewassen mol bedoeld hebben? En wat doet er die zon by? En die dagelykse omloop? Zou er een kruistocht op til zyn tegen den eerbiedwaardigen dominee Knack te Berlyn, die van de nieuwerwetse sterrenkunde niets weten wil, en Copernicus om de oren slaat met Josua X, vs. 12, 13?

De heer Esser houdt nog altyd predikatiën op straat. Ik bevond me eenmaal onder zyn gehoor. Myn medetoehoorders waren voor 't merendeel kinderen. De weinige volwassenen die pour la rareté du fait staan bleven, schenen - als ik - dit meer te doen uit nieuwsgierigheid dan uit bepaalde begeerte om zalig te worden. My stemde des heren Essers welsprekendheid treurig, en - wie verklaart onze aandoeningen? - ik was beschaamd toen iemand my vraagde of die straat-preker inderdaad ‘resident in de-n-oost’ was geweest? Ik moet echter betuigen dat ik de krankzinnigheid van den heer Esser voor welgemeend houd en - om nu toch te eindigen met iets wat een quasi-politieken tint heeft - om de welmenendheid zag ik hem liever in de Kamer, dan zovelen die zich aanstellen alsof ze niet krankzinnig waren.

Zal 't verbeteren na het ‘vry verklaren der Pers’? Ik betwyfel het. Niet de wetten schenken of ontnemen vryheid; dat doen de zeden. De zeden nu in Holland... waarlyk Rochefort is Napoleon III een mooie chandelle schuldig. Hier zou z'n lanterne in den modder gesmoord zyn, waaraan dan ook - ik erken dit - niet veel verbeurd geweest ware.