Multatuli.online

Volledige Werken. Deel 1. Geloofsbelydenis. Max Havelaar [enz]

Geloofsbelydenis

Geloofsbelydenis

Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandse Handelmaatschappy

Aan E.H.v.W.

Eerste hoofdstuk

Tweede hoofdstuk

Derde hoofdstuk

Vierde hoofdstuk

Vijfde hoofdstuk

Zesde hoofdstuk

Zevende hoofdstuk

Achtste hoofdstuk

Negende hoofdstuk

Tiende hoofdstuk

Elfde hoofdstuk

Twaalfde hoofdstuk

Dertiende hoofdstuk

Veertiende hoofdstuk

Vijftiende hoofdstuk

Zestiende hoofdstuk

Zeventiende hoofdstuk

Achttiende hoofdstuk

Negentiende hoofdstuk

Twintigste hoofdstuk

Aantekeningen en ophelderingen

Aantekeningen en ophelderingen

Brief aan ds. W. Francken Az.

Aan den schrijver van Max Havelaar De koffieveilingen der handelmaatschapplj

Aan den weleerwaarden heer W. Francken Az. Directeur van het zendelinggesticht te Rotterdam

Aantekeningen

Brief aan den gouverneur-generaal in ruste

Max Havelaar aan Multatuli

Aantekeningen

Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel

Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel

Max Havelaar aan Multatuli

Max Havelaar aan Multatuli

Het gebed van den onwetende

Het gebed van den onwetende

Aantekeningen

Wys my de plaats waar ik gezaaid heb

Wys my de plaats waar ik gezaaid heb!

Naschriftje

Aantekeningen

Verantwoording

Verantwoording

Geloofsbelydenis

Max Havelaar

Brief aan ds. W. Francken Az.

Brief aan den gouverneur-generaal in ruste

Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel

Max Havelaar aan Multatuli

Het gebed van den onwetende

Wys my de plaats waar ik gezaaid heb

Alphabetische lijst van verklaringen

Alphabetische lijst van Indonesische woorden


Zevende hoofdstuk

De Resident van Bantam stelde den Regent en den kontroleur aan den nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten hoffelyk. Den kontroleur - er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van een nieuwen chef - zette hy door enige vriendelyke woorden op zyn gemak, als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die het verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting zoals dit behoorde met een persoon die den gouden pajoeng voert maar die tegelykertyd zyn ‘jonger broeder’ wezen zou. Met deftige minzaamheid berispte hy hem over zyn te groten dienstyver, die in zúlk een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeling gevoerd had, hetgeen dan ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had behoeven te doen. - Waarlyk, mynheer de Adipati, ik ben boos op u dat ge u zoveel moeite gegeven hebt om mynentwil! Ik dacht u eerst te Rangkas-Betoeng aan te treffen.

- Ik wenste den heer adsistent-resident zo spoedig mogelyk te zien om vriendschap te sluiten, zei de Adipati.

- Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te paard nogal.

- Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog altyd vlug en sterk.

- Dat is te veel gevergd! Nietwaar, resident?

- De heer Adipati. Is. Zeer.

- Goed, maar er is een grens.

- Yverig, sleepte de resident achterna.

- Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nog eens zeggen, als om het vorige terug te slikken. Als u het goed vindt, resident, zullen we plaats in den wagen maken. De baboe kan hier bly-* 
ven, we zullen haar een tandoe zenden van Rangkas-Betoeng. Myn vrouw neemt Max op den schoot... nietwaar, Tine? En dan is er plaats genoeg.

- Het. Is. My.

- Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in...

- Wél! zei de resident.

- Ik zie niet in, waarom ge zonder noodzaak te paard door den modder zoudt klepperen... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel wat schikken? Hier, Max... zie eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is myn kleine jongen... dat is Max!

De resident had met den Adipati in de pendopo plaats genomen. Havelaar riep Verbrugge, om hem te vragen wien die schimmel behoorde met rode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang der pendopo trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den schouder, en vroeg:

- Is de Regent altyd zo dienstyverig?

- 't Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat hy gaarne een goeden indruk op u maken zou?

- Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord... hy is beschaafd, niet waar?

- O ja...

- En hy heeft een grote familie?

Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeilyk. De vlugheid van zyn geest deed hem in gesprekken meermalen enige schakels der redenering overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in zyn gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek... of hoe is het?

Zoiets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:

- Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.

- En zyn er Mesdjids in aanbouw in de afdeling? ging Havelaar voort, alweder op een toon die, geheel in tegenspraak met de * 
woorden zelf, scheen aan te duiden dat er verband bestond tussen die moskeeën en de ‘grote familie’ van den Regent.

Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeeën gearbeid werd.

- Ja, ja, ik wist het wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel achterstand is in de betaling van de landrenten?

- Ja, dat kon wel beter zyn...

- Juist, en vooral in het distrikt Parang-Koedjang, zei Havelaar, als vond hy het gemakkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit jaar? ging hy voort, en toen Verbrugge enigszins weifelde, als om zich op het antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in één adem aldus vervolgde:

- Goed, goed, ik weet het al... zes-en-tachtig duizend en enige honderden... vyftien duizend meer dan in het vorige jaar... doch maar zesduizend boven het jaar 1845. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit gegaan... en ook de bevolking is zeer schraal... nu ja, Malthus! In twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dat is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig... en nog! Van 1850 op 1851 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit... dat is een slecht teken, Verbrugge! Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof dat het koldert... kom eens kyken, Max!

Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te leren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door ‘lokale anciënniteit’ wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.

- Maar het is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm nam. In het Tjikandische en Bolangse zyn ze er heel bly om... en de opstandelingen in de Lampongs ook. Ik beveel me zeer aan voor uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en dus moeten we... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd? Alles saâmgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid verdient... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zo armoedig is, en... hoop hier lang te blyven.

Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkerende naar de tafel waar de resident, de Adipati en mevrouw Havelaar gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf * 
minuten vroeger, dat ‘die Havelaar zo gek niet was’ als de kommandant meende. Verbrugge was volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeling Lebak kende, nagenoeg zo goed als een zo grote landstreek, waar niets gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kán, begon in te zien dat er toch verband was tussen de schynbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit de afdeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy nog altyd die vreugde niet over de armoede in Lebak, maar hy dacht die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en edels er was in die vreugde.

Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder het gebruiken van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den resident kwam berichten dat de verse paarden waren voorgespannen. Men pakte zich zo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door het hotsen en stoten viel het spreken moeilyk. Kleine Max werd rustig gehouden met pisang en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt niet bekemien dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den zwaren jongen te ontlasten. In een ogenblik van gedwongen rust in een moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?

- M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.

- Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou niet gaarne...

- Dat. Het. Goed. Was, sleepte de resident er met veel moeite by.

- Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár omstandigheden! Zo iets spreekt vanzelf... niet waar, Tine?

Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.

- U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng, zei Verbrugge. Er is ruimte in overvloed voor twee familiën.

- Maar, al was dit zo niet...

- Ik. Durfde. Het. Haar.

- Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!

- Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.

- Al waren ze met hun tienen, als ze het maar voor hef nemen by ons.

- Een. Grote. Last. En. Zy. Is.

- Maar het reizen in haar positie is onmogelyk, resident!

Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een uitroepingsteken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke hè! geroepen, dat op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de pisang weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er by te voegen:

- Een. Inlandse. Vrouw.

- O, dat is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus geregeld was, en daar het spreken zo moeilyk viel, brak men het gesprek af.

Die mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorlopig belast met het ambt van adsistent-resident, zou het recht gehad hebben, gedurende dien tyd de ruime woning te betrekken, die te Rangkas-Betoeng, zoals in elke afdeling, van landswege voor het hoofd van het gewestelyk bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk uit vrees dat hy te spoedig opnieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelyk om het gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen over te laten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry grote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op hetzelfde ‘erf’ nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in weerwil van den enigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter bewoning.

Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te bewonen tot na haar verlossing, die zy over enige maanden tegemoet zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zo geredelyk was toegestaan, want gastvry en hulpvaardig waren ze in de hoogste mate.

De resident had gezegd dat mevrouw Slotering een ‘inlandse vrouw’ was. Dit vereist voor niet-Indische lezers enige opheldering, daar men al licht tot de onjuiste mening geraken zou hier met een eigenlyk-Javaanse te doen te hebben.

De Europese maatschappy in Nederlands-Indiën is vry scherp in twee delen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en zy die - hoewel wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkerende - niet in Europa geboren zyn, en min of meer inlands bloed in de aderen hebben. Ter ere der begrippen van menselykheid in Indië, haast ik me hier by te voegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in het maatschappelyk verkeer wordt getrokken tussen de twee soorten van individuen, welke tegenover den inlander gelykelyk den naam van Hollander dragen, deze afscheiding evenwel geenszins het barbaars karakter bezit, dat in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft bestaan, en dat het woord liplap my meermalen in de oren klonk als een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: ‘niet voor vol wordt aangezien’, maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting horen voorstellen en verdedigen als een principe. Het staat natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het den eigenlyken Europeaan met euvel duiden, wanneer hy den omgang met heden van zyn landaard voortrekt boven het verkeer met personen die - hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in het midden gelaten - zyn indrukken en denkbeelden niet delen, of - en dit is misschien by vermeend verschil van beschaving, zeer dikwyls de hoofdzaak - wier vooroordelen een andere richting hebben genomen dan de zyne.

Een liplap - om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden, zou ik moeten zeggen een ‘dusgenaamd inlands kind’ maar ik vraag vergunning me te houden aan het spraakgebruik dat uit allitteratie geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beledigends bedoel, en wat betekent het woord dan ook? - een liplap heeft veel goeds. Ook de Europeaan heeft * 
veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, en ook daarin dus gelyken zy elkaar. Maar het goede en verkeerde dat beiden aankleeft, loopt te veel uit elkander, dan dat hun verkering over het algemeen tot wederzyds genoegen kan strekken. Bovendien - en hieraan heeft de Regering veel schuld - is de liplap dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen zou, als hy zo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke ontwikkeling van den liplap in het algemeen zyn gelykstelling met den Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy als individu, in beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een bepaalde Europese persoon verdienen zou. Ook hierin is weder niets nieuws. Het lag ook by voorbeeld in de staatkunde van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandiër te verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandiër beriep zich gaarne op het overwicht der Normandiërs in het algemeen, om zyn persoon ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zoude geweest zyn zonder den invloed zyner stamgenoten als bovenliggende party.

Uit zo iets wordt natuurlyk in het verkeer zekere gedwongenheid geboren, die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgerige onbekrompen inzichten en maatregelen van het bestuur. Dat de Europeaan, die in zulke verhoudingen aan den winnenden kant is, zich in dit kunstmatig overwicht gemakkelyk schikt, spreekt vanzelf. Maar dikwyls is het koddig, iemand die zyn beschaving en taal grotendeels in de Rotterdamse Zandstraat opdeed, den liplap te hooren uitlachen omdat deze een glas water en het gouvernement, mannelyk, en zon of maan onzydig maakt.

Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd - er zyn er zo! - zodra de Europeaan, die zich ziek hield om achter te blyven van het schip waarop hy borden waste, en die zyn beleefdheid baseert op ‘uwee’ en ‘verexkuseer’ aan het hoofd staat van de handelsonderneming die zo ‘enorm’ gewonnen heeft op de indigo in 1800 zoveel... neen, lang vóór hy de ‘toko’ bezat, waarin hy hammen en jachtgeweren verkoopt - wanneer zo'n Europeaan opmerkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de h en de g uit elkaar te houden, lacht hy over de * 
domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is tussen een hek en een gek.

Maar, om daarover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het Arabisch en Maleis de cha en de hha door één karakter worden uitgedrukt, dat Hieronymus via Geronimo in Jerôme overgaat, dat we van huano, guano maken, dat een want een handschoen is, dat kous van hose afstamt, en dat we voor Guild Heaume in het Hollands Huillem of Willem zeggen. Zoveel eruditie is veel gevergd van iemand die zyn fortuin maakte ‘in’ de indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelary... of erger!

En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!

Ik begryp hoe Willem van Guillaume komt, en moet erkennen dat ik, vooral in de Molukken, vele ‘liplappen’ heb leren kennen, die me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op het denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten dienste stonden, dikwyls - en niet vergelykenderwyze alleen - verre ten achteren staan by die arme paria's die van de wieg af hadden te stryden met een kunstmatig-onbillijke ondergeschiktheid, en het zot vooroordeel tegen hun kleur.

Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in het Hollands, omdat ze nooit anders dan Maleis sprak. We zullen haar later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleine Max thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residentswoning te Rangkas-Betoeng, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stoten, eindelyk behouden aankwam.

De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident in zyn ambt te bevestigen, gaf den wens te kennen nog dienzelfden dag naar Serang terug te keren:

- Omdat. Hy.

Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed...

- Het. Zo. Druk. Had.

... en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de grote voorgalery der woning van den Regent zou byeenkomen. Verbrugge, hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden, den Patih, den Kliwon, den * 
Djaksa, den belasting-kollecteur, enige mantri's, en voorts aan alle inlandse beambten die deze plechtigheid moesten by wonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen.

De Adipati nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 'tgeen haar zo goed voorkwam voor kleine Max die veel in de lucht moest. De resident en Havelaar hadden zich ieder in een kamer begeven om zich te verkleden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou, was het officieel voorgeschreven kostuum een vereiste. Rondom het huis stonden honderden mensen, die ofte paard den wagen van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen hoofden behoorden. De politie- en bureau-oppassers liepen bedryvig heen en weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds voor een ogenblik werd afgebroken door wat leven.

Weldra reed de fraaie wagen van den Adipati het voorplein op. De resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de woning van den Regent, waar ze met muziek van gongs en gamelans ontvangen werden. Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een groten kring, naar Oosterse wyze op matten op den grond, en aan het einde der lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de Adipati, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal hoofden plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon.

De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor, waarby de heer Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeling Banten-Kidoel of Zuid-Bantam, zoals Lebak door de inlanders genoemd wordt. Hy nam daarop het staatsblad waarin de eed stond die tot de aanvaarding van bedieningen in het algemeen voorgeschreven is, en houdende: ‘dat men om tot het ambt van... te worden benoemd of bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en getrouw zal zyn aan zyne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam aan zyner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men stiptelyk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die gegeven zyn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal gedragen gelyk een goed... (hier: adsistent-resident) betaamt.’

Hierop volgde natuurlyk het sakramentele: ‘zo waarlyk helpe my God Almachtig.’

Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: de inlandse bevolking te zullen beschermen tegen uitzuiging en onderdrukking. Want, zwerende dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om in te zien dat eigenlyk een by zondere eed hieromtrent niet te pas kwam. Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man nog eens uitdrukkelyk vermeld wordt, en Havelaar nam andermaal ‘God Almachtig’ tot getuige, dat hy de ‘inlandse bevolking beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelary.’

Voor een fijnen opmerker zou het de moeite waard zyn geweest, het onderscheid gade te slaan tussen houding en toon van den resident en van Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in het meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd geheel alleen veroorzaakt door het uiteenlopende der karakters van deze beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar hy het besluit en de eden slechts behoefde vóór te lezen, hetgeen hem de moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde van zyn kant alles met een deftigheid en een ernst, die den oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van het gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met opgeheven vinger de eden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding, alsof hy zeggen wilde: ‘dat spreekt vanzelf, ook zonder God Almachtig zou ik dat doen’ en wie menskunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke deftigheid van den resident.

Is het niet inderdaad bespottelyk, te menen dat de man die geroepen is recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen voelt door zyn eigen hart? Wy geloven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by ‘God Almachtig’ het tegendeel beloofd.

Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarin hy hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeling voorstelde, hen uitnodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt na te komen, en dergelyke gemeenplaatsen meer. De Hoofden werden daarop één voor één by name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de ‘installatie’ was afgelopen.

Men gebruikte ten huize van den Adipati het middagmaal, waartoe ook de kommandant Duclari genodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de resident, die gaarne nog dien avond te Serang wilde terug zyn:

- Omdat. Hy. Het. Zo. Byzonder. Druk. Had.

... weder in zyn reiswagen, en zo keerde Rangkas-Betoeng weldra terug tot een stilte, als te verwachten is van een Javase binnenpost die door slechts weinig Europeanen bewoond werd, en daarenboven niet aan den groten weg gelegen was.

De kennismaking tussen Duclari en Havelaar was spoedig op een gemakkelyken voet gebracht. De Adipati scheen ingenomen met zyn nieuwen ‘ouderen broeder’ en Verbrugge verhaalde later dat ook de resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs uitgeleide had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar doortocht naar Lebak enige dagen te zynen huize vertoefde, had uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regering goed aangetekend staande, hoogstwaarschynlyk spoedig tot een hoger ambt bevorderd, of * 
althans naar een meer ‘voordelige’ afdeling verplaatst worden zou.

Max en ‘zyn Tine’ waren eerst onlangs van een reis naar Europa teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer eigenaardig een koffer-leven heb horen noemen. Zy achtten zich dus gelukkig, na veel omzwervens, eindelyk weder eens een plek te bewonen waar zy tehuis behoorden. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar adsistent-resident van Amboina geweest; hy had daar te stryden gehad met veel moeilykheden, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden en oproerigen toestand verkeerde, ten gevolge van de vele verkeerde maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren. Hy had dien geest weten te onderdrukken, met veel energie, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem daarin van hogerhand verleende, en uit ergernis over het slecht bestuur dat sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft... Men trachte te lezen te krygen wat daarover reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd, en kan de publikatiën van dezen mensenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter op geworden!

... hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy kon, maar uit ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had hem bewogen naar Europa te vertrekken. Strikt genomen had hy by wederplaatsing aanspraak gehad op een betere keuze, dan de arme geenszins welvarende afdeling Lebak, daar zyn werkkring te Amboina van groter gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok, sprake van geweest hem tot resident te verheffen en het bevreemdde dus sommigen dat hem thans het bestuur ener afdeling werd opgedragen, die aan kultuur-emolumenten zo weinig opbracht, dewyl velen het belang ener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hogeren rang of meer gewin.

En dit laatste ware hem toch goed te stade gekomen! Want op zyn reizen in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning, en by zyn benoeming naar Lebak nam hy zich met tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid in te halen, in welk voornemen zyn vrouw, die zo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen ondersteunen zou.

Maar zuinigheid viel Havelaar moeilyk. Hy voor zichzelf kon zich tot het strikt-nodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was hem het helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in, beredeneerde met al het gezond verstand dat hem gegeven was, hoe onrecht hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak zou gehad hebben op zyn eigen hulp... gevoelde dit onrecht nog levendiger, wanneer ook ‘zyn Tine’ en Max, die hy beiden zo lief had, te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid... hy verweet zich zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een verkleden prins door te gaan... hy beloofde zich beterschap, en toch... telkens als deze of gene zich aan hem wist voor te doen als het slachtoffer van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En toch had hy bittere ondervinding van de gevolgen dier te ver gedrevene deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat hy het nodige niet om 't yzeren wiegje te kopen, waarin zyn lieveling rusten zou, en weinig tyds tevoren nog had hy de weinige versierselen zyner vrouw opgeofferd, om iemand by te staan, die gewis in beter omstandigheden verkeerde dan hyzelf.

Maar dat alles lag al weer ver achter hen, toen zy waren aangekomen te Lebak! Met vrolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: ‘waar ze nu toch enigen tyd hoopten te blyven.’ Met een eigenaardig genot hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zo comfortabel en gezellig maken zouden. Ze toonden elkaar de plekken waar ze zouden ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, waar hy 's avonds haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had, * 
want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op het papier... en: ‘eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men zien wie haar Max was!’ Maar nooit had hy iets ter perse laten leggen van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom met beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot publiciteit, te vragen: ‘zoudt gy uw dochter op straat laten lopen zonder hemd?’

Dát was dan weer een van de vele boutades, die zyn omgeving deden zeggen dat ‘die Havelaar toch een zonderling mens was’ en ik beweer niet het tegendeel. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke schroomvalhgheid.

Ja, ze zouden gelukkig zyn te Rangkas-Betoeng, Havelaar en zyn Tine! De enige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar Indië, en met de uitgaven voor het meubelen hunner woning. Maar ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk zou hy spoedig resident worden, en dan zou alles geregeld wezen in weinige jaren...

- Hoewel het me spyten zou, Tine, Lebak te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy misschien alles afdoen, ook zonder bevordering... en dan hoop ik lang hier te blyven, heel lang!

Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefde hy tot háár niet te richten. Zy had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid nodig was geworden, doch ze had zich zo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was. Want Havelaar wist zeer goed, dat hy alleen gefaald had door zyn te ver gedreven vrygevigheid, en dat haar fout - áls er dan een fout bestond aan haar zyde - alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor haar Max altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.

Ja, zy had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de Nieuwstraat, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren ‘uitgeweest’ rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder het koddig voorwendsel dat de Koning hem belast had met: ‘het amuseren van oude vrouwtjes, die zich zo goed gedragen hadden.’ Zy vond het goed dat hy de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. Zy begreep volkomen dat hy de logementsrekening van die familie arme zangers betaalde, die terug wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zo nodig hadden voor hun schamel bedryf. Zy kon het niet afkeuren dat hy het meisje tot haar bracht, dat 's avonds op de straat hem had aangesproken... dat hy haar te eten gaf en herbergde, en 't ál te goedkoop ‘ga heen, en zondig niet meer!’ niet uitsprak, voor hy haar 't ‘niet zondigen’ had mogelyk gemaakt. Zy vond het zeer schoon in haar Max, dat hy het klavier liet terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had horen zeggen hoe leed het hem deed, dat de meisjes verstoken waren van hun muziek ‘na dat bankroet.’ Zy begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrykocht te Menado, die zo bitter bedroefd was te moeten stygen op de tafel des afslagers. Zy vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de Minahassa, wier paarden waren doodgereden door de officieren van de Bayonnaise. Zy had er niet tegen dat hy te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der Amerikaanse whalers by zich riep, en zich te grand-seigneur achtte om een herbergiersrekening voor te leggen aan het Amerikaans Gouvernement. Zy begreep volkomen hoe het kwam, dat de officieren van byna elk aangekomen oorlogsschip grotendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd pied-à-terre was.

Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was het niet ongerymd, hem die zo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En bovendien, al mocht er dan soms voor het ogenblik iets onevenredigs wezen tussen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd voor een schitterende loop-baan? Moest hy niet weldra in omstandigheden verkeren, die hem zouden in staat stellen aan zyn groothartige neigingen, zonder overschryding zyner inkomsten den vryen loop te laten? Moest háár Max niet Gouverneur-generaal worden of... een Koning? Was 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds Koning was?

Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid met Havelaar schuld daaraan, en zo ooit, dan zou het hier gelden: dat men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!

Doch, men had haar niets te vergeven. Zonder te delen in de overdreven begrippen die zy van haar Max koesterde, mag men toch aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen zyner vrygevigheid weldra kunnen worden weggenomen. Maar nog een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne schynbare zorgeloosheid.

Zy had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by haar familie opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele brieven van vroegeren tyd, en uit enige losse aantekeningen die zy in een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zo van vadersals van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by haar aandrong op enige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van haar verwanten. Haar grootvader, de baron van W., was met Willem den Vyfde naar Engeland uitgeweken, en ritmeester geweest by het leger des hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke familie een vrolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel. Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader - toen een jongeling van acht-* 
tien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde charge een sabelhouw op het hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht jaren later krankzinnig sterven zou - brieven aan zyn moeder, waarin hy zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar het lyk zyns vaders had gezocht.

Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in Zwitserland, op de wyze zoals thans nog in een groot gedeelte van Duitsland en Italië, die tak van inkomst een apanage uitmaakt der vorsten Turn en Taxis. Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.

Havelaar vernam het weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering, dat de kassette waarvan ik zo-even sprak - en die zy met den inhoud uit een gevoel van piëteit bewaarde, zonder te weten dat daarin misschien stukken waren, die belang hadden uit een geldelyk oogpunt - op een onbegrypelyke wyze was verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere omstandigheden, de mening dat hierachter een roman intime verscholen lag, en men mag het hem niet euvel duiden, dat hy, die voor zyn wyze van leven zóveel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien nemen.

Hoe het nu zy met het bestaan van dien roman, en of er al dan niet spoliatie had plaats gehad, zeker is het dat er in Havelaars verbeelding iets geboren werd, wat men een rêve aux millions zou kunnen noemen.

Eigenaardig is het echter weder, dat hy die zo nauwkeurig en scherp het recht van een ander - hoe diep ook begraven onder stoffige akten en dikwebbige chicanes - zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier waar zyn eigen belang in het spel was, met slordigheid het ogenblik verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy scheen iets als schaamte te gevoelen, omdat het hier zyn eigen voordeel gold, en ik geloof zeker, wanneer ‘zyn Tine’ gehuwd ware geweest * 
met een ander; met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag te verbreken, waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy geslaagd zou zyn ‘de interessante wees’ in het bezit te stellen van het vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees zyn vrouw, háár vermogen was het zyne, hy vond er dus iets koopmansachtigs in, iets derogerends in haar naam te vragen: ‘zyt ge my niet nog iets schuldig?’

En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf.

Eerst kort voor het terugkeren naar Java, toen hy reeds veel geleden had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten buigen onder de furca caudina van menigen schuldeiser, had hy zyn traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen, om werk te maken van de millioenen die hy meende nog tegoed te hebben. En men antwoordde hem met een oude rekening-courant, een argument zoals men weet, waartegen niets valt in te brengen.

Maar ze zouden zo spaarzaam wezen te Lebak! En waarom ook niet? Er lopen in zulk een onbeschaafd land, zo 's avonds geen meisjes over straat, die een weinig eer te verkopen hebben voor een weinig voedsel. Er zwerven daar zo geen mensen rond, die van problematische beroepen leven. Dáár valt het zo niet voor, dat een gezin opeens tegronde gaat door wisseling van fortuin... en van zodanigen aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die afdeling was zo gering dat het niet in aanmerking komen kon, en de Javaan te Lebak te arm, om - by welke lotwisseling ook - belangwekkend te worden door nog grotere armoede. Dat alles overdacht Tine zo niet - hiertoe toch had zy zich, juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden - maar er lag in hun nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen - met meer of min vals-romanesken tint dan - die vroeger Havelaar zo dikwyls hadden doen zeggen:

- Nietwaar, Tine, dát is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken kan?

En waarop zy altyd geantwoord had:

- Wel neen, Max, dááraan kan je je niet onttrekken!

We zullen zien hoe het eenvoudige, schynbaar onbewogen Lebak Havelaar meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart tezamen genomen.

Maar dat wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen tegemoet, en voelden zich zo gelukkig in hun liefde, en in het bezit van hun kind...

- Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook rampé en tjempaka, en zoveel melati, en zie eens die schone leliën...

En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En toen 's avonds Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar, terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de kinderlyke vrolykheid van de nieuw aangekomen familie.

Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot den volgenden morgen.