Multatuli.online


[Vervolg]


De bescherming der inlandse bevolking tegen willekeur, van wien ook, is een der gewichtigste plichten van den Gouverneur-Generaal.
Hy zorgt dat de besturende ambtenaren de daaromtrent bestaande of nader uit te vaardigen verordeningen stiptelyk nakomen, en dat den inlanders overal gelegenheid gegeven worde om vryelyk klachten in te leveren.
Art. 55. Indisch Regerings-reglement


De kwestie over Vryen Arbeid is geen kwestie. Besteel den Javaan niet, plunder hem niet, vermoord hem niet,... dan zal er over enigen tyd blyken of hy vrywillig arbeiden wil.
Ik
... That is the question...
Shakespeare's Hamlet

There is something rotten in the State! Zo eindigde het eerste gedeelte dezer brochure, die ik eensklaps afbrak om reeds dadelyk als myn innige overtuiging te verklaren dat Vrye arbeid in Indië, op dezen ogenblik leugen is. Ik wilde die mening publiceren voor ze 't uitvloeisel kon schynen van eigenbelang.

Ja, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting, Nederlanders, is leugen. Van boven tot beneden heerst leugen.

De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den ogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neerzygen onder de klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders!

Uw Tweede Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op die leugen, en brengt, na 't horen van een zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite de leugen voort, dat ze die opgediste andere leugen met genoegen heeft vernomen. Daarop houdt ze zich bezig met het beoordelen der wetten, haar voorgelegd door Ministers die zich alweer niet kunnen staande houden zonder leugens. En de beraadslaging, die reeds leugenachtige données behandelt, die beraadslaging zelve is leugenachtig. Want by uw Vertegenwoordiging, Nederlanders, wordt niet gevraagd naar de strekking der behandelde wetten, de vraag is of 't belang van de party meebrengt, dat deze of gene Minister aan 't bestuur blyve. Er wordt in uw Kamer handel gedreven in stemmen. Men biedt hulp in een accynskwestie, ter betaling voor 't zwygen over... dat andere. Delft zal Twente steunen in z'n linnenkraam, à titre de revanche voor Delftse boter. De eikenkroon voor den neef van... zekeren heer, is de beloning voor 't intrekken van dat laatste amendement. Een lange straatweg die uitloopt op X. en de buitenplaats voorbygaat van een geacht lid, wordt betaald met een nog langer redevoering die alles voorbygaat, en op niets uitloopt. Uw Tweede Kamer, Nederlanders, is een markt van stemmen. Wie 't meest biedt, mynt. Wie zelf niet bieden kan, associëert zich met een of andere compagnieschap die ze ‘staatkundige party’ noemen. Als er evenwicht is tussen bod en behoefte, ontstaat er een ministeriële crisis. Wordt dat evenwicht verbroken, dan komt de meerderheid op 't kussen, en blyft daar tot de minderheid op haar beurt weer hoger bod kan doen.

De waar die men op deze markt verkoopt, is nooit de tentoongestelde of geannonceerde. 't Is daarmee als met sommige winkeliers, die handschoenen of sigaren voor 't venster leggen als pretext voor 't handeldryven in meisjes achter de toonbank.

Op die markt spreekt men over eerlykheid, en bedoelt winst. Over begrippen, meningen, inzichten, overtuiging, en bedoelt belang. Over rechtskwestiën, en bedoelt onrecht. Over staathuishoudkunde, en bedoelt diefstal. Over vryheid, en bedoelt dwingelandy. Over mensenrecht, en bedoelt moord.

De schoonste redevoering, die ooit gehouden werd in een vergadering van vertegenwoordigers, is van Cromwell. Schrikt niet, lezers, lang is ze niet, ziehier:

‘You are no parliament! I say You are no parliament! Begone, and give place to honester men. What shall we do with that bauble? Take it away...’

To honester men... maakt plaats voor eerlyker lui! Juist. Cromwell had een zeer eigenaardige manier om plaats te maken, maar dewyl gy, Nederlanders, nu eenmaal langzamer te werk gaat, raad ik u aan toch alle middelen die u ten dienste staan te beproeven, om Cromwell's doel te bereiken, hoe langzaam en vervelend dan ook die middelen werken. Ge hebt de zogenaamde vryheid van verkiezingen. Maakt daarvan nu en dan eens gebruik, en verbeeldt u niet dat ge 't doet door uw candidaten te zoeken op de voorzyden uwer couranten, of in de aanbevelingslysten der kieskollegiën. Tracht door eigen inzicht te geraken tot honester men in uw Kamer. Toont dat ge misselyk zyt van al 't gekibbel over voorgewende kwestiën. Toont dat ge waarheid eist, en u verzadigd voelt, tot walgens toe verzadigd, van parlementaire leugens.

Want het zyn leugens, de kwestiën waarmee ze zichzelf en u bezig-houden, Nederlanders!

't Is de vraag niet of de Javaan moet worden uitgezogen door liberale of door behoudende bloedzuigers. De vraag is: of hy moet mishandeld worden, door wien ook?

En op deze vraag is slechts één antwoord mogelyk: neen!

Dat staat duidelyk geschreven in het Regeringsreglement, en duidelyker nog - o veel duidelyker! - in 't hart van ieder die daarin een betere godsdienst omdraagt, dan er valt van buiten te leren uit een oud boek.

Zolang men in uw Kamers die vraag niet durft te berde brengen... zolang daar niet zal opstaan de oprechte derde party, de party van waarheid, de party die zonder vasthouden aan kinderachtige stelseltjes, de hóófdzaak behandelt, en aan die hoofdzaak alle byzaken ondergeschikt houdt... zolang men in die Kamer vragen zal: zyt ge behoudend of liberaal, instee van plichtsvervulling te eisen van liberalen en behouders beiden... zolang men daar luistert naar onverstane redevoeringen over Vryen arbeid en Kultuurstelsel, en intussen door stilzwygen goedkeurt dat uw prachtig Indië wordt bedorven door onbekwame gouverneurs... zolang men daar blyft doorwawelen over Art. 56 van 't Indisch Regeringsreglement, in plaats van voldoening te eisen aan 't oneindig belangryker 55e artikel van datzelfde Reglement... zolang men in die Kamer duldt dat de Slymeringen worden beloond, en de Havelaars gestraft... zolang men daar traagheid, lauwheid, eedverkrachting en misdaad blyft steunen tegen yver, plichtsbesef, eergevoel en moed... zólang zal ik blyven zeggen: begone, and give place to honester men!

En meent nu niet dat ik uw Tweede Kamer te hard val, Nederlanders. Ik heb een antecedent voor my, dat in hevigheid myn vonnis te boven gaat... het antecedent dat uitging van die Kamer zelf, waarin men, ge hebt het gehoord, elkaar over-en-weer heeft genoemd: Droogstoppels, d.i. zonder de minste vryheid in 't vertalen: ellendelingen.

Ik die Kamer hard vallen? Eilieve, ik sprak nog alleen van de leugens die men daar behandelt, ik roerde alleen de onzedelykheid van uw vertegenwoordiging aan. Hoe zou 't wezen als ik lust had eens het talent en de bekwaamheden van al uw geachte sprekers te schatten? Dat gy, Nederlanders, by voortduring tevreden zyt met onwaarheden, kan ik nog beter begrypen, dan dat ge niet opstaat tegen 't byna totaal gemis aan talent in uw Kamer. Leugens, ik beken dit, kunnen iets aantrekkelyks hebben, vooral wanneer de opvoeding altyd daarheen leidde. Maar eergevoel en eigenliefde moesten u aandryven om eens een ander soort van mensen naar Den Haag af te vaardigen. Bedenkt toch dat de vergadering van geachte sprekers gecenseerd wordt de monsterkaart te wezen van alles wat uw land uitstekends bezit, en dat de vreemdeling - als hy eens in 't hoofd kreeg acht te geven op uw Kamers - zich al zeer spoedig de vraag zou voorleggen: zó zyn de knapsten, wat moet ik denken van de rest?

Welke redenaars heeft uw parlement opgeleverd sedert 1816? Welke staathuishoudkundigen? Welke schryvers? Welke karakters? Welke grote mannen?

O, zeker... ge zult in antwoord op die vragen een paar namen noemen, maar ge moest u bezinnen voor ge die noemde. Dit had niet nodig moeten zyn, en 't blyft de vraag nog of ge 't recht hadt die namen te noemen, al vergaf ik u 't bezinnen.

Inderdaad, Nederlanders, óf ge telt weinig uitstekende mannen onder u, óf ge stelt hen te hoog om ze te veroordelen tot vyfjarigen dwangarbeid op de parlementaire galei. Maar in dat geval, waar blyven ze dan? Ge kunt ze toch niet allen griffiers maken, zoals met Sloet geschied is, wiens onderkoninkschappelijk genie jaren lang zo deerniswaard begraven bleef onder procesverbalen der Gelderse Staten. We hebben immers maar elf provinciën in ons land.

Bedenkt toch, bid ik u, wanneer ge dan geen prys stelt op de eer en het belang van de Natie, dat ge misschien eenmaal naar Den Haag zult gaan, gy of uw kinderen, en dat de mannen aan de poort u en uw familie zullen beoordelen naar de modellen die ge jaar in jaar uit daarheen zondt uit uw stad. Waarachtig, men zal er u op áánzien, en 't zal u weinig baten in de opinie der tollenaars, dat ge u verschuilt achter de hoofdartikelen van uw krant die u de modellen aanprees als: ‘zo byzonder achtenswaardig.’

Leugen. Dát is de naam van de ziekte, de rottende ziekte waaraan de Natie lydt. Wie naar waarheid streeft, wordt gescholden, belasterd en mishandeld. Wie zich aansluit aan een party die leugens uitvindt tegenover de leugens der andere party, wordt gesteund, verheven, beloond.

Leugens ontvangt de Gouverneur-Generaal in Indië van de residenten. Leugens geeft hy den Minister. Leugens geeft deze ter herkauwing aan de Tweede Kamer.

Leugens verspreiden de dagbladen onder hun abonné's.

Met leugens houden de partyen zich staande.

Met leugens wordt het volk gevoed.

Leugens doen adressen tekenen.

Met leugens wekt men kunstmatige agitatiën op.

Zo waarlyk ik veel gedragen heb, ik zegge u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting is leugen!

Ge zoudt onrechtvaardig handelen, Nederlanders, my te vloeken om deze uitspraak. Ik heb 't recht, luid te spreken voor de waarheid waaraan ik door veel lyden verbonden ben.

En ook ware 't onbillyk my euvel te duiden dat myn toon anders is dan de toon die aan leugens passen zou. Begrypt ge dan niet, dat juist de gladde, gemanierde, schuifelende effenheid der onware woorden nodig was om u voortdurend al die onwaarheden te doen slikken als goede spyze? Begrypt ge niet dat er 'n andere taal dan de gewone nodig is, om u wakker te schudden uit uw slaperigheid? Begrypt ge dan niet, in één woord, dat ik niet schryven kán als een ander, juist ómdat ik u de waarheid zeg?

Maar wilt ge die horen? Is 't u inderdaad om waarheid te doen? Ik weet het niet. Ja zelfs ge noopt my dikwyls daaraan te twyfelen.

Doch dit is uw zaak. Myn zaak is u die waarheid te zeggen.

Neemt ze aan, o handeldryvende Nederlanders... al waar 't om de goedkoopte alleen. Ge betaalt uw leugens duur, zeer duur, en my betaalt gy niets. Dat niet-betalen moge nu oneerlyk wezen... de uitgestelde schuld aan my moge schandelyk vuile plekken nalaten, als gy ze in uw boeken durft doorhalen met gewetenloze pen... dit doet er weinig toe. Wat men niet betaalt, is altyd goedkoop. Ik beken dan ook dat het u moeilyk vallen zou my alles te betalen wat ge my schuldig zyt, ook al waart gy eerlyk genoeg om het te beproeven.

Waarheid? Wat is dan waarheid? Wát is waarheid over de zaken die thans aan de orde van den dag zyn? Ik wil trachten u dit te zeggen, schoon 't me moeite kost, lezer. Herhaaldelyk heb ik u toegeroepen dat ik teksten schryf, en geen preken. Is 't u inderdaad om waarheid te doen? Waarlyk, wezenlyk, waarachtig?

Welnu, sla deze bladen toe, leg dit kleine boekje ongeopend voor u, lees den titel op den omslag, lees...

Laat het boekje gesloten liggen, zeg ik u.

Lees den titel op den omslag... lees voort... lees voort tot op den naam van den edelen man die de goedheid heeft, - uit liefde tot de waarheid, hoort ge! - deze blaadjes uit te geven, en...

Weet ge nu nóg niet, lezer, wat de waarheid is?

Dan wanhoop ik aan 't slagen van elke poging om u die waarheid aan 't verstand te brengen. Dan ontken ik de oprechtheid uwer begeerte om die waarheid te weten.

Dan verklaar ik u te diep verleugend om behoefte te kennen aan waarheid, om besef te hebben van waarheid, om eerbied te voelen voor waarheid. En als ik te werk ging naar den indruk van 't ogenblik, dan legde ik hier de pen neer.

Wie ná 't lezen van de drie motto's op den titel, nóg niet weet wat waarheid is omtrent de zogenaamde kwestie van den dag, kan zich de moeite van 't verder lezen sparen. Hy zoeke z'n ‘voorlichting’ elders. Ge weet wel, waar? En als er geen krant by de hand is, dan maar in 's hemels-naam in 't byblad.

‘Als ik te werk ging naar den indruk van 't ogenblik!’ Maar ik ga niet naar dien indruk te werk. Ik ben methodischer dan er gemeend wordt door lieden die geen geestdrift begrypen zonder kortstondige naar krankzinnigheid zwemende drift van geest. Ik denk zeer lang voor ik handel, en ik overyl me zelden. Myn leven - dat één geheel is - zou dit bewyzen aan ieder die wat meer menskunde bezat dan er nodig is tot het ontcyferen van al te dagelykse karakters.

Ik handel niet naar den inspraak van 't ogenblik, en zal dus voortgaan u zo langdradig en vervelend als maar enigszins mogelyk, aan 't verstand te brengen dat:

vrye arbeid wenselyk, maar:

dat de kwestie over vryen arbeid, nonsens is,

om daarna te besluiten met enige toepasselyke beschouwingen, waaruit misschien zou kunnen blyken:

dat het niet juist de vry-arbeiders zyn, die den javaan zullen opleiden tot vrywilligen arbeid.

Verleent my hiertoe... neen, dat hoeft niet.

Vrye arbeid is wenselyk. Staat me by, alle goede geesten van kansel en balie! Helpt me met uw verrukkelyke bewysvoeringen en langzinnigheden, gy allen die ooit middel vondt om 't murmitoyen te begraven onder pleitredenen van zeven uren gaans! Staat me terzy, redenaars in de afschaffings-genootschappen, die een helen avond kunt vullen met het betoog dat het beter is nuchter dan dronken te zyn! Helpt me, gy allen die de kunst verstaat veel woorden te wyden aan weinig zaaks... steunt me, redt me, staat me by!

Geeft me een adjektief by elk substantief.

Geeft me een bywoord by elk adjektief. En by elk werkwoord, een bywoord.

Blaast me lange volzinnen in 't oor, overal waar de korte te duidelyk zouden wezen voor 't begrip.

Overlaadt my met uw nochtans, uw niettemins, uw hoezeers en uw niettegenstaandighedens.

Geeft my de kracht om tot a te zeggen: o, gy eerste der vierentwintig letteren! Het talent, om dertienmaal achtereen 't zelfde te betuigen met andere woorden.

Gy vooral, Van der Palm, gy vooral, sta me by! Gy die in uw diepzinnige uitlegging der nog diepzinniger Schrift, den volke hebt meegedeeld dat er onder 't woord ‘bedden’ moest verstaan worden: grote bedden en kleine bedden.

Tot u vooral wend ik my, prins der prekers, tot u wend ik my om hulp. Want zie, ook ik ga eens een preek maken. Men wil dit zo. Uw voorbeeld richte my... uw kracht sterke my... uw geest beziele my... dat hoop ik!

En gy die me hoort, vergeeft dat ik niet terstond my verheffen kan tot de hoogte dergenen die levenslang zich toelegden op langheid en overbodigheid.

Bedenkt, bid ik u, dat ik my altyd bezig hield met kort en goed te zeggen wat er te zeggen viel, en dat men niet op eenmaal meester worden kan in alle kunsten.

Ik begin tegen myn gewoonte met 'n captatio benevolentiae: ik beken schuld. Reeds veel vroeger had ik my moeten toeleggen op de nooit genoeg te waarderen handigheid, de waarheid vervelend te maken opdat ze u zou aanstaan. Ja daarin beken ik schuld. Ik beloof beterschap... en tot bewys: ziet hier!

vrye arbeid is wenselyk.

Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen dat het niet waar is. En ik heb nóg een confidentie te doen. Ik zeide u zo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of sprak... welnu, ook dát is niet waar. Vrye arbeid is niet wenselyk, en ik ben niet methodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik bestryd vandaag de stelling die 'k gister opstelselde. Ik moet dit nu wel erkennen, wyl ik voor ruim twee jaren de domheid gehad heb openlyk te verklaren dat Vrye arbeid een goede zaak was. Natuurlyk zag ik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid, maar ik vrees * 
dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in 't bezit is van een exemplaar der Amsterdamse Courant van 9 December 1859 No. 294 (avondeditie) waar we - met gepasten eerbied - o.a. het volgende lezen:


‘De vraag van den dag is: vrye arbeid of gedwongen arbeid. De theoristen - ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hun halzen geen schaafmerk dragen van 't systeemjuk - de theoristen kunnen met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen als Stolte die zaak beoordelen. Zy kunnen betogen, bewyzen zelfs, dat Vrye arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...
Gewis! Maar... wie twyfelt daaraan?
Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk, luiheid, wenselyk ware?
Wie twyfelt er aan, of het goede beter is dan het kwade?
Maar die vragen zyn oiseus.
De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere kan bereikt worden? En, zo ja, langs welken weg?’

Helaas, zo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is, myn naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eisen des ogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring - en 't bewys - dat vrywillige arbeid niet wenselyk, dat ze integendeel onaangenaam is, nadelig, onzedelyk, onvoordelig en verfoeilyk... o had ik...

Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen beweren dat er tekstvervalsing plaats had? Of dat de redaktie der Amsterdamse Courant myn schrift, myn styl had nagebootst... neen, dat kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteren tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met myn naam er onder in volle letters.

Neen, geen omwegen! Ik heb 't gezegd. Ik héb verklaard dat vrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets te veranderen. Maar nu trek ik die dwaling in, en beweer dat niets schandelyker en nadeliger is dan vrywillige arbeid.

‘En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?’ zal men vragen... naar ik hoop. Want, als men 't niet vraagt, zou 't den schyn hebben alsof myn preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.

Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om godswil, vergeef me, niet eenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud myn kerk leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m'n dwaling, en wel... raadt eens door wien? Door kleinen Max.

Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is ál te goed, ál te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken, dan zal myn kind te zyner tyd de straffe dragen die de wereld toepast op goedheid, om wraak te nemen over 't verschil.

Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die zyn leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men hem iets te bevelen. In één woord, tot nog toe arbeidde hy geheel en al vrywillig.

Voor enige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door zyn moeder wordt ter ruste gelegd. In plaats van als altyd op dat uur zyn speelgoed weg te bergen, zich uit te kleden en ons goeden nacht te wensen, kwam hy tot me, en zei:

- Papa, ik heb een idee!

Ik schrikte.

- Arme jongen, antwoordde ik, dat moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen in de wereld. Wat is het?

- Wel, 't is tyd om te slapen...

- Is dát je idee?

- Neen, luister! Toen 't gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed gemaakt, en u vrolyk goeden nacht gewenst. Ge hebt me vriendelyk geantwoord, my opgenomen, naar achter gedragen, neergelegd, toegedekt, en toen ge met moeder de kamer verliet, was uw laatste woord, zoals altyd: goeden nacht, beste jongen...

- Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dat dan zo verkeerd? Wat wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?

- Ik heb goed geslapen, maar... die manier van naar bed gaan, deugt niet. De werkster heeft 'n zoontje zo oud als ik, en ik heb gehoord dat dit jongetje 's avonds niet naar bed wil. Dan moet z'n moeder hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan 't kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar bed te gaan?

- Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?

- O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.

Ik beken dat ik 't kind niet begreep, maar dewyl ik zo dikwyls genoodzaakt ben hem sommige genoegens te ontzeggen, besloot ik ditmaal aan zyn verlangen te voldoen. En ik ben blyde toegegeven te hebben in een wens die:

1e. het kind gelukkig maakt;
2e. een aangename afwisseling teweegbrengt in myn huiselyk leven, en
3e. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid 'n wenselyke zaak is, zoals ik twee jaar geleden meende.

Na dien tyd namelyk gaat myn kind nooit dan gedwongen te bed. Ik sla en mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid die hem zou te bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik hem nog eens om hem te dwingen tot naar bed gaan. En meer nog. Ik pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn plichtjes zó onsmakelyk, dat hy de vervulling weigert, om daarna hem tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat myn kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed wat hy doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.

Men heeft geen begrip van de strelende verpozing die deze stryd tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:

- Wat doe je daar, Max?

- Papa... ik heb...

- Zeg op... spreek... wat deed je daar?

- Papa... ik heb... adem gehaald?

- Waarom deed je dat, ongelukkig kind?

- Papa... ik deed het... omdat... omdat...

- Je deed het zeker omdat je 't wilde?

- Ach ja, Papa!

- Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem, terug, zeg ik je... terstond... ogenblikkelyk! Ik zal je leren ademhalen uit vryen wil!

Daarop sloeg ik hem tot zyn longen waren teruggebracht in statu quo ante. En vervolgens:

- Haal nu adem omdat ik het je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by, gehoorzaam niet terstond.

Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het daartoe gedwongen had door een flinke herhaling van straf.

Nu valt hy by den dag af, als iemand die op 'n ministeriële beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Zyn lastige vrolykheid is geknakt. Het enige wat hy nog van tyd tot tyd vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook deze uitspanningen te ontzeggen, zolang ik ze hem niet uitdrukkelyk voorschryf.

Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch even als Newton uit het vallen van een appel, besloot tot de wet, die 't Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid ener algemene dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.

Vergunt my u al terstond mede te delen hoe ik getracht heb de manier, die sedert enige dagen myn huis tot een waar paradys maakt, op de algemene zaak toe te passen.

Ik ben zeer bevriend met een agent van politie, die in zyn legen tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep het terstond, omdat ik een ogenblik had waargenomen van legen tyd. Niet alleen begreep hy my, maar reeds den volgenden dag paste hy myn heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract uit zyn dagboek:


Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna hem te dwingen op de trottoir terug te gaan.
De huisvrouw van B. uit haar woning gehaald, en haar daarheen teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van 't gemeenschappelyk domicilie, om ze te dwingen thuis te blyven. Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit te gaan, maar van dien vryen wil heb ik een afkeer.
Een koetsier gelast zyn paard aan te dryven tot hollen, om hem dat te verbieden.
Enige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen naar huis te gaan.
Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, met stokslagen gemoveerd tot onrust, en hem daarop gearresteerd als schuldig aan rustverstoring.

Zover 't dagboekje van myn vriend den wysgeer-agent van politie. Maar er is meer.

Ge weet nog niet ten halve, beste hoorders, hoe diep myn ontdekking over de wenselykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad, land, werelddeel en heelal.

Ik zal 't laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al 't andere wel geloven.

't Heelal... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat, en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd door in de rondte draait, zonder dat wy haar dat bevolen hebben?

Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter ten halve gekeerd dan geheel gedwaald. We zullen die zon dwingen tot stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar een Tweede Kamer als de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid veroorlooft te draaien tot haar eigen genoegen, wy zullen haar dwingen tot draaien. Om al deze verbeteringen in te voeren, wacht ik slechts op het éne vaste punt dat Archimedes gezocht heeft, en... ik beloof u een heerlyke toekomst.

Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal 't kind zyn ouders * 
beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, lopen, slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heersen in de natuur, in den staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zal niet zyn, omdat al 't goede dwang zal wezen.

Heerlyke, heilige, goddelyke dwang!

Ook de Javaan zal gedwongen worden het goede te doen, dat is: te arbeiden...

‘Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dat alles is... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer...

Juist!

Wat te bewyzen was... geachte hoorders!

Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preek.

de kwestie over vryen arbeid is ńonsens.

Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeilyk 't my viel u te bewyzen dat vrywillige arbeid wenselyk was. Ik heb daartoe een aaneenschakeling van zotternyen nodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet aan my. Myn smaak zou me niet leiden tot zoveel omhaal by 't bewys ener waarheid die zó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weerzin ben overgegaan tot een betoog - en welk betoog! - dat ge my hadt moeten sparen, maar dat ik niet sparen mocht aan u, die naar 't schynt niet in staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik verklaar u dat ik heel graag 't Heelal met rust zou gelaten hebben, en myn vriend den politie-agent ook. Wat myn besten kleinen jongen aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze verzekering wel uitdrukkelyk geven aan een publiek dat ‘onzedelykheid’ heeft weten op te delven uit de Minnebrieven, en dat daarin heeft gevonden: een aansporing aan 't volk om horloges te stelen.

't Is een ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goed schryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar dat gy niet lezen kunt, is zeker. En dat ge - hoe gebrekkig dan ook - lezen zult wat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.

Maar, zeer geachte hoorders, dit is een parenthesis die ik u ver-zoek niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede Kamer zyt, dan zal 't wel wennen.

Ik heb u dan in 't eerste deel myner rede, op uw wyze - nog eens: niet op myn wyze - aangetoond dat vrye wil beter is dan dwang. Ik verzoek nu, eens-voor-al, dát punt als afgehandeld te mogen beschouwen.

We zyn genaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal trachten te betogen: dat de kwestie over vryen wil om te arbeiden... nonsens is.

Ik vraag vergunning hier te supprimeren wat er zou te zeggen vallen over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan, en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritsen wortel van 't woord non-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In 't kort, ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te overtuigen. Wanneer ik dus in 't tweede deel myner rede u minder verveel dan gevorderd wordt door deftigheid, gewoonte en smaak, bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de ‘enige beschouwingen’ van myn derde deel, die misschien zullen aantonen dat er nogal verschil van betekenis bestaat tussen ‘vrywilligheid.’ en ‘particuliere ondernemingen’... met nog een en ander.

Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen gaf, zou 'k dit hele middelstuk myner preek kunnen overslaan, of wel het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met my eens zyt dat vrywilligheid beter is dan dwang, begrypt ge dat het redeneren óver de vraag:

of er moet bepaald worden dat de javaan voortaan die vrywilligheid zal bezitten?’

gevoeglyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van den dag.

Maar zie, dan was myn preek te kort. Erasmus heeft u geprezen, hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in langdradige betogen. Want hy was meester in de vrye kunsten, en zulke mensen hebben dikwyls behoefte aan débouché voor lange redevoeringen.

Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg ik me toe, dat ziet ge.

We zullen dus maar weer beginnen met de bewering dat niets nuttiger is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan vast te stellen by de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil. Ik beveel myn opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om een speech. Men zal zien dat myn stelling in nauw verband staat met... alles - meer kan men niet verlangen - en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die 't geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten slaper in welke kerk ge maar verkiest.

Vrye wil tot arbeid is ‘iets goeds’.

Het is goed, wenselyk, nuttig, enz. ‘iets goeds’ vast te stellen by de wet.

't Is dus goed, wenselyk, nuttig, enz. by de wet vast te stellen dat de Javaan vrywillig zal arbeiden.

En nu de algemene conclusie, die ik 't eerst zal behandelen om daarna terug te komen op de byzondere:

't Is goed, wenselyk, nuttig, enz. ‘al wat goed is’ vast te stellen by de wet.

Leent me daartoe... neen, dat hoeft weer niet. Leent me niets.

Gierig, hebzuchtig, belangzoekend, was ik nooit. Of 't by een wet bepaald was, weet ik niet, maar als ik wat had, gaf ik gaarne. Welnu, hoorders, heden geef ik aan alle tegenwoordige en toekomende Volksvertegenwoordigers de schema's voor de redevoeringen, die zy zullen te houden hebben over alle voorgestelde wetten die het volk... wat zeg ik... die de hele natuur zullen dwingen tot ‘iets goeds’.

Ziehier hoe men zal kunnen spreken:


‘Hoe, myne heren, hoe... zouden we weigeren den minister te steunen - voor wien ik persoonlyk de meeste achting heb, doch met wien ik niet in de minste relatie sta, want by my op 't dorp trouwen wy altyd onder elkaar - zouden we hem onze hulp ontzeggen, nu hy ons de vrucht voorlegt van zyn nachtwaken? Mogen wy - wy die 't Nederlandse volk vertegenwoordigen - mogen wy het enige redmiddel van de hand wyzen, dat den beklemden Staat zal verlossen uit de geweldiginnypende, dooréén-beroerende, van-uit-elkander-gescheurde, tegen-opgeslingerde... (niet hoorbaar). Daar liggen zy, de treurige slachtoffers van 't misbruik. Loeiende, brullende, schoppende, oogverdraaiende, liggen zy daar. Ik zeg dat ze daar liggen... (niet hoorbaar). De voorgestelde wet is het heil van den Staat, myne heren! Ik zeg dat de Staat... (niet hoorbaar). Doch ik zal niet toegeven in de aandoeningen die my overstelpen. Met kalmte en waardigheid zal ik trachten de zaken te ontwikkelen. En, myne heren, als 't hier en daar mocht schynen, myne heren, dat ik spreek in het belang der party waartoe ik de eer heb te behoren, myne heren (hier moet de spreker links buigen, en rechts ook, en naar 't midden ook) dan, myne heren... (niet hoorbaar).
De zaak is zakelyk deze, myne heren. De zaak is, ons goed voor te stellen wat de zaak was, wat de zaak is, wat de zaak wezen kon, en wat de zaak worden zal, als de zaak die we thans behandelen door een wet zal zyn vastgesteld. Dát is de zaak, myne heren!
De veestapel, myne heren, ik zeg dit uit diepe overtuiging, en niet dan na lang daarmee te hebben omgegaan, de veestapel... (niet hoorbaar). Ik zeg: zonder koeien geen melk. Zonder vee, geen vlees. En dat vee... (niet hoorbaar) zover ik de eer heb het te vertegenwoordigen, myne heren, is gelovig, godsdienstig, gehecht aan den roem en de bezittingen zyner voorvaderen, myne heren! Daarom... (niet hoorbaar) wat zegt de voorgestelde wet? Laat ons haar bedaard lezen, zonder verhitting, zonder partygeest... kalmte, myne heren, kalmte! Wat zegt de wet? Ziehier:
‘Enig Artikel. Alles gehoord en gelezen, is verstaan te bepalen dat voortaan elk rund tweemaal zal worden geslacht en opgegeten voor 't dood is.
Onze Ministers zyn belast met de uitvoering.’
Zó zegt de wet, myne heren! En gy zoudt die wet, die heer-lyke onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt... maar neen... ik verwacht iets anders van uw vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met overtuiging. Mocht ik hier of daar, in 't vuur der improvisatie, iemand hebben gekrenkt of beledigd, ik vraag daarvoor verschoning, myne heren! Ik verzeker al de heren in 't algemeen van myn zeer byzondere hoogachting, en hiermede... ik heb gezegd!’

Anders:


‘Ik zou het woord niet hebben gevraagd, myne heren, dewyl de behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my niet verplicht voelde ernstig te protesteren tegen de insinuatiën die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den geachten spreker uit X. wiens doorwrochte redevoering ik niet heb kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam - in onze sociëteit De Gezelligheid - toen al de leden... toen al de Kiezers my de belangen opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der... voor de Kiezers van myn distrikt. Ik behoud my 't recht voor, hierop terug te komen, zodra ik wellicht te eniger tyd zal mogen vernemen wat de spreker uit X. - wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag - eigenlyk gezegd heeft.
En, myne heren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp, verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zodra de Regering kan goedvinden het getal avatara's van onze geachte runderen te bepalen op drie.
Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en de concierge - voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb - zal iets in dien smaak deponeren op 't bureau.’

Anders:


‘Het goede, myne heren! By ons in den achterhoek - het zy

gezegd zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken - by ons leven wy voor 't goede. De voorgestelde wet is door al myn Kiezers, wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar 't midden) wanneer ik niet, zoals ik de eer had te zeggen, de eer had lid te zyn van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag. De zaak is deze, myne heren!

Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:


‘gehoord enz.’
‘te bepalen dat alles goed zal zyn.’

En, myne heren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog eens, myne heren, al myn Kiezers - en zelfs de kastelein van onze sociëteit, 'n man van zaken! - al myn Kiezers keuren de strekking van die wet goed. Maar, myne heren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de redactie. Immers zodra eens-voor-altyd al 't goede zal vastgesteld wezen, zodra eens-voor-al de ministers zullen belast zyn met de uitvoering van alles goeds, zullen er geen latere wetten meer nodig zyn. En, myne heren, met de hand op myn mandaat, met het oog op den zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen ener vernietigende, verpletterende, tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag, voel ik me verplicht u voor te houden: Waar blyven wy dan?

(Enig pozen. Aandoening. Beweging. Ontsteltenis en suikerwater). Vergeeft me, myne heren, 't onwillekeurig afbreken myner rede. Men is lid van de Kamer, ja, maar men is ook mens. Ik zal voortgaan. Ik zal trachten myn hartstochten te betomen naar behoren. Ik zal gebruik maken van 't voorschrift diens groten meesters in de redeneerkunst, die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder 't spreken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen alsóf ik schreide, nogmaals vragen:

Waar blyven wy dan?

Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zo byzonder hoogacht, wanneer eens-voor-al het goede... ál het goede... niets dan 't goede, ware vastgesteld by de wet... ik vraag het u in 's hemelsnaam:

Waar blyven wy dan?


(Indruk. Verpozing. Rumoer. De spreker geeft 'n teken aan de ‘juffrouw’ op de tribune, die hy een kaartje gaf onder verband van flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De ‘juffrouw’ is weggebracht door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De spreker gaat voort met wat hols in de stem.)

Waar blyven wy dan? Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig, plechtig - en deze keer zelfs kort en goed - afvragen: waar ze blyven zouden?

Gy, geacht medelid uit Z... waar zoudt gy blyven? Zou men op uw dorp genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd verstaanbaar te spreken?

Gy, even-geacht medelid uit Y... denkt ge dat de opzieners uwer fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in deze eerbiedwaardige vergadering met zoveel succes hebt geoefend in onbegrypelykheid?

En gy, nog geachter medelid uit X. - het zy gezegd zonder de minste bedoeling om mindere achting uit te drukken voor de andere leden, die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de anderen tezamen acht - gy, boven allen geacht lid uit X., meent ge dat uw vrouw die met Prud'homme uw verkiezing den eresabel van haar hart noemde, meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de vrouwenzielkenmerkende juichtonen die geschreven staan in 't vrouwen-onderdanigheid-voorschryvend artikel des burgerlyken wetboeks? Meent ge dat de herboren onderdanigheid - herboren op den ogenblik uwer roemryke apotheose in De Gezelligheid - meent ge dat die herboring niet zou neervallen, ineenzakken, vervliegen en verdampen, zodra ze in u omarmen moest een aan 't strand gespoeld, gebersten, bedorven, gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormlozig, onbruikbaar stuk houts, dat deel-maakte van 't verongelukt vaartuig onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste achting gevoel?

Meent gy, geachte spreker uit X., dat de kinderen in uw stad, en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen, uwer bouwlanden en uwer branderyen, meent ge dat die allen u zullen tegemoetstromen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers te uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u een feest zullen aanbieden, een feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings, alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen: ‘gnaevend samen’ als hy weet dat ge door de thans voorgestelde wet zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid niet meer branden mag tot heil van 't vaderland? Meent gy in 't eind... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X... ik zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat myn rede uít het hart is gegaan tót het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering - welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag - de yselykheden sparen der schildering van 't lot dat ons allen wacht... wanneer de voorgestelde wet mocht tot stand komen.

Maar, zeer geachte leden, het is niet de strekking dezer wet, het is de gebrekkige redaktie die over ons al de ellende zou uitstrooien waarop ik nu nog slechts terloops gewezen heb, doch die my stof geven zou tot een redevoering, nog langer dan die andere... die ge nooit kunt vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.

De redaktie deugt niet, myne heren! Al myn kiezers zyn 't hierover eens. En zelfs onze kastelein... (onhoorbaar). Wel moet al het goede worden vastgesteld by de wet, maar, myne heren zeer geachte medeleden, dit moet niet geschieden by éne wet! Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y en uit Z... juicht. Schryft aan uw vrouwen, boeren, arbeiders, kiezers en medeleden van alle mogelyke Gezelligheden: al het ‘goede’ zal worden vastgesteld by de wet, en tóch zal er altyd een parlement nodig zyn, tóch zal er, altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.

De aantoning hiervan, myne Heren, zal me stof geven tot het tweede deel myner redevoering.

(Verbazing en suikerwater).

- Ja, al ‘het goede’ zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door de wet! Maar, zeer geachte leden, dat alles moet niet geschieden door éne wet.

De thans voorgestelde getuigt van een onvergeeflyke, in bureaumannen onbegrypelyke - en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone - kortheid. Ze moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de Kamer zich geheel-en-al verenigt met het principe des Ministers, voor wien de leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting koesteren. Vervolgens behoren wy dien Minister - ditmaal onder betuiging onzer zeer byzondere achting - in overweging te geven, het ‘goede’ te verdelen in zoveel onderdelen als enigszins mogelyk is, om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter tafel te brengen.

Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe wy al het ‘goede’ kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door behoefte blyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden van dit parlement.

(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)

Wat my betreft, myne heren zeer geachte medeleden, ik wil tonen dat ik een man van zaken ben, een vyand van holle theorieën, en een vurig aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument dat aan een zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor een groot deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.

Ja, myne heren, dát wil ik u tonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist van beroep, en dus niet gewoon ben my in te laten met het oplossen van moeilyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om een twintigtal wetten uit te denken, die alle het ‘goede’ bevorderen, wat zeg ik, die het ‘goede’ vaststellen. 't Spreekt vanzelf, myne heren, dat er nog meer te maken zyn... dat is 't voornaamste! Schryft gerust naar huis, dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt niet! Onze kastelein...

(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt een rol uit den zak, en leest:)

Eerste wet. Alle jonge dochters zullen, te beginnen met... gy begrypt toch, myne heren, dat de tyd van ingang afhangt van 't ogenblik waarop de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg dragen voor de uitvoering. Eens-voor-altyd, de Ministers voeren alles uit. Alle jonge dochters dan, zullen voortaan zachtmoedig zyn, geduldig, inschikkelyk, tevreden en schoon.


Nota van toelichting. Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen in zoveel delen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, 't is my wel. Nog een andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdelen naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere meningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen maken van zoveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden nog zouden kunnen worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn denkbeeld over de verdeling van ‘het goede’ onuitputtelyk vruchtbaar is. Ik verzoek de heren dit naar huis te schryven.

Tweede wet. Er zal geen hagel vallen zolang 't gewas op het veld staat.


Nota van toelichting. Men kan hiervan een boekweitwet maken, een tarwewet, een roggewet, een haverwet, enz. En, na 't aangegeven idee over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier, evenals by de volgende wetten, eens-voor-al de opmerking te mogen achterwegelaten, hoeveel duizenden wetten er te maken vallen uit elke wet die ik voorstel.

Derde wet. Niemand zal zyn been breken.

Vierde wet. Bankroeten zyn afgeschaft.

Vyfde wet. Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en verstaanbaar spreken.

Zesde wet. Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.

Zevende wet. Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.

Achtste wet. Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.

Negende wet. Alle landeryen worden vergroot.

Tiende wet. Elk ingezetene zal voortaan juist zo denken als de Ministers die den Staat regeren.

Elfde wet. Een gouverneur-generaal in Indië zal Engels verstaan om Pope te kunnen lezen.

Twaalfde wet. Kostschoolkinderen, militairen en gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar voedsel.

Dertiende wet. Er wordt voortaan niet geonweerd voor twaalf uren in den nacht. (Middelbare tyd)

Veertiende wet. Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten, worden ingetrokken.

Vyftiende wet. Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.

Zestiende wet. Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.

Zeventiende wet. Er zullen dertien witte bonen groeien in één snyboon.

Achttiende wet. Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken aanschaffen, als voor veel geld.

Negentiende wet. Alle vis uit de Indische zee zal in Holland te verkrygen zyn om-niet.


Nota van toelichting. Deze wet heb ik van een vriend die hoogleraar is in de proteïne.

Twintigste wet. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil...’

Maar dat is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid en nonsens!

Juist, dat is nonsens.

Wat te bewyzen was alweer... geachte hoorders!

vrywillige arbeid is wenselyk.

het is ongerymd vryen wil te decreteren by een wet.

het is even ongerymd te redeneren, te discussiëren, te parlementeren over - onverschillig vóór of tegen - zulk een wet. (Duitenplatery)

Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden, en alweder moet ik u verzoeken dit eens voor al te mogen constateren, opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen. Om verschoning te verdienen, of juister om u te doen inzien dát ik verschoning verdien voor de soort van bewysvoering door my toegepast op de stellingen, die ik alzo de vryheid neem met dagbladschryvers-langdradigheid voorop te stellen, voel ik my verplicht, vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u een kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is. In zeker land heerste beweging, onrust, tweespalt... agitatie. Er bestond een verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle mogelyke ‘eerste beginselen’. Vaders haatten en onterfden hun zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenoten. Winkeliers, hun toonbank en geldla... neen, zó ver ging de agitatie niet, maar ze ging toch héél ver.

Omdat deze agitatie nadelig werkte op den loop der zaken - zoals alle agitatiën - werden er zeventig wyze lieden benoemd - septuaginta, 'n omineus getal! - zeventig wyzen alzo, met witte haren en overvloeiende van persoonlyke geachtheid, om de zaak die 't volk zo agiteerde, tot klaarheid te brengen.

Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten soms zeer diep na. Enigen hunner spraken veel, zonder zo heel diep na te denken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in 't geheel.

En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van tyd tot tyd.

Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele begrepen.

Ik laat nu daar, of ze niet wilden begrepen worden, d.i. of men zich in 't land waarvan ik spreek, toelegde op duitenplatery. Maar zeker is 't dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef als tevoren.

Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers... neen, zó ver ging de agitatie niet, maar toch altyd door héél ver.

En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hun persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en persoonlyker. En ze spraken... ze spraken...

Maar de agitatie duurde voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders... ge weet de rest.

De deftigheid der septuaginta klom tot hogen ernst.

Hun ernst werd plechtig.

De plechtigheid ging over in 't aandoenlyke.

't Volk wás dan ook aangedaan. Maar het was dit door de zeer onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door de meer gewenste aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht in de duisternis.

En de vaders... ja, dit weet gy al.

Met verfoeilyke tuchteloosheid heb ik verzuimd u mede te delen, waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die 't volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef van de mannen, die de winkeliers... neen, de winkeliers niet. De vraag die de septuaginta zo bezighield - met behoud van persoonlyke achting - die vraag was deze:


‘heeft de heilige Dionysius, na zyn dood, gewandeld met zyn hoofd onder den rechterarm of onder den linkerarm?’

Toen kwam er een eenvoudig man in 't land, die geen witte haren had, en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op 't gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: ‘Lieve mensen, Dionysius heeft na z'n dood niet gewandeld. Hy heeft z'n hoofd niet onder den arm genomen, noch onder den linkerarm, noch onder den rechterarm.’

Het volk gooide dien man met vuil. Dat spreekt vanzelf. Ook de onterfde zonen gooiden mee. Dat hadden ze niet moeten doen, zy vooral niet. En ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers te sterk. Ditmaal verlieten ze voor een ogenblik geldla en toonbank.

Maar de man die niet persoonlyk geacht was en geen witte haren had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nutteloze agitatie van 't volk, en aan de even nutteloze - onverstane en onbegrepen - deftigheid der septuaginta. Hy nam een stoel, ging er op staan, en sprak:

- Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel dóór den heiligen Dionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uw yver in de rechter-linker-kwestie. Doch die goede Heilige wil niet dat gy te ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge 't offer worden zoudt van uw onlesbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom, o edele vaders, onterfde zonen, weggelopen vrouwen, en wat dies meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond een eind aan uw agitatie:

Ter voorkoming van nayver tussen zyn beide armen, heeft de onvolprezen Dionysius na z'n onthoofding, zyn lichaam tussen de tanden genomen, en zó is hy voortgewandeld!’

't Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun gewicht, hun aanzien en hun persoonlyke geachtheid...

Of gy nu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen, nadat ik u in de twee eerste delen myner rede het bespottelyke heb onder 't oog gebracht van uw rechter-linker-kwestie, weet ik niet. Ik twyfel daaraan omdat ik weinig reden heb staat te maken op uw rechtvaardigheid. De vertelling over Dionysius had geenszins ten doel u toejuiching of kransen af te lokken voor zotternyen, nadat ge my die toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen me slechts tegen de beschuldiging dat ik myn toon zoek...

Ziehier: (Havelaar pag. zoveel)


‘Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich kleden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt dat een traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld myner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder myn styl te zoeken by Figaro of Polichinel?
Styl... ja! Daar liggen stukken voor my, waarin styl is! Styl die aantoonde dat er een mens in de buurt was, een mens wien het de moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl den armen Havelaar gebaat? Hy vertaalde zyn tranen niet in gegryns, hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur, of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft het hem gebaat?
Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valse snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zoveel getrommel en zoveel gefluit.
Styl? Hy had styl!
En wat heeft het hem gebaat?
Als ik dus wil worden gehoord - en verstaan vooral! - moet ik anders schryven dan hy.’

Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! En anders spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie van Dionysius te danken. Vermaakt er u mee.

En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek, waarin ik enige beschouwingen wens mede te delen...

Naar den duivel met die preek en die beschouwingen in een derde-delig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin 'k niet lopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als een theater-affiche van den vorigen keer!

Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan 't weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel 'n talent hebt gemaakt, om uw aangeleerd, verschoold talent voor ziel te doen doorgaan, en alzo dat talent te maken tot grondstof van een beroep ‘dat wat gééft’!

Voort... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moeten voelen, vóór gy iets leerdet! Weg, prekers, babbelaars, redevoeringhouers, preek-, praat-, redeneer-, vertoog-, pleit-, verhandelkranen, à raison van zoveel woorden in 't uur; van zoveel centen 't woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitters van gevoel, in volzinnen groot en klein, by den emmer en by 't maatje...

Gy hebt het volk bedorven! Gy, Schriftgeleerden, gy, gy, gy...

Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in 't geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy, met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw ‘eerste beginselen’, die onmisbare bondgenoten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en wit-harige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uw bedrog... Gy hebt het Volk bedorven!

En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de toga der Volksvertegenwoordigers - van hen, beter, die 't volk volstrekt niet vertegenwoordigen - ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tussen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, prekers...