Multatuli.online


Hoofdstuk XIII

9-10 Er waren dan in myn kasrekening te Natal onnauwkeurigheden en verzuimen: in de volgende passage komt Dekkers kastekort aan de orde. Zoveel mogelijk zijn - voorzover de tekst daar aanleiding toe geeft - relevante feiten uit de documenten te bestemder plaatse vermeld. Bedacht moet worden dat Multatuli slechts enkele belangrijke momenten vermeldt, waarbij de chronologie niet altijd overeenkomt met de volgorde der gebeurtenissen zoals die blijkt uit de documenten. Twee dingen vallen hierbij op: Multatuli schrijft dat hij pas na zijn overplaatsing naar Padang op de hoogte werd gesteld van de kritiek die er op zijn administratie in Natal bestond, terwijl de feiten anders aangeven. Verder combineert hij gegevens die met zijn suspensie te maken hebben (8 januari 1844) met gebeurtenissen die eerder hebben plaatsgevonden, b.v. met Michiels' verbod Padang te verlaten (2 oktober 1843).
11-13 De chef van de komptabiliteit te Padang...: Jacobus van der Linden (1792-1862), vanaf 1837 secretaris onder Michiels en tevens ambtenaar ‘belast met de Controle op de Comptabiliteit en Financiën ter Westkust van Sumatra’, dat wil zeggen met de controle op de ambtelijke inkomsten en uitgaven (vw viii, 346). In die hoedanigheid zal Van der Linden betrokken zijn geweest bij het onderzoek naar Dekkers financieel beheer (vgl. vw viii, 329 en 346). Het tekort van f 2106,-, dat de aanleiding vormde voor Dekkers schorsing (zie [48-49] deze noot  ), werd ontdekt, ‘geleid, door de aanmerkingen van de comptabiliteit’ (vw viii, 356). Over de persoonlijke verhouding tussen Dekker en Van der Linden is niets bekend.
13-15 Maar let wel dat men my, zoolang ik te Natal was, daarop niet had opmerkzaam gemaakt. Geheel onverwachts ontving ik een overplaatsing naar de Padangsche bovenlanden: het was Dekker voor zijn overplaatsing (22 juli 1843) bij herhaling duidelijk gemaakt dat er zeer veel aanmerkingen op zijn administratie bestonden, waarbij ook was gewezen op financiële tekorten. Dit was al het geval onder Dekkers eerste chef, de resident van Ayer-Bangie, A.L. Weddik (zie b.v. vw viii, 146 en 155-157; zie voor Weddik [67-68] deze noot  ). Onder Weddiks opvolger, assistentresident A. van der Ven, namen de aanmerkingen nog toe. Zo zond Van der Ven op 14 mei 1843 Dekker een brief met 15 punten van kritiek (vw viii, 209-211). Na nog enkele aanmaningen om verantwoording van zijn administratie af te leggen, ontving Dekker een brief van Michiels, gedateerd 3 juli 1843, waarin hem werd gemeld dat hij te Natal door een andere ambtenaar vervangen zal worden ‘wanneer het zal blijken, dat hij nog langer achterlijk is in het tijdig genoeg afleggen van zijne geldelijke en materiele verantwoording, overeenkomstig de bestaande voorschriften’ (vw viii, 246). Half juli 1843 was, blijkens een brief van Van der Ven, Dekkers debet opgelopen tot f 1348,01, inclusief de boete voor de verzuimde inzending van de verantwoordingsstukken (vw viii, 249-251). Geheel onverwachts kan de overplaatsing dus niet genoemd worden. Het besluit van Michiels van 22 juli 1843 bevatte o.m. de mededeling dat Dekker ontslagen werd uit het civiel gezag te Natal en ter beschikking gesteld werd van de resident der Padangse bovenlanden. Bovendien kreeg Dekker de verplichting opgelegd om de ‘onder zijne administratie ontstane achterstand nog vóór zijn vertrek van Natal behoorlijk bij te werken’ (vw viii, 261-263).

18-20 Daar ik nog slechts weinig maanden vroeger den Gouverneur by my had gezien - straks zult ge hooren waarom, en hoe? -: half februari 1843 had Michiels een bezoek aan Natal gebracht in verband met de Si Pamaga-zaak; zie hiervoor het begin van hoofdstuk xiv met de daarbij behorende annotaties (vw viii, 142).
23-25 Ik deed de reis met een fransch schip...: nadat Dekker op 31 augustus 1843 zijn functie had overgedragen aan zijn opvolger, vertrok hij naar Padang (vw viii, 279-283). Over de reis en het schip waarmee Dekker reisde, zijn geen gegevens bekend. Zie voor de toespeling op het drinkwater hoofdstuk xi hier  .
47 de fil en aiguille: stukje bij beetje, van lieverlede.
48-49 dat men in myn geldelyk beheer te Natal fouten en verzuimen had ontdekt, die me verdacht maakten van ontrouwe administratie: dat er fouten in zijn administratie waren, was Dekker - zoals hiervoor bleek - voor zijn vertrek naar Padang al bekend, al was er toen nog geen sprake van ontrouwe administratie. Die formulering werd pas vier maanden later gebruikt, in het besluit van Michiels om Dekker te schorsen (8 januari 1844) ‘wegens ontrouwe administratie en het misbruiken van de hem als civiel gezaghebber te Natal aanvertrouwde landsgelden’. Aanleiding was de wisselkwestie van 3 mei 1843. De wissel bedroeg f 8931,92, de boeking in het wissel-register was f6825,92; er was dus een verschil van f 2106,00. De autoriteiten hebben dit opgevat als fraude (vw viii, 383-385).
53-54 ontevredenheid der bevolkingen aanhoudende pogingen tot opstand: hiervan is niets bekend. Duidelijk is wel dat Dekker werkte in een roerige streek, waar het Nederlands gezag voortdurend werd aangevochten.
82-86 pogingen om den opstand te voorkomen, die de landstreek van Mandhéling dreigde in vuur en vlam te zetten...: geen gegevens bekend, waaruit Dekkers optreden in deze kwestie blijkt; zie ook [53-54] deze noot  .
92-96 ...een brief, waarin men my te kennen gaf dat ik van ontrouw werd verdacht gehouden, met last my te verantwoorden op een tal van aanmerkingen die er gevallen waren op myn beheer: Multatuli moet hier wel doelen op Michiels' brief van 2 oktober 1843, waarin stond dat Dekker Padang niet mocht verlaten voordat hij bepaalde kwesties in zijn financieel beheer had opgehelderd. In deze brief was echter nog geen sprake van een verdenking van ontrouw, dat kwam pas in het suspensiebesluit van 8 januari 1844 (zie [48-49] deze noot  ). Wel schreef Michiels in de hier bedoelde missive: ‘dat uweg. roekeloos zijt te werk gegaan met 's lands gelden te Natal, en daarover beschikt hebt geheel strijdig met de verpligtingen en verantwoordelijkheid van een comptabel ambtenaar’ (vw viii, 314).
96 Enkelen daarvan kon ik terstond ophelderen: Dekker beantwoordde bovengenoemde brief van Michiels per kerende post met een uitvoerige brief, waarin hij punt voor punt verantwoording aflegde van zijn geldelijke administratie over de periode november 1842-augustus 1843 (vw viii, 315-327).
97-98, 106-107 vooral was 't voor my van belang die zaken natesporen te Natal zelf / Maar de generaal wilde my niet naar Natal laten vertrekken: op 16 januari 1844 verzocht Dekker Mi-
chiels hem op eigen kosten naar Natal te laten vertrekken, zodat hij ter plaatse de kwestie van de wissel, die de aanleiding tot zijn schorsing was geweest, zou kunnen ophelderen (vw viii, 386). Dit verzoek werd niet ingewilligd (vw viii, 388).

129-136 en eindigde myn brief - ik bezit daarvan nog de minuut - met de woorden...trotsch op myn eer: als antwoord op de brief van Michiels van 2 oktober 1843 (zie [92-96] deze noot  ), schreef Dekker op 3 oktober een uitvoerige brief terug (zie [96] deze noot  ). Hij besloot deze brief met een alinea die grote overeenkomst vertoont met de deze passage: ‘Ik vermeen alle de in de aantooning der ten mijnen laste loopende posten, voorkomende punten te hebben afgehandeld, en weet zeer wel dat deze missive, wat den vorm aangaat, niet geschikt is uhedg. in eene gunstige stemming omtrent mij te brengen. Ik voorzie ten volle den ernstigen uitslag welke deze zaak bij de bestaande begrippen, voor mij hebben kan, doch neem niettemin eerbiedig de vrijheid uhedg. ten overvloede te verzoeken, mij van alle welwillende consideratiën, indien dezelve mogten kunnen bestaan, te willen verschoonen; Ik ben jong en onbeduidend in vergelijking van de magt der heerschende begrippen, waartegen mijne beginselen mij noodzaken op te staan, maar blijf niettemin trotsch op mijne zedelijke onafhankelijkheid, trotsch op mijne principes, trotsch op mijne eer!’ (vw viii, 315-325; het citaat op p. 325).
137-138 Den volgenden dag was ik gesuspendeerd wegens ‘ontrouwe administratie’: Multatuli combineert hier twee momenten uit de geschiedenis van het kastekort, waar in werkelijkheid enkele maanden tussenlagen. De bedoelde brief was van 3 oktober 1843, het suspensiebesluit van 8 januari 1844.
138-139 Den Officier van Justitie...werd gelast omtrent my ‘ambt en plicht’ te betrachten: op 25 mei 1844 zond Michiels de benodigde documenten aan Mr. Jean Gaspard Lange, fiscaal bij de Raad van Justitie te Padang, ‘ten fine van ambt- en pligtbetrachting’ (De Bruyn Prince, Bescheiden, p. 258).
142-143 ik was nog onmondig toen de voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad: de wisselkwestie, die de aanleiding voor de schorsing vormde, speelde zich af op 3 mei 1843. Dekker - geboren op 2 maart 1820 - was toen net 23 jaar en daarmee, volgens de toen geldende regels, net niet ‘onmondig’ meer.
156-159 Ik had herhaaldelyk...aan den Generaal geschreven dat hy myn vertrek van Padang niet beletten mòcht, want dat...geen misdaad mocht gestraft worden met hongerlyden: zie b.v. Dekkers brief van 4 april 1844 aan Michiels, waarin de volgende passage voorkomt: ‘Dat - al waren de misdrijven waaraan hij zich mogt hebben schuldig gemaakt van eenen ernstigen aard, (waartegen hij adressant plegtig protesteert) alsdan nog volgens geen regtsbegrip ter wereld, die misdrijven kunnen of mogen gestraft worden met den dwang om gebrek te lijden (vw viii, 398).
160-163 Toen Michiels de fiscaal de stukken gestuurd had ‘ten fine van ambt- en pligtbetrachting’ (zie [138-139] deze noot  ), had hij - aldus De Bruyn Prince, Bescheiden, p. 222 - de gebruikelijke uitdrukking gebruikt voor een opdracht tot het instellen van een criminele vervolging. Aangezien de fiscaal niet gerechtigd was om - zoals hij zelf aan Michiels schreef - ‘op eigen gezag, tegen een Gouverne-
ments ambtenaar, inzake betreffende de uitoefening van zijne ambtsbetrekking, eene crimineele vervolging te institueren’, vroeg hij Michiels of hij tegen Dekker een criminele of een civiele vervolging moest instellen (vw viii, 400). Michiels antwoordde dat de reeds aangevangen - civiele - procedure moest worden voortgezet (vw viii, 401). Op 6 juni 1844 had de zitting van de Raad van Justitie plaats, waarbij de fiscaal eiste dat Dekker de ontbrekende f 2106,- koper terug zou betalen (vw viii, 401-403). De Raad verklaarde zich echter incompetent, niet vanwege de door Dekker genoemde reden, maar ‘omdat het besluit waarbij Dekker met de vergoeding van het bewuste bedrag voorlopig, in afwachting van de uitspraak van de Algemene Rekenkamer, door de gouverneur was belast, niet bij de rechtsvordering was overlegd’ (De Bruyn Prince, Bescheiden, p. 222). Opmerkelijk is dat het door Multatuli genoemde motief om van - civiele - vervolging af te zien grote overeenkomst vertoont met de opmerking van de fiscaal dat hij niet bevoegd was om op eigen gezag tot - criminele - vervolging over te gaan.

163-164 hield my de generaal...negen maanden te Padang: ook hier schuift Multatuli feiten uit de geschiedenis van het kastekort in elkaar. Naar zijn zeggen hield Michiels hem na de zitting van de rechtsraad nog negen maanden vast in Padang. Die zitting vond echter plaats in juni 1844 en eind september van dat jaar verliet Dekker Sumatra. Het besluit van Michiels dat Dekker Padang niet mocht verlaten dateerde van 2 oktober 1843. Zie hierover ook [283-294] deze noot  .
164-165 Hy ontving eindelyk van-hooger-hand den last me naar Batavia te laten vertrekken: op 16 augustus 1844 gaf de Algemene Secretaris Michiels opdracht om Dekker, met vrij transport, naar Batavia te laten vertrekken. Ruim een maand later - op 18 september - gaf Michiels deze opdracht door aan de assistent-resident van Padang. Eind september verliet Dekker Padang (vw viii, 411-412).
166-168 Toen ik een paar jaren daarna wat geld had...betaalde ik eenige duizenden guldens om de Natalsche kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken: Dekker heeft voor 31 december 1845 f 2106,- - zijnde het tekort, ontstaan bij de boeking van de wissel van 3 mei 1843 - in 's lands kas gestort (vw viii, 596).
169n103 De toenmalige Algemeene Sekretaris der indische Regeering: Mr. Cornelis Visscher (?-1873), van 1841-1851 Algemeen Secretaris. Zie voor deze functie [306-309] deze noot  .
171 Ainsi va le monde: vaste uitdrukking, reeds voorkomend in de 14de eeuw (Hassell, Middle French proverbs, p. 166).
215-218 De beschuldiging die zoo vaak wordt ingebracht tegen den grooten meester die den Waverley schreef...: Walter Scott (1771-1832). In 1814 verscheen van zijn hand Waverley; or, 't Is sixty years since, de eerste van een groot aantal historische romans. Typerend voor dit nieuwe genre was de aandacht voor de couleur locale, die zich uitte in lange uiteenzettingen over historische zeden en gewoonten, kleding, lokaliteiten enzovoort.

238-244 Meent ge dat Amy Robsart's dood u zoo treffen zou, als ge vreemdeling waart geweest in de hallen van Kenilworth...: in Kenilworth (1821) beschreef Scott het leven aan het hof van koningin Elizabeth. Haar gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester (1531-1588), was in het geheim getrouwd met Amy Robsart. Zij werd gevangen gehouden in Cumnor-Place, terwijl Leicester Elizabeth met veel pracht en praal ontving op zijn kasteel Kenilworth. In Cumnor-Place kwam Amy Robsart op gewelddadige wijze om het leven, door toedoen van Leicesters vertrouweling Richard Varney, echter tegen het bevel van Leicester in.
En gelooft ge dat er geen verband is...tusschen de ryke kleeding waarin de onwaardige Leicester zich aan haar vertoonde, en de zwartheid zyner ziel: zoals gebruikelijk bevat ook deze historische roman gedetailleerde beschrijvingen, b.v. van de omgeving waarin het gebeuren zich afspeelt en van de kostbare kleding van sommige personages. Het door Multatuli genoemde verband door tegenstelling of ook wel de contrastwerking was een belangrijk kenmerk van de letterkunde van de Romantiek. Gevoelt ge niet dat Lester...oneindig lager stond dan hy geschetst wordt in den Kenilworth: in Kenilworth wordt Leicester getekend als een ambitieuze zwakkeling, voortdurend gepijnigd door zijn geweten. Niet hij, maar zijn dienaar, het slechte personage bij uitstek in deze roman, is verantwoordelijk voor de dood van Amy Robsart. In historische bronnen echter wordt wel verondersteld dat Leicester zelf zijn vrouw door vergif om het leven bracht.
253-254 de school die sedert 1830 zoolang in Frankryk gebloeid heeft: n.l. de Romantiek, in het bijzonder de school van Victor Hugo.
282n104 Hiertoe dan ook sommeerde ik herhaaldelyk Duymaer van Twist: zie de annotatie bij hoofdstuk iv, Multatuli's noot 7  .
Hy...bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had...en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van partydigheid: heeft betrekking op de beraadslagingen in de Twee-de Kamer van 25 september 1860, waarin Max Havelaar - overigens zonder dat de titel genoemd werd - ter sprake kwam.
Het ‘verwijt’ dat Multatuli zoveel talent had, was niet afkomstig van Duymaer van Twist, maar van P. Mijer (1812-1881; 1856-1858: minister van koloniën; 1860-1866: lid van de Tweede Kamer), die optrad ter verdediging van Van Twist. Mijer zei tijdens de beraadslagingen van 25 september 1860: ‘Ik kan begrijpen dat een werk, in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven als het hier bedoelde, op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in Nederlandsch Indie gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt; maar op mij heeft het zulks niet gedaan, omdat ik voor mij niet overtuigd ben van de juistheid en waarheid der in dat werk voorgestelde beschouwingen’ (vw x, 317). Duymaer van Twist wilde zich niet mengen in het debat, maar zei wel: ‘Mijnheer de President, over dat boek, dat hier ter sprake is gekomen, zal ik niet spreken. Ik geloof dat de Kamer dit ook van mij niet zou verlangen. Ik meen dat uit hetgeen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan. En ik meen verder, dat hetgeen ik over dat boek of over den schrijver van dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheid niet zou kunnen ontgaan. Ik zal dus over dat boek niet spreken [...]’ (vw x, 320).
363 gemacadamiseerd: met steenslag verhard.

367 ravyn: niet in de betekenis ‘diepe kloof’, maar: een minder diep en smal dal, zoals ook blijkt uit de regels verderop.
368 Tjioedjoeng: rivier in de residentie Bantam, die haar oorsprong heeft boven Lebak, in het gebergte van Parang-Koedjang, en uitmondt in zee aan de noordkust van Java.