Multatuli.online


Achtste hoofdstuk

Havelaar had den kontroleur verzocht, de Hoofden die te Rangkas-Betoeng aanwezig waren, uit te nodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om de Seba by te wonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had gewoonlyk eens in de maand plaats, doch hetzy hy aan sommige Hoofden, die wat ver van de hoofdplaats woonden - want de afdeling Lebak is zeer uitgestrekt - het onnodig heen- en weerreizen wilde besparen, hetzy hy wenste terstond, en zonder den vastgestelden dag af te wachten, hen op plechtige wyze toe te spreken, hy had den eersten Seba-dag op den volgenden morgen bepaald.

Links voor zyn woning, doch op hetzelfde ‘erf’ en tegenover het huis dat mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw, dat gedeeltelyk de bureaux der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde, en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery, die een zeer goede gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Dáár waren dan ook den volgenden morgen de Hoofden vroegtydig verenigd. Havelaar trad binnen, groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelykse berichten over landbouw, politie, en justitie, en legde die tot nader onderzoek terzyde.

Ieder verwachtte hierop een toespraak, als die welke de resident op den vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar zelf van voornemen was, iets anders te zeggen, doch men moest hem by zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om te begrypen hoe hy, by toespraken als deze, zich opwond, en door zyn eigenaardige wyze van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van het vleiend zachte in het vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen, dat toch hém niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond, als om te vragen: ‘myn God, wie zyt ge?’

Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel, als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te treffen, dan door bondigheid van redenering te overtuigen. Hy zou den krygslust der Atheners, zodra tot den oorlog tegen Philippus besloten was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door redenering tot dien oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de Lebakse hoofden was natuurlyk in het Maleis, en ontleende hieraan een eigenaardigheid te meer, daar de eenvoudigheid der Oosterse talen aan veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in ónze idiomen door meerdere gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan den anderen kant het zoetvloeiende van het Maleis moeilyk in enige andere taal is weer te geven. Men bedenke bovendien, dat het merendeel zyner hoorders uit eenvoudige, doch geenszins domme mensen bestond, en tevens dat het Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.

Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:

- Mynheer de Radèn Adipati, Regent van Banten-Kjdoel, en gy, Radèns Demang die Hoofden zyt der distrikten in deze afdeling, en gy, Radèn Djaksa, die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy, Radèn Kliwon, die het gezag voert op de hoofdplaats, en gy Radèns, Mantri's, en allen die Hoofden zyt in de afdeling Banten-Kidoel, ik groet u!

En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond.

Ik weet dat er onder ulieden zyn, die uitsteken in kennis en in braaf heid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerderen, want zy is niet zo groot als ik wenste. En ik heb wel de braafheid lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de braafheid overschaduwen, en daaraan den groei benemen... gy allen weet hoe de grote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te trachten beter te worden dan ik ben.

Ik groet u allen zeer.

Toen de Gouverneur-Generaal my gelastte tot u te gaan om Adsistent-Resident te zyn in deze afdeling, was myn hart verheugd. Het kan u bekend zyn dat ik nooit Banten-Kidoel had betreden. Ik liet my dus geschriften geven, die over uw afdeling handelen, en heb gezien, dat er veel goeds is in Banten-Kidoel. Uw volk bezit rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge wenst in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel goeds is in Banten-Kidoel!

Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben.

Doch ik ontwaarde dat uw bevolking arm is, en daarover was ik blyde in het binnenste myner ziel.

Want ik weet dat Allah den arme lief heeft, en dat hy rykdom geeft aan wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt hy wie zyn woord spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende. Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den bloemkelk die dorst heeft?

En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken, die achterbleven na den arbeid, en neerzonken * 
langs den weg, daar hun knieën niet sterk meer waren om op te gaan naar de plaats van het loon? Zou ik niet verheugd wezen, de hand te mogen reiken aan wie in de groeve viel, en een staf te geven aan wie de bergen beklimt? Zou niet myn hart opspringen, als het ziet gekozen te zyn onder velen, om van klagen een gebed te maken, een dankzegging van geween?

Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in Banten-Kidoel!

Ik heb gezegd tot de vrouw die myn zorgen deelt, en myn geluk groter maakt: ‘verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar nog niet alle arbeid is afgelopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn vóór den tyd van den oogst.’ Want niet in het snyden der padi is de vreugde: de vreugde is in het snyden der padi die men geplant heeft. En de ziel des mensen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat eenmaal zeggen zal: ‘weet ge dat ik zyn zoon ben?’ En dan zullen er wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: ‘zet u neder aan ons maal, en bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uw vader gekend.’

Hoofden van Lebak er is veel te arbeiden in uw landstreek! Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw padi dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering? Is er niet schaamte in uw zielen, als de bewoner van Bandoeng dat daar ten oosten ligt, uw streken bezoekt, en vraagt: ‘waar zyn de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik de gamelan niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der padi uwer dochters?’

Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de bergen te zien, die geen water dragen op hun zyden? Of de vlakten, waar nooit een buffel den ploeg trok?

Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom juist zyn wy Allah dankbaar, dat Hy ons macht heeft gegeven om hier te arbeiden.

Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want * 
de toppen der bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zyn rotsen die plaats weigeren aan den wortel, want op veel plaatsen is de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel, die hy ons wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land, die de padi vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die de patjol nutteloos maakt. Noch zyn er zonnestralen, heter dan nodig is om het graan te doen rypen, dat u en uw kinderen voeden moet, noch bandjirs die u doen jammeren: ‘wys my de plaats waar ik gezaaid heb!’

Waar Allah waterstromen zendt, die de akkers wegnemen... waar Hy den grond hard maakt als dorre steen... waar Hy Zyn zon doet gloeien ter verschroeiing... waar Hy oorlog zendt, die de velden omkeert... waar Hy slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte die de aren doodt... daar, Hoofden van Lebak, buigen wy deemoedig het hoofd, en zeggen: ‘Hy wil het zo!’

Maar niet aldus in Banten-Kidoel!

Ik ben hier gezonden om uw vriend te zyn, uw oudere broeder. Zoudt gy uw jongeren broeder niet waarschuwen, als ge een tyger zaagt op zyn weg?

Hoofden van Lebak, we hebben dikwyls misslagen begaan, en ons land is arm omdat we zoveel misslagen begingen.

Want in Tjikandi en Bolang, en in het Krawangse, en in de ommelanden van Batavia, zyn vele lieden die geboren zyn in ons land, en die ons land verlaten hebben.

Waarom zoeken zy arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders begroeven? Waarom vlieden zy de desa waar zy de besnydenis ontvingen? Waarom verkiezen zy de koelte van den boom die dáár groeit, boven de schaduw onzer bossen?

En zelfs ginds in het noordwesten over de zee, zyn velen die ónze kinderen moesten zyn, maar die Lebak hebben verlaten om rond te dolen in vreemde streken met kris en klewang en schietgeweer. En ze komen daar ellendig om, want er is macht van de Regering daar, die de opstandelingen verslaat.

Ik vraag u, Hoofden van Lebak, waarom zyn er zo velen die weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zyn? Waarom vraagt de boom: ‘waar is de man, dien ik als kind zag spelen aan myn voet?’

Havelaar hield hier een ogenblik op. Om enigszins den indruk dien zyn woorden maakten te begrypen, had men hem moeten horen en zien. Toen hy sprak van zyn kind, was er in zyn stem iets zachts, iets onbeschryflyk roerends, dat uitlokte tot de vraag: ‘waar is de kleine? Reeds nu wil ik het kind kussen, dat zyn vader zó spreken doet!’ Maar toen hy kort daarna, schynbaar met weinig geleidelykheid, overging tot de vragen, waarom Lebak arm was, en waarom er zoveel bewoners van die streken verhuisden naar elders, klonk er in zyn toon iets dat denken deed aan het geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt geschroefd in hard hout. En toch sprak hy niet luid, noch drukte hy byzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zyn stem, maar hetzy studie of natuur, juist door deze eentonigheid maakte hy den indruk zyner woorden sterker op gemoederen die zo byzonder ontvankelyk waren voor zulke taal.

Zyn beelden, die altyd genomen waren uit het leven dat hem omringde, waren voor hem werkelyk hulpmiddelen tot het juist begrypelyk maken van wat hy bedoelde, en niet, zoals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de zinsneden der redenaars bezwaren, zonder enige duidelykheid toe te voegen aan het begrip der zaak die men voorgeeft toe te lichten. We zyn thans gewoon aan de ongerymdheid van de uitdrukking: ‘sterk als een leeuw’ maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hy zyn vergelyking niet had geput uit de zielepoëzie die beelden geeft voor redenering, en niet anders spreken kan, doch zyn aanvullende gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek - uit den bijbel misschien - waarin een leeuw voorkwam. Want niemand zyner hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en het zou dus veeleer nodig geweest zyn, hun die sterkte te doen beseffen door vergelyking van den leeuw met iets waarvan de kracht hun by ervaring bekend was, dan omgekeerd.

Men ziet dat Havelaar werkelyk dichter was. Men gevoelt, dat hy, sprekende van de rystvelden die er waren op de bergen, de ogen daarheen richtte door de open zyde der zaal, en dat hy die velden inderdaad zag. Men beseft, als hy den boom het vragen waar de man was, die als kind aan zyn voet gespeeld had, dat die * 
boom dáár stond, en voor de verbeelding van Havelaars toehoorders in werkelykheid vragend rondstaarde naar de heengegane bewoners van Lebak. Ook verzon hy niets: hy hoorde den boom spreken, en meende slechts na te zeggen, wat hy in zyn dichterlyke opvatting zo duidelyk verstaan had.

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke in Havelaars wyze van spreken niet zo onbetwistbaar is, daar zyn taal denken doet aan den styl der profeten van 't Oude Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in ogenblikken van vervoering werkelyk iets had van een ziener, en dat hy, gevoed door de indrukken die het leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, en door de poëzie-ademende atmosfeer van het oosten, waarschynlyk niet anders zou gesproken hebben, ook wanneer hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude Testament gelezen had.

Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagtekenen, regels als deze, die geschreven waren op den Salak - een der reuzen, maar niet de grootste onder de bergen van de Preanger Regentschappen - waarin alweder de aanhef de zachtheid zyner aandoeningen tekent, om opeens over te gaan in het naspreken van den donder, dien hy onder zich hoort:

't Is zoeter hier zyn Maker luid te loven...

't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelry...

Veel meer dan ginds ryst hier het hart naar boven:

Men is zyn God op bergen meer naby!

Hier schiep Hyzelf altaar en tempelkoren,

Nog door geen tred van 's mensen voet ontwyd,

Hier doet Hy zich in 't raat'lend onweer horen...

En rollend roept Zyn donder: Majesteit!

en gevoelt men niet, dat hy de laatste regels niet zó zou hebben kunnen schryven, als hy niet werkelyk had gehoord hoe Gods donder hem die regels in klaterende trillingen tegen de wanden van 't gebergte vóórzeide?

Maar hy hield niet van verzen. ‘Het was een lelyk ryglyf’ zeide hy, en als hy er toe gebracht werd iets te lezen van wat hy ‘be-* 
gaan’ had, zoals hy zich uitdrukte, schiep hy er vermaak in, zyn eigen werk te bederven, óf door het voor te dragen op een toon die het belachelyk maken moest, óf door op eenmaal, vooral by een hoogst-ernstigen passus, af te breken, en er een kwinkslag tussen te werpen, die de toehoorders pynlyk aandeed, maar die by hem niets anders was dan een bloedige satire op de onevenredigheid tussen dat keurslyf en zyn ziel die zich daarin zo benauwd voelde.

Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondgediende verversingen iets gebruikten. Havelaar had namelyk door een wenk gelast, de by zodanige gelegenheid onvermydelyke thee met manisan rond te dienen. Het scheen dat hy met voordacht na de laatste zinsnede zyner toespraak een rustpunt wilde laten. En daar was reden toe. ‘Hoe, moesten de Hoofden denken, hy weet reeds dat er zo velen onze afdeling verlieten, met bitterheid in het hart? Hy weet reeds hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden, om de armoede die hier heerst, te ontwyken? En zelfs is hem bekend dat er zoveel Bantammers zyn onder de benden die in de Lampongs de vaan des opstands hebben ontrold tegen het Nederlands gezag? Wat wil hy? Wat bedoelt hy? Wien gelden zyn vragen?

En er waren er, die Radèn Wira Koesoema, het distriktshoofd van Parang-Koedjang aanzagen. Maar de meesten sloegen de ogen ter aarde.

‘Kom eens hier, Max!’ riep Havelaar, die zyn kind gewaar werd, spelende op het erf, en de Regent nam den kleine op den schoot. Maar deze was te wild om daar lang te blyven. Hy sprong weg, en liep den groten kring rond, en vermaakte de Hoofden door zyn gekeuvel, en speelde met de gevesten van hun krissen. Toen hy by den Djaksa kwam, die de aandacht van het kind trok, omdat hy in kleding boven de anderen uitmuntte scheen deze iets op het hoofd van den kleinen Max te wyzen aan den Kliwon die naast hem zat, en die een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen.

- Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft iets aan die heren te zeggen.

De kleine liep weg, nadat hy met kushandjes gegroet had. Hierop ging Havelaar aldus voort:

- Hoofden van Lebak! Wy allen staan in dienst des Konings van Nederland. Maar Hy, die rechtvaardig is, en wil dat wy onzen plicht doen, is vér van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja, meer dan zoveel, zyn gehouden zyn bevelen te gehoorzamen, maar hy kan niet wezen naby allen die afhangen van zyn wil.

De Grote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zyn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hy is, en gebiedende over al wat gezag heeft in de steden, en over allen die in de dorpen de oudsten zyn, en beschikkende over de macht des legers en over de schepen die op de zee varen, ook hy kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blyft verre van hem. En de Resident te Serang, die heer is over de landstreek Bantam, waar vyf-maal-honderd-duizend mensen wonen, wil dat er recht geschiede in zyn gebied, en dat er rechtvaardigheid heerse in de landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hy verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zyn aangezicht, omdat hy straffe vreest.

En de heer Adipati, die Regent is van Zuid-Bantam, wil dat ieder leve, die het goede betracht, en dat er geen schande zy over de landstreek, die zyn regentschap is.

En ik, die gisteren den Almachtigen God tot getuige nam, dat ik rechtvaardig zou zyn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder vrees en zonder haat, dat ik zal zyn: ‘een goed adsistentresident’... ook ik wens te doen wat myn plicht is.

Hoofden van Lebak! Dat wensen wy allen!

Maar als er soms onder ons mochten zyn, die hun plicht verwaarlozen voor gewin, die het recht verkopen voor geld, of die den buffel van den arme nemen, en de vruchten die behoren aan wie honger hebben... wie zal ze straffen?

Als een van u het wist, hij zou het beletten. En de Regent zou niet dulden dat er zo iets geschiedde in zyn regentschap. En ook ik zal het tegengaan waar ik kan. Maar als noch gy, noch de Adipati, noch ik het wisten...

Hoofden van Lebak! Wie zal er dan recht doen in Banten-Kidoel?

Hoort naar my, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan worden.

Er komt een tyd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen by het gereedmaken van ons doodkleed, en de voorbyganger zal zeggen: ‘daar is een mens gestorven.’ Dan zal wie aankomt in de dorpen, tyding brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal vragen: ‘wie was de man die gestorven is?’ En men zal zeggen:

‘Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht, en verstootte den klager niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan,wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet dryven kon door den grond, omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hy den dief, en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had, onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie den boom geplant hadden, en hy kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel, dat den arme behoorde.’

Dan zal men zeggen in de dorpen: ‘Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zyn wil geschiede... er is een goed mens gestorven.’

Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen: ‘wat is dit, dat de gamelan zwygt, en het gezang der meisjes?’ En wederom zal men zeggen: ‘er is een man gestorven.’

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avonds zitten by zyn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen:

‘Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeiders. Hy onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel gouds en zilvers, en edele stenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zyn kind. Hy glimlachte als een gelukkig mens, maar er was gekners tussen de tanden van den klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zyn gelaat, maar er was geen zog in de borsten der moeders die zoogden.’

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: ‘Allah is groot... wy vloeken niemand!’

Hoofden van Lebak... eens sterven wy allen!

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wát door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen? En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: ‘waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gy gedaan met uw broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig, en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?’

Hier hield Havelaar weder op, en na enig zwygen ging hy voort op den eenvoudigsten toon der wereld, en als had er volstrekt niets plaats gehad, dat indruk maken moest:

- Ik wenste gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben, kan op een zacht oordeel van myn kant staat maken, want daar ikzelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn... niet althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van groveren aard... over knevelary en onderdrukking, spreek ik niet... zo iets zal niet voorkomen, nietwaar, Adipati?

- O neen, mynheer de adsistent-resident, zo iets zal niet voorkomen in Lebak.

- Welnu dan, myne heren Hoofden van Banten-Kidoel, laat ons verheugd zyn dat onze afdeling zo arm is. Wy hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in het leven spaart, zullen wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking gewillig. Als ieder in het genot wordt gelaten van de vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig tyds de bevolking zal toenemen, zo in zielental, als in bezittingen en beschaving, want dit gaat veelal handaan-hand. Ik verzoek u nogmaals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy kan, vooral waar onrecht moet worden te keer gegaan. En hiermede beveel ik my zeer aan in uw medewerking.

Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en Justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden.

Hoofden van Banten-Kidoel! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeren, ieder naar zyn woning. Ik groet u allen zeer!’

Hy boog, bood den ouden Regent den arm en geleidde hemover het erf naar het woonhuis, waar Tine hem wachtte in de voorgalery.

- Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom... een glas Madera? En... ja, dát moet ik weten, Radèn Djaksa, hoor eens!

Havelaar riep dit, toen alle Hoofden zich na veel buigingen gereed maakten, naar hun woningen terug te keren. Ook Verbrugge stond op 't punt het erf te verlaten, doch keerde met den Djaksa terug.

- Tine, ik wil Madera drinken, Verbrugge ook. Djaksa, laat horen, wat hebt ge toch aan den Kliwon over Max gezegd?

- Minta ampoen, mynheer de Adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd, omdat mynheer gesproken had.

- Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken? Ik weet zelf al niet meer wat ik gezegd heb.

- Mynheer, ik zeide tot den Kliwon...

Tine schoof by: er werd over den kleinen Max gesproken.

- Mynheer, ik zeide tot den Kliwon dat de Sinjo een koningskind was.

Dát deed Tine goed: zy vond het ook!

De Adipati bezag het hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag de oeser-oeseran, die, naar het bygeloof op Java, bestemd is een kroon te dragen.

Daar de etikette niet toeliet, den Djaksa een plaats aan te bieden in tegenwoordigheid van den Regent, nam hy afscheid, en men was enigen tyd byeen zonder iets aan te roeren dat betrekking had op den ‘dienst’. Maar op eenmaal - en dus in stryd met den zo uitermate hoffelyken volksaard - vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollekteur tegoed had, niet konden worden uitbetaald?

- Wel neen, riep Verbrugge, mynheer de Adipati weet dat dit * 
niet geschieden mag voor de verantwoording van den kollekteur afgelopen is.

Havelaar speelde met Max, maar dit belette hem niet op het gelaat van den Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem niet aanstond.

- Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen, zeide hy. En hy liet een klerk van het kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen... die verantwoording zal wel goedgekeurd worden.

Nadat de Adipati vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de staatsbladen:

- Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van den kollekteur is nog altyd te Serang in onderzoek... als nu eens daaraan iets ontbreekt?

- Dan leg ik het er by, zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet, waaruit deze grote inschikkelykheid voor den belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met enig geschryf terug. Havelaar tekende, en zei dat men spoed moest maken met die uitbetaling.

- Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien... dat bruske vragen! De zaak is duidelyk. Hyzelf heeft dat geld nodig, en de kollekteur wil het hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en zyn jaren in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in Lebak gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je het? Verbrugge zweeg. Hy wist het.

- Ik weet het, ging Havelaar voort, ik weet het! Is niet de heer Slotering gestorven in November? Welnu, den dag na zyn dood heeft de Regent volk opgeroepen om zyn sawahs te bewerken... zonder betaling! Gy hadt dit moeten weten. Wist ge het?

Verbrugge wist het niet.

- Als kontroleur hadt ge 't moeten weten! Ik weet het, ging Havelaar voort. Dáár liggen de maandstaten van de distrikten - en hy toonde het pak geschryf dat hy ontvangen had in de vergadering - zie, ik heb niets geopend. Daarin zyn, onder andere zaken, de opgaven van op de hoofdplaats geleverde arbeiders tot herendienst... welnu, zyn die opgaven juist?

- Ik heb ze nog niet gezien...

- Ik ook niet! Maar toch vraag ik je, of ze juist zyn? Waren de opgaven van de vorige maand juist?

Verbrugge zweeg.

- Ik zal het je zeggen: ze waren vals! Want er was driemaal meer volk opgeroepen om voor den Regent te werken, dan de bepalingen op de herendiensten toelaten, en dit durfde men natuurlyk in de staten niet opgeven. Is het waar, wat ik zeg?

Verbrugge zweeg.

- Ook de staten die ik vandaag ontving, zyn vals, ging Havelaar voort. De Regent is arm, de Regenten van Bogor en Tjiandjoer zyn leden van het geslacht waarvan hy het hoofd is. Hy is Adipati, en de Regent van Tjiandjoer is slechts Toemenggoeng, en toch laten zyn inkomsten, omdat Lebak niet geschikt is voor koffie, en hem dus geen emolumenten opbrengt, niet toe in praal en luister te wedyveren met een eenvoudigen Demang in de Preanger, die den stygbeugel houden zou als zyn neven te paard stygen. Is dat wáár?

- Ja, dat is zo.

- Hy heeft niets dan zyn traktement, en hierop is een korting ter afbetaling van een voorschot dat de Regering hem gegeven heeft, toen hy... weet je het?

- Ja, ik weet het.

Toen hy een nieuwe mesdjid wilde laten bouwen, waartoe veel geld nodig was. Bovendien, veel leden zyner familie... weet je het?

- Ja, dat weet ik.

- Vele leden van zyn familie-die eigenlyk niet in 't Lebakse tehuis behoort, en dáárom ook by het volk niet gezien is - scharen zich als een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af. Is dat waar?

- Het is de waarheid, zei Verbrugge.

En als zyn kas ledig is, wat dikwyls gebeurt, nemen zy in zyn naam de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dat zo?

- Ja, het is zo.

- Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De Regent, die in jaren klimmende den dood vreest, wordt beheerst door de zucht zich verdienstelyk te maken door giften aan geestelyken. Hy geeft veel geld uit voor reiskosten van pelgrims naar * 
Mekka, die hem allerlei vodden van relieken, talismans en djimats terugbrengen. Is het niet zo?

- Ja, dat is waar.

- Welnu, door dit alles is hy zo arm. De Demang van Parang-Koedjang is zyn schoonzoon. Waar de Regent zelf uit schaamte voor zyn rang niet durft nemen, is het die Demang - maar hy is het niet alléén - die aan den Adipati zyn hof maakt door het afpersen van geld en goed aan de arme bevolking, en door de lieden weg te halen van hun eigen rystvelden, om ze heen te dryven naar de sawahs van den Regent. En deze... zie, ik wil geloven dat hy gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem, gebruik te maken van zulke middelen. Is dat alles niet waar, Verbrugge?

- Ja, het is waar, zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon in te zien dat Havelaars blik scherp was.

- Ik wist, vervolgde deze, dat hy geen geld in huis had. Ge hebt heden morgen gehoord dat het myn voornemen is m'n plicht te doen. Onrecht duld ik niet, by God, dat duld ik niet!

En hy sprong op, en er was in zyn toon geheel iets anders dan den vorigen dag by zyn officiëlen eed.

- Maar, ging hy voort, ik wil myn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet te nauwkeurig weten wat geschied is. Doch wat van heden af geschiedt, is te myner verantwoording, dáárvoor zal ik zorg dragen! Ik hoop lang hier te blyven. Weet je wel, Verbrugge, dat onze roeping heerlyk schoon is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je zo-even zeide, eigenlyk van u had moeten hooren? Ik ken u even goed als ik weet wie er garem gelap maken aan de zuidkust. Je bent een braaf mens, dat weet ik. Maar waarom heb je my niet gezegd dat hier zoveel verkeerds was? Gedurende twee maanden ben je waarnemend adsistent-resident geweest, en bovendien reeds lang hier als kontroleur... je moest het dus weten, nietwaar?

- M'nheer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt iets zeer byzonders, neem het me niet kwalyk.

- Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle mensen... maar wat doet dit tot de zaak?

- Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden meedeelt, die vroeger niet bestonden.

- Neen! Die ingesluimerd waren door den vervloekten officiëlen slender, die zyn styl zoekt in ‘ik heb de eer’ en de rust van zyn geweten in ‘de hoge tevredenheid van de Regering. Neen,Verbrugge! laster jezelf niet! Je behoeft van my niets te leren. Heb ik je byvoorbeeld heden morgen in de Seba iets nieuws verteld?

- Neen, nieuws niet... maar u sprak anders dan anderen.

- Ja, dat komt... omdat myn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek te hooi en te gras. Maar je zou me zeggen waarom je zo berust hebt in alles wat er verkeerds was in Lebak.

- Ik heb nooit zo den indruk gehad van een initiatief. Bovendien, dat alles is altyd zo geweest in deze streken.

- Ja, ja, dat weet ik wel! Ieder kan geen profeet wezen, of apostel... hm, het hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel helpen alles terecht te brengen? Je wilt toch wel je plicht doen?

- Zeker! Vooral by u. Maar niet ieder zou dat zo streng vorderen, of zelfs goed opvatten, en dan komt men zo licht in de positie van iemand die windmolens bestrydt.

- Neen! Dan zeggen zy die 't onrecht lief hebben, omdat ze daarvan leven, dat er geen onrecht was, om het vermaak te hebben u en my uit te maken voor Don Quichotten, en tegelykertyd hun windmolens draaiende te houden. Doch, Verbrugge, je had niet op my hoeven te wachten om je plicht te doen! De heer Slotering was een bekwaam en eerlyk man: hy wist wat er omging, hy keurde het af, en verzette zich er tegen... ziehier!

Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze aan Verbrugge tonende, vroeg hy:

- Wiens hand is dit?

- Dat is de hand van den heer Slotering...

- Juist! Welnu, dit zyn kladnota's, bevattende blykbaar onderwerpen waarover hy met den resident spreken wilde. Daar lees ik... zie: 1e. Over den rystbouw. 2e. Over de woningen der dorpshoofden. 3e. Over het innen der landrenten, enz. Daar achter staan twee uitroepingstekens. Wat bedoelde de heer Slotering daarmede?

- Hoe kan ik dat weten? riep Verbrugge.

- Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opgebracht, dan er in 's lands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets * 
tonen dat wy beiden weten, omdat het in letters en niet in tekens geschreven is. Ziehier:

12. Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen ten koste der bevolking enz.).

Is dit duidelyk? Ge ziet dat de heer Slotering wél iemand was, die een initiatief wist te nemen. Je had je dus by hem kunnen aansluiten. Luister verder:

15. Dat vele personen van de familiën en bedienden der inlandse hoofden op de uitbetalingsstaten voorkomen, die inderdaad geen deel nemen in de kultuur, zodat de voordelen hiervan hun ten deel vallen, ten préjudice van werkelyke deelhebbers. Ook worden zy gesteld in het onrechtmatig bezit van sawahvelden, terwyl die alleen toekomen aan degenen, die aandeel hebben in de kuituur.

Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook dáárop staat iets zeer duidelyks:

De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toe te schryven aan het verregaand misbruik, dat van de bevolking wordt gemaakt.

Wat zeg je dáárvan? Ziet ge wel, dat ik niet zo excentriek ben als het schynt, wanneer ik werk maak van recht, en dat ook anderen dit deden?

- Het is waar, zei Verbrugge, de heer Slotering heeft den Resident dikwyls over dat alles gesproken.

- En wat volgde daarop?

- Dan werd de Regent geroepen... er werd geaboucheerd...

- Juist! En verder?

- De Regent ontkende gewoonlyk alles. Dan moesten er getuigen komen... niemand durfde tegen den Regent getuigen... och, m'nheer Havelaar, die zaken zyn zo moeilyk!

De lezer zal, vóór hy myn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten, waarom die zaken zo byzonder moeilyk waren.

- De heer Slotering had er veel ergernis over, vervolgde de kontroleur, hy schreef scherpe brieven aan de Hoofden...

- Ik heb ze gelezen... heden nacht, zei Havelaar.

En ik heb hem dikwyls horen zeggen dat hy, als er geen ver-* 
andering kwam, en als de resident niet doortastte, zich rechtstreeks zou wenden tot den Gouverneur-generaal. Dit heeft hy ook aan de Hoofden zelf gezegd, op den laatsten Seba dien hy heeft voorgezeten.

- Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zyn chef dien hy in geen geval mocht voorbygaan. En waarom zou hy dat ook? Het is toch niet te veronderstellen dat de Resident van Bantam onrecht en willekeur zou goedkeuren?

- Goedkeuren... neen! Maar men klaagt niet gaarne by de Regering een Hoofd aan.

- Ik klaag met gaarne iemand aan, wie het ook zy, maar als het moet, een Hoofd zo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank, nog geen sprake! Morgen ga ik den Regent bezoeken. Ik zal hem het verkeerde van onwettige gezagsoefening onder het oog brengen, vooral waar het te doen is om de bezitting van arme mensen. Maar in afwachting dat alles terecht komt, zal ik hem in zyn netelige omstandigheden helpen zoveel ik kan. Je begrypt nu ook, waarom ik dat geld aan den kollekteur dadelyk heb laten uitbetalen, nietwaar? Ook ben ik van voornemen aan de Regering te verzoeken, den Regent zyn voorschot kwyt te schelden. En u, Verbrugge, stel ik voor, gezamenlyk stipt onzen plicht te doen. Zolang het kan, met zachtheid, maar als het moet, zonder vrees! Je bent een eerlyk man, dat weet ik, maar ge zyt beschroomd. Zeg voortaan flink uit waar het op staat... advienne que pourra! Werp die halfheid van je, beste kerel... en nu, blyf by ons eten: we hebben Hollandse bloemkool uit een blik... maar alles is heel eenvoudig, want ik moet zeer zuinig zyn... ik ben ten achter in geldzaken: die reis naar Europa, weet je? Kom, Max! Sakkerloot, jongen, wat word je zwaar!

En met Max te-paard op zyn schouder, trad hy, gevolgd door Verbrugge, de binnengalery in, waar Tine hen wachtte aan den gedekten dis die, zo als Havelaar gezegd had, wel zeer eenvoudig was! Duclari, die aan Verbrugge kwam vragen of hy al dan niet dacht tehuis te zyn voor het middagmaal, werd meegenodigd aan tafel, en wanneer de lezer gesteld is op wat afwisseling in myn vertelling, wordt hy naar het volgend hoofdstuk verwezen, waarin ik meedeel wat er zo al gesproken werd by dat maal.