Multatuli.online

Volledige Werken. Deel 18. Brieven en dokumenten uit de jaren 1875-1877

Voorwoord

Verantwoording

[1 september 1875 Advertentie in de Prov. Geld. en Nijm. Crt.]

[3 september 1875 Bericht in de Prov. Geld. en Nijm. Crt.]

[september 1875 Aanbiedingscirculaire Minnebrieven]

[september 1875 Artikel in de Tolk van den Vooruitgang]

[september 1875 Brochure van Petrus verschijnt]

[14 september 1875 Artikel in Alg. Dagbl. van Ned. Indië]

[14 september 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[15 september 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[15 september 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[18 september 1875 Bericht in De Nederlandsche Spectator]

[20 september 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[21 september 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[22 september 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[24 september 1875 Telegram van Multatuli aan S. Katz]

[24 september 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[27 september 1875 Brief van Multatuli aan J.M. Haspels]

[29 september 1875 Programma opvoering Vorstenschool Antwerpen]

[4 oktober 1875 Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga]

[6 oktober 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[8 oktober 1875 Aanbiedingscirculaire Specialiteiten]

[9 oktober 1875 Briefkaart Multatuli aan J. Waltman]

[14 oktober 1875 Briefkaart Multatuli aan J. Waltman]

[oktober 1875 Duitse vertaling Max Havelaar]

[18 oktober 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[19 oktober 1875 Vierde druk Max Havelaar]

[oktober 1875 Bezoek C. Vosmaer]

[22 oktober 1875 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[23 oktober 1875 Bericht in Sneeker Courant]

[24 oktober 1875 Advertentie vierde druk Max Havelaar]

[24 oktober 1875 Brief van Mina Kruseman aan R.]

[31 oktober 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[november 1875 Recensie Vorstenschool in Vlaamsche Kunstbode]

[1 november 1875 Brief G.L. Funke aan Multatuli]

[2 november 1875 Brief G.L. Funke aan Multatuli]

[2 november 1875 Zesde druk Minnebrieven]

[november 1875 Artikel in de Tolk van den Vooruitgang]

[november 1875 Artikel in de Tolk van den Vooruitgang]

[5 november 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[5 november 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[9 november 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[10 november 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[14 november 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[november 1875 Brief van Mimi aan C. Vosmaer]

[16 november 1875 Brief van Mina Kruseman aan haar vader]

[17 november 1875 Bespreking Onkruid o.d.t. in Sneeker Crt.]

[18 november 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[18 november 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[19 november 1875 Bericht opvoering Vorstenschool in Het Vaderland]

[20 november 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[20 november 1875 Bespreking Onkruid o.d.t. in Sneeker Crt.]

[21 november 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[22 november 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[24 november 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[24 november 1875 Advertentie Vorstenschool in Nieuwe Rott. Crt.]

[24 november 1875 Bericht in Sneeker Crt.]

[november 1875 Herinneringen van D. Haspels]

[27 november 1875 Bespreking Vorstenschool in Nieuwe Rott. Crt.]

[29 november 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[30 november 1875 Brief van Multatuli aan M. Engelman]

[30 november 1875 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[2 december 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[2 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[3 december 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[5 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[7 december 1875 Specialiteiten herdrukt, 1e afl.]

[10 december 1875 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[12 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[13 december 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[14 december 1875 Recensie Max Havelaar in Het Schoolblad]

[december 1875 Twee recensies in Het Nederlandsch Tooneel]

[21 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[21 december 1875 Literatuurgeschiedenis van J. van Vloten verschijnt]

[22 december 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[24 december 1875 Idylle van C. Vosmaer]

[24 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[25 december 1875 A.C. Loffelt in The Atheneum]

[25 december 1875 Kerstmis bij de Hindoes in De Nederlandsche Spectator]

[25 december 1875 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[december 1875 Brief van Multatuli en Mimi aan C. Vosmaer]

[27 december 1875 Brief van Multatuli aan J.N. van Hall]

[27 december 1875 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[28 december 1875 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[29 december 1875 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[december 1875 Rekening van G.L. Funke]

[1875 Aantekeningen in het Memoriaal]

[januari 1876 Rekening-courant Multatuli en G.L. Funke]

[januari 1876 Artikel in de Tolk van den Vooruitgang]

[4 januari 1876 Artikel van Roorda van Eysinga in Het Schoolblad]

[10 januari 1876 Twee bijdragen in de Nederlandsche Kunstbode]

[januari 1876 Recensie Max Havelaar in Het Familieblad]

[januari 1876 Artikel Admiraal in Nederland]

[18 januari 1876 Artikel Stellwagen in Het Schoolblad]

[18 januari 1876 Brief van Multatuli aan A.J. Servaas van Rooyen]

[18 januari 1876 Artikel Geerke in Tooneel Almanak]

[20 januari 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[22 januari 1876 Brief van A.J. Servaas van Rooyen aan Multatuli]

[23 januari 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[25 januari 1876 Eduard Bernhold geboren]

[25 januari 1876 Artikel Versluys in Het Schoolblad]

[26 januari 1876 Brief van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[26 januari 1876 Brief van Multatuli aan J.N. van Hall]

[26 januari 1876 Brief van Multatuli aan A.J. Servaas van Rooyen]

[27 januari 1876 Bericht Spaanse Max Havelaar in Nieuwe Rott. Crt.]

[28 januari 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[28 januari 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[29 januari 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[30 januari 1876 Brief van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[1 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[februari 1876 Bespreking Max Havelaar in Vad. Letteroeffeningen]

[2 februari 1876 Dagboek-aantekeningen van Mimi]

[4 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[4 februari 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[8 februari 1876 Brief van Multatuli aan J.M. Haspels]

[8 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[9 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan de Redaktie van de Amstelbode]

[10 februari 1876 Artikel in de Nederlandsche Kunstbode]

[11 februari 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[februari 1876 Artikel Admiraal in De Tijdspiegel]

[15 februari 1876 Artikel P. Westra in Het Schoolblad]

[15 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[15 februari 1876 Brief van Multatuli aan J.N. van Hall]

[februari 1876 Artikel Admiraal (II) in Nederland]

[februari 1876 Artikel Multatuli in Het Nederlandsch Tooneel]

[17 februari 1876 Brief van Multatuli aan V. Bruinsma]

[20 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[februari 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[28 februari 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[maart 1876 Correspondentie in de Tolk van den Vooruitgang]

[1 maart 1876 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[5 maart 1876 Brief van Multatuli aan S. Katz]

[9 maart 1876 Briefkaart van G.L. Funke aan Multatuli]

[10 maart 1876 Brochure Loffelt verschijnt]

[10 maart 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[11 maart 1876 Recensie Loffelts' brochure in Nieuwe Bijdragen]

[11 maart 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[12 maart 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[12 maart 1876 Artikel in de Nederlandse Kunstbode]

[13 maart 1876 Brief van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[14 maart 1876 Artikel Versluys in Het Schoolblad]

[14 maart 1876 Brief van Multatuli aan D.J.A. Haspels]

[maart 1876 Brief van A. van der Linde aan Multatuli]

[maart 1876 Artikel in Bredasche Crt.]

[maart 1876 Artikel Admiraal (III) in Nederland]

[17 maart 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[17 maart 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[18 maart 1876 Briefkaart van G.L. Funke aan Multatuli]

[18 maart 1876 Correspondentie in de Nieuwe Bijdragen]

[maart 1876 Brief van A. van der Linde aan Multatuli]

[19 maart 1876 Brief van G.L. Funke aan Mimi]

[20 maart 1876 Brief van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[21 maart 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[24 maart 1876 Brief van Multatuli aan W. Pik]

[25 maart 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[27 maart 1876 Briefkaart van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[april 1876 Artikel De Raaf in De Schoolbode]

[april 1876 Brief Cohen Stuart in de Tolk van den Vooruitgang]

[5 april 1876 Brief van Multatuli en Mimi aan G.L. Funke]

[5 april 1876 Brief van Multatuli aan G.J.A. Boulet]

[9 april 1876 Brief van Mimi en Multatuli aan G.L. Funke]

[12 april 1876 Bericht Franse Max Havelaar in de Nieuwe Rott. Crt.]

[april 1876 Brief van Multatuli aan J.M. Haspels]

[14 april 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[16 april 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[18 april 1876 Bezoek J. Versluys]

[24 april 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[24 april 1876 Brief van Multatuli aan de Redaktie van de Amstelbode]

[30 april 1876 Brief van Multatuli aan F.C. Günst]

[2 mei 1876 Brief van Multatuli aan K.Th. Wenzelburger]

[3 mei 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[6 mei 1876 Briefkaart van Multatuli aan H. de Raaf]

[6 mei 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[8 mei 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[8 mei 1876 Brief van Multatuli aan F.C. Günst]

[8 mei 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[12 mei 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[18 mei 1876 Advertentie in het Nieuws van den Dag]

[19 mei 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[26 mei 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[2 juni 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[3 juni 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[5 juni 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[6 juni 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[8 juni 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[juni 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[16 juni 1876 Brief van Multatuli aan K.Th. Wenzelburger]

[18 juni 1876 Brief van Multatuli aan A.W. Sijthoff]

[19 juni 1876 Brief van Multatuli aan F.C. Günst]

[20 juni 1876 Brief van Multatuli aan J.H. van Offel]

[juni 1876 Brief van Multatuli aan G.W. van der Voo]

[26 juni 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[27 juni 1876 Brochure Van der Voo verschijnt]

[27 juni 1876 Brochure van G.W. van der Voo]

[30 juni 1877 Artikel in Euphonia]

[2 juli 1876 Notulen van De Dageraad]

[5 juli 1876 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[7 juli 1876 Artikel (II) in Euphonia]

[juli 1876 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[11 juli 1876 Brief van Mina Kruseman aan E. Baart]

[14 juli 1876 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[15 juli 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[juli 1876 Ingezonden Brief in de Tolk van den Vooruitgang]

[juli 1876 Artikel Admiraal (IV-V) in Nederland]

[juli 1876 Artikel in de Tolk van den Vooruitgang]

[27 juli 1876 Brief van Multatuli aan K.Th. Wenzelburger]

[31 juli 1876 Briefkaart van Multatuli aan G.L. Funke]

[1 augustus 1876 Briefkaart van Multatuli aan J. Waltman]

[3 augustus 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[4 augustus 1876 Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga]

[6 augustus 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[13 augustus 1876 Bezoek J. Waltman]

[augustus 1876 Artikel Admiraal (Slot) in Nederland]

[5 september 1876 Verschijning Franse Max Havelaar, deel 1]

[7 september 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[15 september 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[september 1876 Aanbiedingscirculaire Bloemlezing Heloïze]

[september 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[20 september 1876 Brief van A. Nahuys aan G.L. Funke]

[22 september 1876 Brief van Multatuli aan A.S. Kok]

[25 september 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[26 september 1876 Kritiek van mevr. E. Garcin in Le Républicain des P.O.]

[28 september 1876 Verschijning 3e druk Multatuli, door Cd. Busken Huet]

[29 september 1876 Verschijning Bloemlezing, 1e afl.]

[1 oktober 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[4 oktober 1876 Brief van Mina Kruseman aan J.W.]

[8 oktober 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[8 oktober 1876 Brief van Mina Kruseman aan E. Baart en B.P. Korteweg]

[11 oktober 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[17 oktober 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[17 oktober 1876 Verschijning Bloemlezing, 2e afl.]

[17 oktober 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[18 oktober 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[25 oktober 1876 Brief van Mimi aan J. Waltman]

[26 oktober 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[27 oktober 1876 Verschijning Bloemlezing, 3e en 4e afl.]

[28 oktober 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[28 oktober 1876 Prent in De Nederlandsche Spectator]

[29 oktober 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[31 oktober 1876 Recensie Bloemlezing in Het Schoolblad]

[oktober 1876 Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga]

[1 november 1876 Circulaire stempelband Bloemlezing]

[4 november 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[6 november 1876 Brief van Multatuli aan A.S. Kok]

[6 november 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[6 november 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[7 november 1876 Verschijning Bloemlezing, 5e en 6e afl.]

[8 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[8 november 1876 Bijlage]

[9 november 1876 Aantekening in het Memoriaal]

[10 november 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[11 november 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[11 november 1876 Brief van Mimi aan J. Waltman]

[11 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[12 november 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[13 november 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[16 november 1876 Dagboek-aantekeningen van Mimi]

[16 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[17 november 1876 Verschijning Bloemlezing, 7e-10e afl. compl.]

[18 november 1876 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[18 november 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[18 november 1876 Bericht Spaanse Multatuli-vertalingen in De Nederlandsche Spectator]

[19 november 1876 Advertentie Vorstenschool in Nieuwe Rott. Crt.]

[21 november 1876 Aantekeningen in het Memoriaal]

[22 november 1876 Brief van Multatuli aan W.L. Penning]

[22 november 1876 Verslag Vorstenschoolopvoering in Nieuwe Rott. Crt.]

[23 november 1876 Brief van Multatuli aan J.A. Roessingh van Iterson]

[23 november 1876 Bespreking Bloemlezing in Vox studiosorum]

[23 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[24 november 1876 Verschijning van Gedachten van A. Buys]

[24 november 1876 Verschijning Ideën VII, 3e stuk]

[25 november 1876 Advertentie Bloemlezing in Nieuwe Rott. Crt.]

[25 november 1876 Bespreking Bloemlezing in Nieuwe Bijdragen]

[26 november 1876 Brief van Multatuli aan Forster]

[27 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[november 1876 Brief van W.F. Schook aan J. Schook]

[29 november 1876 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[29 november 1876 Brief van Multatuli aan H. de Raaf]

[29 november 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[30 november 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[december 1876 Bespreking Vorstenschool in Het Nederlandsch Tooneel]

[1 december 1876 Briefkaart van Multatuli aan J.N. van Hall]

[1 december 1876 Advertentie Werken Multatuli in Nieuwe Rott. Crt.]

[2 december 1876 Brief van Mina Kruseman aan H. van Offel]

[2 december 1876 Bespreking Bloemlezing in De Wekker]

[3 december 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[6 december 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[9 december 1876 Brief van Multatuli aan J.N. van Hall]

[12 december 1876 Beoordeling Ideën VII in Het Schoolblad]

[12 december 1876 Artikel Van Vloten in Het Schoolblad]

[12 december 1876 Verschijning Franse Max Havelaar, deel 2]

[12 december 1876 Brief van Mimi aan A.S. Kok]

[14 december 1876 Over Multatuli te Nieuwediep]

[14 december 1876 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[15 december 1876 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[15 december 1876 Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga]

[16 december 1876 Brief van Multatuli aan H. de Raaf]

[16 december 1876 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[19 december 1876 Artikel Mansholt in Het Schoolblad]

[25 december 1876 Brief van Mimi aan J.C. Loman]

[26 december 1876 Artikel De Raaf in Het Schoolblad]

[1876 Friese vertaling Het Gebed van de onwetende]

[30 december 1876 Overzicht in The Atheneum]

[december 1876 Bespreking Franse Max Havelaar in Nederlandsch Museum]

[december 1876 Bespreking Bloemlezing in Nederlandsch Museum]

[januari 1877 Rekening-courant Multatuli en G.L. Funke]

[januari 1877 Brief van Mimi aan C. Vosmaer]

[4 januari 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[4 januari 1877 Nota voor Multatuli van G.L. Funke]

[10 januari 1877 Bericht in de Nederlandsche Kunstbode]

[20 januari 1877 Brief van Mimi aan J. Waltman]

[20 januari 1877 Vlugmaren in De Nederlandsche Spectator]

[20 januari 1877 Briefkaart van Multatuli aan A.C. Loffelt]

[22 januari 1877 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[25 januari 1877 Brief van Mimi aan A.S. Kok]

[januari 1877 Artikel Van Vloten in De Levensbode]

[2 februari 1877 Bespreking Bloemlezing in De Locomotief]

[7 februari 1877 Brief van Edu aan Multatuli]

[8 februari 1877 Aanbiedingscirculaire 4e druk Max Havelaar]

[9 februari 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[12 februari 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[februari 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[18 februari 1877 Briefkaart van F.A.H. Pool aan Mimi]

[18 februari 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[19 februari 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[20 februari 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[27 februari 1877 Brief van Multatuli aan G.C. de Haas-Hanau]

[februari 1877 Brief van Mimi aan C. Vosmaer]

[5 maart 1877 Aantekeningen in het Memoriaal]

[5 maart 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[6 maart 1877 Brief van Multatuli aan G.C. de Haas-Hanau]

[7 maart 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[17 maart 1877 Brief van Mimi aan A.C. Loffelt]

[20 maart 1877 Brief van P. Westra aan Multatuli]

[21 maart 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[22 maart 1877 Aantekeningen Dagboek Mimi]

[22 maart 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[23 maart 1877 Aantekeningen in het Memoriaal]

[28 maart 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[maart 1877 Circulaire herdruk Ideën V]

[10 april 1877 Tekst portret Nonni]

[13 april 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[13 april 1877 Brochure Van der Voo, 2e druk]

[19 april 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[22 april 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[27 april 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[2 mei 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[4 mei 1877 Twee bijdragen in Makassaarsch Handelsblad]

[6 mei 1877 Brief van D.R. Mansholt aan H. de Raaf]

[8 mei 1877 Briefkaart van Multatuli aan P.A. Tiele]

[28 mei 1877 Briefkaart van Nips aan Mimi]

[9 juni 1877 Recensie Bloemlezing in Euphonia]

[13 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[15 juni 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[16 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[18 juni 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[20 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[22 juni 1877 Verschijning Ideën VII, 4e stuk]

[23 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[25 juni 1877 Brief van E. Moïze de Chateleux Jr. aan A.W. Sijthoff]

[26 juni 1877 Artikel De Raaf in Het Schoolblad]

[27 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[29 juni 1877 Briefkaart van Multatuli aan H. de Raaf]

[30 juni 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[11 juli 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[14 juli 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[15 juli 1877 Brief van Multatuli aan V. Bruinsma]

[juli 1877 Herinneringen bezoek Vitus en Hilda Bruinsma]

[15 juli 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[16 juli 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[21 juli 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[25 juli 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[juli 1877 Brief van Mimi aan G.L. Funke]

[augustus 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[8 augustus 1877 Brief van Multatuli aan V. en H. Bruinsma]

[18 augustus 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[20 augustus 1877 Briefkaart van Edu aan Multatuli]

[22 augustus 1877 Artikel in Ons Streven]

[22 augustus 1877 Roorda van Eysinga in de Sneeker Crt.]

[augustus 1877 Brief van Multatuli aan W. Pik]

[27 augustus 1877 Brief van Multatuli aan V. Bruinsma]

[28 augustus 1877 Telegram van Edu aan Multatuli]

[augustus 1877 Brief van Multatuli aan W. Pik]

[31 augustus 1877 Afrekening Nieuwe Rott. Schouwburg-vereeniging]

[31 augustus 1877 Edu arriveert te Wiesbaden]

[11 september 1877 Beoordeling Ideën VII in Het Schoolblad]

[12 september 1877 Herinnering van Mimi]

[12 september 1877 Ingezonden brief Bruinsma in Ons Streven]

[12 september 1877 Verslag Mimi inzake Edu en zijn vriendin]

[september 1877 Herinneringen van Marie Anderson]

[14 september 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[16 september 1877 Brief van Mimi aan J. Waltman]

[16 september 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[22 september 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[23 september 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[25 september 1877 Spreekuren van Admiraal in Het Schoolblad]

[september 1877 Brief van Multatuli aan J.M. Haspels]

[5 oktober 1877 Verschijning Ideën V, 2e herz. druk]

[5 november 1877 Brief van Multatuli aan V. en H. Bruinsma]

[8 november 1877 Brief van Multatuli aan V. en H. Bruinsma]

[november 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[19 november 1877 Brief van G.L. Funke aan Multatuli]

[23 november 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[29 november 1877 Edu verlaat Wiesbaden]

[november 1877 Artikel Westra in De Levensbode]

[9 december 1877 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[9 december 1877 Brief van Multatuli aan J. Waltman]

[12 december 1877 Brief van Multatuli aan V. en H. Bruinsma]

[15 december 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[17 december 1877 Brief van Multatuli aan V. Bruinsma]

[17 december 1877 Brief van Multatuli aan G.L. Funke]

[19 december 1877 Brief van Multatuli aan J.M. Haspels]

[22 december 1877 Bijdrage Tiele in De Nederlandsche Spectator]

[26 december 1877 Brief van Multatuli aan P.A. Tiele]

[26 december 1877 Schrijven van Multatuli aan J. Versluys]

Biografische aantekeningen


[november 1877
Artikel Westra in De Levensbode]

Eind november 1877

Artikel van P. Westra in De Levensbode, tiende deel (1878), blz. 43-140: E. Douwes Dekker, gezegd Multatuli, uit zijn geschriften beoordeeld. (Overdruk M.M.) Fragmenten.

Westra is van mening, dat Multatuli een scheiding veroorzaakt tussen de ouderen en jongeren. De eerste groep neemt hem niet ernstig, de laatste schenkt hij een totaal wereldbeeld, dat door deze groep vrijwel kritiekloos wordt overgenomen.

(....) In 't algemeen is hij, bij 't beoordeelen onzer meeningen, zeer spoedig met de beschuldiging van onoprechtheid gereed. Onze instellingen, onze zeden, onze denkwijze, onze uitstekende medeburgers, 't zijn voor hem slechts toonbeelden van huichelarij (Ideën, 964). Het goede, dat wij nevens zooveel gebrekkigs aanschouwen, wordt door hem voorbijgezien; waar hij 't slechte opmerkt of iets als zoodanig kan voorstellen, daar vermeit hij zich met de wellust van een tijger, die zijn prooi verscheurt. Van alle personen of zaken ziet hij slechts de zwakke zijde, stelt die zijde op den voorgrond, geeft haar als kenschets van 't geheel, en vaart alsdan met heftig gebaar er tegen uit. Zelfs waar zijn goedgeluimdheid voor een oogenblik de overhand heeft op zijn bitterheid, daar nog verloochent hij zijn anti-Nederlandsche gezindheid niet. Zoo vermaakt hij zich ergens met het denkbeeld, de hollandsche natie op botters en pinken te zien ronddobberen in de Noordzee, om voor een andere verafwonende natie visch te vangen. Dit vindt hij ‘koddig als Idee’. (Vrij-Arb. bl. 40.)

't Is licht te begrijpen dat men, om Multatuli te waardeeren, met zulke gevoelens rekening behoort te houden. Zij verklaren eenigszins het isolement, waarin deze schrijver bijna voortdurend stond, en ook de onvruchtbaarheid van zijn streven. Wie zich op den Heer Douwes Dekker verlaat, wordt bezield met wantrouwen tegen onze maatschappij; hij gelooft zijn oogen en zijn ge zond verstand niet, als hij iets goeds waarneemt, dat hij zou willen steunen.(....)

(blz. 47.)

W. verwijt Multatuli geen burger van Nederland te zijn net zo min als een kind van deze tijd. Hij heeft er altijd naar gestreefd een even grote profeet als Mozes, Elias, Johannes, Jezus en Mohamet te worden en het schijnt Multatuli nagenoeg gelukt te zijn. W. echter wenst zich niet aan hem te onderwerpen; onderzoek acht hij hoger dan ziekelijke bewondering en hij neemt zich voor te onderzoeken of Multatuli's ‘wereldtafereel’ wel in alle delen juist is.

Na deze twee inleidende paragrafen vervolgt W.:

III.


Jezus heeft slechts zeven korte frazen gezegd, en hij stierf toch maar. Multatuli, Ideën 446.

Multatuli's wereldbeschouwing is een vereeniging, eene samenkoppeling van ongodistische wijsbegeerte en messiaansche zedeleer. Ongodist is hij, voor zoover hij 't geloof aan al 't ‘bovennatuurlijke’, ook aan 't laatste overblijfsel daarvan, uit de gemoederen verbannen wil, om plaats te maken voor zijn Fancy. Intusschen heeft hijzelf er de aandacht op gevestigd, dat men, met wat goeden wil, uit zijn dichterlijke bespiegelingen wel weêr den een of anderen god of godin zou kunnen samenknoeien. Hij vraagt: ‘Zal men, na twee, drie geslachten - langer tijd is er niet noodig, om een waarheid tot leugen te verwringen - zal men mij maken tot den boodschapper van een nieuwe godin? Zal ze Logika heeten? Of Noodzakelykheid? Of Anagkè? Of Isis? Zal 't 'n God zijn? Een herdruk - met ophelderende noten dan - van den ouden Jao misschien? Wie dit alles zou uitgeven voor nieuw, is 'n leugenaar... Mocht de benaming van leugenaar wat hard klinken, ik ben er tevreden meê, die aanstaande profeeten onnoozel te noemen. Dit is my één!’ (Ideën 902.)

Sommigen zullen de laatste vier woorden overbodig vinden, en 't onderscheid tusschen een leugenaar en iemand die uit onnoozelheid onwaarheden uitvent onmiskenbaar noemen. Doch die uit-drukking hoort er bij, omdat zij treft en den lezer in verwarring brengt. 't Heeft mij dikwijls verwonderd, dat de Hr. D.D., niettegenstaande zijn gedurig aandringen op juistheid van uitdrukking, die juistheid bijna altijd opoffert aan den klank. Met op 't effekt berekende frazen brengt hij zijn lezers gewoonlijk in een stemming, die hen verbijstert, en hen belet de juistheid te onderscheiden van 't onjuiste. Hierin steekt zijn kracht. Hij is - wat de Hr. Vosmaer ontkent - ‘een akrobaat op de gespannen fraze’; met ongemeene vaardigheid weet hij te goochelen met de pen.

't Gevaar, dat men den Hr. D.D. na drie of meer geslachten zal maken tot den boodschapper eener nieuwe godin, schijnt waarlijk niet bijzonder groot. Nog geringer is de kans, dat men aan die nieuwe godheid een dier oude benamingen zal geven, die hij opsomt. Er bestaat immers een ander symbool, dat in zijn werken veel meer op den voorgrond treedt, en dus ook meer gevaar loopt van tot multatuliaansche godin ‘verwrongen’ te worden. Waarom ontbreekt de naam van Fancy onder de opgenoemde godheden? Waarom protesteert hij er niet bij voorbaat tegen, dat men van die persoon een godin maakte? De Hr. Vosmaer gaf hiertoe reeds aanleiding. Is dit verzuim, opzet, of toeval? Ik beslis niet, doch heb reden tot de veronderstelling, dat de Hr. D.D. niet ongaarne verwijlt bij de gedachte, dat voor de godsvereering een Fancy-vereering in de plaats treden zal.

Het is mijn voornemen niet M's strijd tegen ‘'t geloof’ te ontleden. Zijn denkbeelden dienaangaande zijn... nieuw, nu ja, maar rusten op praemissen, die reeds sedert een paar eeuwen worden verdedigd en bestreden... elders. Hier slechts de opmerking, dat hij de ‘geloovers’ zelf, die hij heet te willen genezen, te zeer afschrikt door zijn onbarmhartige spot, die niet altijd van grofheid is vrij te pleiten. De geloofzieken laten zijn artsenijen onaangeroerd staan; slechts zij, die 't geloof reeds hadden afgelegd, begroeten hem als hun voorganger en woordvoerder. Stukken als de ‘bakerpreek’ en de beschouwing over de Elberfeldsche weeshuis-bidstonden komen mij dan ook lager voor, dan bidstonden en preeken zelf, en 't is mijns inziens slechts een andere vorm van dweepzucht, die dergelijke satires toejuichen kan. En deze opmerking geldt voor Multatuli's geschriften in 't algemeen. Te veel aandacht eischt hij voor karikaturen en charge's, waarmeê zijn werken als bezaaid zijn. Droogstoppel, Wawelaar, de Zegen Gods bij Waterloo, de prille prins van Scheltema, en de talrijke karikaturen in den VIen en VIIen bundel der Ideën,... zij zijn voor 't meerendeel te langdradig en te onbillijk, om bijval en instemming te vinden. Zij wekken meer verontwaardiging tegen den schrijver, dan tegen zijn slachtoffers. Doch zulke satiren hooren in zijn geschriften thuis. Zij zijn voor hem een bruikbare vorm, om onze samenleving donkerder te schilderen dan zij is, en dit is voor M's doel de eisch. Schrijvers die naar juistheid streven, kiezen bij voorkeur andere vormen.

Een andere opmerking, waartoe M's ongodisterij aanleiding geeft, is zijn voorstelling alsof tot den strijd tegen 't kerkgeloof zooveel moed wordt vereischt. In nommer 402 der Ideën verhaalt hij van een prokureursklerk, die voor een sergeant rekwesten schreef, tot het bekomen van een ridderorde. Het ‘beleid’ en de ‘trouw’ van rekwestrant konden gemakkelijk worden aangetoond, ‘de zaak kwam dus alleen neêr op z'n moed. Och arm - zucht hij, - soldatenmoed!’ En een weinig verder: ‘Helaas, helaas! welke prokureursklerk zal een rekwest schrijven voor mij, waarin wordt aangetoond welken moed ik noodig had, om te schrijven zóó als ik schrijf?’

Dezen uitval tegen soldatenmoed gelaten voor wat zij is, mag men vragen, of er zooveel meer moed noodig is, om de ‘gelooverij’ aan te tasten? De pers is vrij, en we hebben zeden die geen auto-da-fé's meer kennen. Ja zelfs, wie de opmerkzaamheid der menigte tot zich wil trekken en opspraak maken, kan 't met ongodisterij ver genoeg brengen. Vandaar dan ook, dat werken als die van Multatuli gretig worden ontvangen, vooral door 't jonge Nederland. Of deze opgang van duur zal zijn, zal de tijd leeren.

Verrassend, maar tevens kenschetsend is 't, dat de Hr. D.D. bij al zijn ‘ongeloof’ den persoon van Jezus in bescherming neemt; - althans tot zekere hoogte en betrekkelijk. Hij zegt in nommer 266 der Ideën:

‘Er zijn weinig historische personen... er zijn er geen, die ik zoo liefheb als Jezus. Och, ik wou hem zoo graag kennen in z'n fouten!’

‘Er is een zotte begripsverwarring in de meening, dat ik 'n vijand van Jezus wezen zou. Van de duizend-en-één Christendommen, ja! En ik beweer, dat Jezus in die vijandschap m'n bondgenoot wezen zou!’-

't Behoeft nauwelijks gezegd, dat de Hr. D.D. al 't ‘bovennatuurlijke’ verwerpt, waarmeê Jezus' schamele levensbeschrijvingen doorweven zijn. De man van Nazareth was een mensch van gelijke beweging als wij, die dus ook zijn fouten had. M. betreurt het, dat men van Jezus iets anders heeft willen maken dan een mensch. Ziehier zijn woorden:

‘O, 't is zoo jammer dat we geen waar “Leven van Jezus” hebben! Dàt zou een “mooi boek” wezen, zooals ze dat noemen. Waarschijnlijk zouden we een mensch leeren kennen; dat wil wat meer zeggen dan een god of half-god, of God, al naar men wil’ (Ideën 264).

Zijn zulke uitingen oprecht? Of wordt der kristelijke jongelingschap hier een strik gespannen? Al naar men wil. Voorzeker kon de schrijver niet met meer takt te werk gaan, om de minder bijgeloovige Kristenen voor zich te winnen. Bovendien heeft hij de Messias-vereering noodig voor zijn doel. Hij had geen enkel historisch persoon zoo lief als Jezus, doch hijzelf is zijn laatste liefde (Ideën 27). De zaak is deze: de hulde die de Europeesche maatschappij den gekruizigde bewijst, wil hij doen overgaan op zijn persoon. Hij geeft zich namelijk de airs van een Messias der Negentiende eeuw. Niet alleen in zijn zoogenaamd Kruislied, maar ook op veel andere plaatsen in zijn werken doet hij beseffen, dat hij bij voorkeur bij Jezus vergeleken wil worden; hoewel hij tevens nu en dan laat doorschemeren, dat men hem boven Jezus plaatsen moet. Het ‘Jezus deed ook zoo’ geldt bij hem voor een alles afdoende rechtvaardiging van zijn singulier bestaan, en ligt in den mond zijner vereerders bestorven. Zijn zedeleer is plagiaat van de evangeliën: zijn uitvaren tegen de machthebbenden en schriftgeleerden is eene moderne overzetting van de vloekredenen des Nazareners. Hij herhaalt Jezus' gezegden, zet ze over in ons spraakgebruik, licht ze toe, breidt ze uit, hecht er zijn gezag aan, en dringt ze aan zijn kristelijke lezers op als iets oorspronkelijks, als ‘peren uit zijn tuin’. Er is nauwelijks één kristelijke deugd bekend, - of 't moest ootmoed zijn - die niet door hem wordt aangeprezen: de meest karakteristieke gezegden van Jezus bauwt hij herhaaldelijk na. Reeds in 't boek Max Havelaar zinspeelde hij op zijn messiaansche eigenaardigheden en profetische gaven. Bij de beschrijving van Havelaar's persoon meende hij op Jezus te moeten wijzen tot opheldering van zijn gemoedstoestand en karakter. ‘Men denke’, zoo luidt het daar:

‘Men denke aan de aandoeningen van den menschenvriend, die zonder uiterlijk betrokken te zijn in den loop der gebeurtenissen, vurig belangstelt in 't welzijn van medeburger of medemensch, hoe hij beurtelings hoopt en vreest, hoe hij elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging als hij 't ziet wegdringen en vertrappen, door wie, voor een oogenblik althans, sterker waren dan schoone denkbeelden. Men denke aan een wijsgeer, die van uit zijne cel aan 't volk tracht te leeren wat waarheid is, als hij bemerken moet dat zijne stem door piëtistische huichelarij of gewinzoekende kwakzalverij overschreeuwd wordt. Men stelle zich Sokrates voor - niet als hij den giftbeker ledigt; want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die, welke uit dichterlijke omstandigheden geboren wordt - hoe bitter bedroefd zijne ziel moet geweest zijn, als hij, die het goede en ware zocht, zich hoorde noemen een ‘bederver der jeugd en een verachter der Goden’.

Sommigen zullen meenen, dat de aangehaalde vergelijkingen voldoende zijn. Niet alzoo de Hr. D.D. Hij moest zich nog vergelijken met een persoon, die in de kristelijke maatschappij voor meer geldt, dan alle wijsgeeren en menschenvrienden samen:

‘Of beter nog, men denke aan Kristus, als hij zoo treurig op Jeruzalem staart, en zich beklaagt, ‘dat het niet gewild heeft’.

‘Zulk een kreet van smart - vóor giftbeker of kruishout - vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dáar moet geleden zijn... daar is ondervonden!’

‘Die tirade is mij ontsnapt,... ze staat er nu eens, en blijve. Havelaar had veel ondervonden’....

Tiraden als de aangehaalde nu, vindt men eenige dozijnen in zijn werken. Of ze hem allen ‘ontsnapt’ zijn? Och kom! Had de heer D.D. ons niet gezegd, dat zijn werken met zorg worden geredigeerd, dan zouden die werken-zelf het ons zeggen. ‘Er wordt geen bladzij van gedrukt’ - schreef hij in Idee 998 - ‘die niet tien- ja, ik durf zeggen twintigmaal is overgewerkt. Tengevolge der mijzelf opgelegde voorwaarde van nauwkeurigheid in uitdrukking, besteed ik vaak uren aan één zinsnede’. Wat moeten we van zulke confessies gelooven? Ik weet het niet; doch dit is zeker, dat de heer D.D. niet maar zoo wat voor zich heen schrijft. Al is 't waar, dat zijn pretense nauwkeurigheid meestal uitloopt op effektmakende onnauwkeurigheid, en al behoeven we aan die twintigmaal geen geloof te hechten, toch blijkt het, dat hij met zorg zijn uitdrukkingen kiest en rangschikt. Die treurende Kristus - om hierop terug te komen - moest wel degelijk bij de persoonsbeschrijving van Havelaar te pas gebracht worden, en in de Ideën honderdmaal. Dat wij in weêrwil daarvan niet inzien, welk een verheven zending de heer D.D. vervult, is immers een bewijs te meer ‘dat publiek niet kan lezen’. Hij, die zich met al de Messias-attributen heeft versierd, hij heeft ook aanspraak op de eerbetooning, die daaraan verbonden is?

Ik opperde de veronderstelling, dat Multatuli's liefde voor Jezus voorgewend kon zijn, een list, een valstrik, een toepassing van 't reculer pour mieux sauter [1.] Reculer pour mieux sauter: (lett:) terugtrekken om beter te springen (fr.); (fig:) zich inhouden om later des te beter zijn slag te slaan., en deze veronderstelling schijnt alleszins juist.

Mijne meening hierover wordt gestaafd zoowel door de houding, die hij doorgaans aanneemt, als door sommige tusschenzinnen en uitweidingen, waarin hij zijn eigen grootheid tegenover die van Jezus stelt.

Eén dier uitweidingen vinde hier eene plaats. Zij is te vinden in den derden bundel der Ideën, onder nommer 698, te midden van de jeremiaden, die hij daar ontboezemt, over zijne ervaringen als redenaar. Volgens zijn uitvoerige mededeelingen werkte men hem op allerlei wijze tegen, men ergerde zich aan zijn voordrachten, men viel hem in de rede, gaf blijk hem niet terstond te begrijpen, en - o wonder! - men betoonde hem volstrekt niet den eerbied waarop hij aanspraak maakt.

Was 't niet om woedend te worden?

Dat was 't. En de heer D.D. koelde zijn woede, door het publiek aan te klagen van groote mannen-miskenning, op een plaats waar alleen hij aan 't woord is, en waar het publiek zich niet verdedigen kan... in zijn Ideën.

Dat er weêr iets van Jezus bij te pas kwam, spreekt van zelf. Hij dringt ons op, dat het lijden van Jezus in 't niet verzinkt bij 't geen hij moest ondergaan, en heeft daarbij tevens gelegenheid, om J. met een paar Seitenhiebe te treffen. Jezus, beweert hij, maakte zich schuldig aan ongepaste handelingen en fouten in redeneering. ‘Men denke’ - zegt hij - ‘aan de vervloekte varkens, aan den geëxcommuniceerden vijgeboom, aan 't onhoffelijk antwoord dat hij z'n moeder gaf - 't eenige woord dat hij, zoover wij uit de evangeliën weten, ooit tot haar gesproken heeft - aan het nietszeggend geef den keizer, enz. aan dien leelijken Mattheus XIX, en aan veel meer nog, dat den toets van onbevoordeelde kritiek niet kan doorstaan.’

Doch dit is slechts een aant., en 't was me hoofdzakelijk om den text te doen; ofschoon de text niet minder oppervlakkig is, dan aan een aant. niet veroorloofd zou zijn. De Hr. D.D. beweert dan, dat Jezus van zijn vijanden weinig of niets te lijden had. Ik laat zijne beweringen nu voor wat ze zijn. Doch hij zinspeelt in dat nommer op 't vele, dat hij moest doorstaan, om te eindigen met deze tirade: ‘In één woord, de roeping van den hervormer in onze dagen is moeilijker. De taak is zwaarder. De middelen geringer. De tegenstand krachtiger. De wapens waarmeê 'n voorganger wordt bestreden zijn scherper... ze zijn vergiftigd!’

De laatste zinnsnêe is weêr op 't effect berekend. Of ze grond vindt in de werkelijkheid zullen we later zien.

IV


Op vele plaatsen in mijn werken meen ik over 't salondeugdje bescheidenheid genoeg gezegd te hebben... En wil men 't woord verwringen tot eenigsins hoogeren zin, tot de eerlijkheid namelijk, die zich niet tracht aan te matigen wat haar niet toekomt, dan zijt gij onbescheiden,... zéér onbescheiden, ge zijt oneerlijk!
Ideën, 999

Onder de zaken, die de Hr. D.D. in zijn geschriften zoo grondig behandelt, kwam ook 't huwelijk meermalen ter sprake. Hij acht deze instelling noodig, ‘omdat uwe harten boos zijn’, zegt hij in Idée 1141 op de hem eigene origineele wijze. Evenwel ziet hij niets onteerends in bevalling buiten echt. Den moed, om ten opzichte van deze zaken milde denkbeelden te koesteren, ontleende hij niet aan 't achtste hoofdstuk van 't Johannes-evangelie: Jezus en de overspelige vrouw - naar welk hoofdstuk hij meermalen verwijst. Ik heb er vrede meê, doch kan niet zonder verzet berusten in de ongerijmde zelfverheffing, waarmeê 't verkondigen dier messiaansche denkbeelden bij hem vergezeld gaat. ‘Waar staat geschreven’ - zoo vraagt hij in Idee 448 - ‘dat onwettige verlossing schandelijk heet? Confusius zegt het niet. Zoroaster zegt het niet. Jezus zegt het niet. En, hooger dan die allen, de lieve Natuur zegt het niet. En, nog hooger, mijn hart niet’.

De Hr. D.D. staat hooger dan de natuur, en hooger dan de persoon die in de wereldgeschiedenis het beminnelijkst heet! Tot nog toe was de naam dier persoonlijkheid Jezus Christus; voortaan zal hij E.D.D. Chresos zijn. Begrijpt men, welken ‘rang’ de Hr. Dekker wil dat men hem toekennen zal? Moesten we niet allen terstond veranderen in Serafijnen, en zijn lof uitbazuinen? Helaas, men ziet hem slechts voor een schrijver aan...

Ja, en voor een dwaas. Meent Multatuli waarlijk, dat hij met zijn uitbundige zelfverheffing een geheele maatschappij overbluffen kan? Pas si bête [2.] Pas si bête: Zo onnozel [zijn we] niet (fr.)! Eenige onnoozelen mogen zich te goeder trouw aan den schijn vergaapt hebben, maar dit zijn uitzonderingen. 't Publiek kent Multatuli niet.

Uitermate stout noemde ik in een vorig hoofdstuk het plan, zich te willen opwerpen tot een profeet der nieuwere tijden en boetgezant der eeuw. Stout, overmoedig is zoo 'n voornemen. Doch dit sluit niet in, dat het afkeurenswaardig is. Slechts hij die 't excelsior [3.] excelsior: naar het hogere streven (lat.) tot leus aanneemt en naar die leus handelt, kan voldoen aan de eischen van onzen tijd en van elken tijd. 't Zijn de slechtste soldaten niet, die 't oog hebben gericht op den maarschalksstaf, en ellendig staat het voorzeker geschapen met hem, die zich nooit iets grooters voornam, dan hij volbrengen kon. Ook eerzucht, waardoor de Hr. D.D. volgens eigen bekentenis wordt voortgezweept, is niet zoo'n vreeselijke zaak. Men kan zich edeler drijfveêren voorstellen; maar dit neemt niet weg, dat een goed werk, uit eerzucht bedreven, toch altoos een goed werk blijft. Ten allen tijde was de eer de voedster van kunsten en wetenschappen. Men bedenke voorts, dat eerzucht een lastige kwaal is, die hare slachtoffers weinig rust laat en der menschheid vaak te baat kwam.

Maar eergevoel en eerzucht zijn iets anders, dan verfoeilijke eergierigheid. Wanneer de soldaat, waarvan ik sprak, zich weet omhoog te werken, niet door zich te oefenen in bekwaamheid, maar door zijne kameraden te verongelijken en zich een eer aan te matigen, die hem niet toekomt, dan gevoelt ieder dat we met iets heel anders dan een man van eer te doen hebben. Iets als... die andere is de man Multatuli. Men zou een lange lijst kunnen opstellen van de personen, wier verdiensten hij ignoreert en wier nagedachtenis hij smaadt - soms naar aanleiding van een nietig feit of een enkele regel schrifts. Hijzelf daarentegen pronkt met symbolische namen, ‘Havelaar’, ‘Multatuli’, ‘Chresos’ enz., en kent zich een hoogheid en voortreffelijkheid toe, die hij niet bezit. Deze handelwijs nader te qualificeeren acht ik onnoodig. (....)

(blz. 53-63.)

In § V wijst W. op de reclame die Multatuli maakt voor zijn mooischrijverij en op de nadruk die hij legt op zijn buitengewone zedelijkheid. Het zijn evenwel paradoxen, omdat men hem eigenlijk niet op het mooie maar op de inhoud van zijn geschrijf moet beoordelen. Bovendien ziet Multatuli er niet tegen op anderen te berispen over hetgeen hij zelf allerminst naliet. Zijn lasteren is een van zijn huismiddeltjes om zijn eigen voortreffelijkheid in het licht te stellen tegenover de ‘bekrompen kleinsteedschheid’ van anderen:

(....) Ze gaf hem telkens gelegenheid, om zijn lof uit te bazuinen. ‘Ik ben 'n goed mensch’, roept hij meermalen uit, ‘ja, vergelijkenderwijs 'n uitstekend goed mensch’. Nommer 447 zijner Ideën, waarmeê de eerste bundel sluit, is opzettelijk geschreven, om aan te duiden, hoe uitstekend hij wel is. Hij vertelt daar namelijk van een ‘Samojeed’, die de landsgewoonten veronachtzaamde, en zich niet besmeerde met ‘ransige traan’, zooals de andere Samojeden pleegden te doen.

‘Gij volgt de zeden niet, zeî 'n Samojedisch wijsgeer toen, gij hebt geen zeden, gij zijt zedeloos’.

‘Maar 't werd nog erger. De jonge Samojeed, na eenigen tijd te hebben voortgeleefd in onbesmeerden staat, begon eindelijk zich te wasschen met eau de cologne...

‘Hij handelt tégen de zeden, sprak nu de wijsgeer van den dag, hij is onzedig!’-

Wanneer men nu weet, dat M. vooraf mededeelt dat men (wie?) hem beschuldigde zedeloos en onzedig te zijn, welke attributen hij accepteert, dan volgt de toepassing van zelf. Zij luidt: Ik, Multatuli, ben zedeloos en onzedig, ja! Mijn zeden toch staan tot die van 't Nederlandsche volk in verhouding als eau-de-cologne tot ransige traan. Met mijn gewone kieschheid zeg ik u dit zoo verschoonend mogelijk... in den vorm van een parabel. Och, als men lezen kon! In de volgende hoofdstukken zullen wij verder zien, wat er van die eau-de-cologne zeden uit zijn geschriften blijkt. Hier slechts de opmerking, dat de Hr. D.D. hier heel handig een eerekroon weet te vlechten uit zijn veronderstelden laster. Göthe en de andere schrijvers, die ik in 't vorig hoofdstuk noemde, waren niet zoo sluw. Geen hunner zong gevoelvolle klaagliederen over de bekrompenheid zijner landgenooten; geen hunner maakte van dergelijke zaken zooveel gewags, geen hunner nam daaruit aanleiding tot zooveel behaagzieke zelfverheffing, als M. uit zijn gewaanden smaad. Zij stelden, naar 't schijnt, geenerlei prijs op een zoo gemakkelijk te verwerven en te dragen martelaarskroon. Geen hunner maakte zooveel werk van - réclame(....)

(blz. 72-73.)

W. wijst verder op Multatuli's voortdurende geldgebrek, waarmee hij zijn martelaarschap ondersteunt. Zijn vrienden die hun voorganger gebrek laten lijden moesten zich schamen. Maar W. gelooft niet aan Multatuli's armoede, want Multatuli en waarheid staan op gespannen voet met elkaar:

(....) Een aandachtige lezing van Multatuli's werken bracht er mij namelijk toe, om ten aanzien van de feiten, die hij meêdeelt, de volgende opmerkingen te maken:

1. Sommige van die feiten kunnen niet door het publiek worden gecontroleerd.

2. Veel dier feiten worden niet nagegaan, omdat men de slotsom, die hij er uit trekt, gereedelijk aanneemt.

3. Veel onbeduidende feitjes, die misschien werkelijk plaats hadden, doch de moeite van 't nasporen niet waard zijn, verheft hij zonder voldoenden grond tot type van 't geheel, tot maatstaf, tot kriterium.

4. Sommige feiten worden door hem vergroot of verkleind, al naar den eisch zijner woorden.

5. Hij verzwijgt stelselmatig veel, dat tot een juister oordeel leiden kan.

Van deze vijfderlei wijze, om ongestraft onwaarheid te verkondigen, zal ik in 't volgend hoofdstuk voorbeelden aanhalen. Ik beweer dat bijna alle feiten, die D.D. meêdeelde, onder een dezer rubrieken gebracht kunnen worden, en dat dus het ontbreken van tegenspraak niet kan gelden als een bewijs, dat hij waarheid neêrschreef. Bovendien, al spreekt men tegen, worden dan de argumenten door den Hr. D.D. volledig en met juistheid in zijn werken opgenomen? Ik zeg, neen; en ik kan het bewijzen.

De opmerking dan, dat D.D. wat heel vrij is in de wijze, waarop hij dingen meêdeelt, van welke 't publiek volgens zijn gissing de juiste toedracht niet weet, deed mij twijfelen aan wat hij zegt van zaken, die 't publiek in 't geheel niet beoordeelen kan; bijv. zijn particuliere omstandigheden. Als hij goed vindt om tien legio te noemen, dan doet hij 't. Wat zou hem beletten om woorden als ‘armoede’, honger’, ‘martelaarschap’ en dergelijke te bezigen, waar in de verte niet van zulke dingen kan sprake zijn? 't Papier is geduldig, en 't vindt altijd wel zijn onnoozele lezers. (....)

(blz. 78-79.)

W. geeft achtereenvolgens bij elk van de vijf genoemde opmerkingen een voorbeeld, niet omdat Multatuli geen mooie bladzijden zou hebben geschreven, maar veeleer omdat het tijd wordt sommigen te waarschuwen voor het onschone, dat Multatuli ‘als contrabande onder zijn waarheidsbanier, listig binnensmokkelt.’ Hij heeft over teveel schrijvers, bijv. Heine, Goethe, Molière en Rousseau, in negatieve zin geschreven. Ten onrechte wordt dit oordeel door zijn lezers overgenomen, zonder dat zij ook maar één letter van zo'n auteur hebben gelezen. In diezelfde negatieve zin en naar W.'s oordeel dus ten onrechte, laat Multatuli zich uit over Thorbecke: Multatuli wijst alleen op wat niet gedaan is en laat na de verdiensten op te sommen. W. moet afsluiten:

(....)Er zou anders nog veel te zeggen vallen, zoowel over den inhoud als over den vorm van M.'s werken. Wat toch dien vorm betreft, hij is zeer onderscheiden, en bij lange na niet altijd zoo geniaal en zoo ‘mooi’, als hij zelf en zijn lofredenaars ons willen dietsmaken. Neem uit den Max Havelaar de Saïdjah-vertelling, de toespraak tot de Lebaksche Hoofden en nog een paar schetsen en fragmenten, en gij hebt alles opgesomd wat er werkelijk letterkundige waarde heeft. Wijs op de parabels en enkele andere bladzijden in de Minnebrieven, en weinigen zullen ontkennen dat ze schoon zijn; doch wie die Minnebrieven in hun geheel bewondert, geeft blijk van een ziekelijkheid, die hem geen eer aandoet. En zóó gaat het ook elders. De Ideën en de Wouter-Pieterse bevatten schitterende bladzijden, naïeve vertellingen, schoone fragmenten; doch oordeelt ge bijv. dat Multatuli's kleingeestig geschrijf over publieke voordrachten, of de bladzijden die op Vorstenschool volgen geen beklagenswaardige vertooning zouden maken in een bloemlezing van prozastukken? Zoudt ge zijn lijst van aanmerkingen op Bilderdijks Floris V uit een letterkundig oogpunt durven toejuichen? Antwoord toestemmend zoo ge wilt, maar ik geloof u niet. Of, als ge mij wist te overtuigen, dat uw bewondering voor den geheelen Multatuli oprecht was, dan zou ik er op wijzen als op een voorbeeld van biologische werking. De vorm van zijn geschriften is dus van zeer ongelijke waarde. En de inhoud? Ik behoef slechts op de zooeven genoemde stukken te wijzen, om van den inhoud hetzelfde te kunnen zeggen. Er is zekere onevenredigheid tusschen de wijze, waarop Multatuli spreekt over verschillende zaken. Wat de staatsman Thorbecke verricht heeft bleef hem - hoe is 't mogelijk? - geheel onbekend; maar wanneer de Ned. Spectator, of de Schager Courant, of welk ander blad dan ook, een opmerking plaatst over hem of over zijn werken, dan verheft hij zoo'n opmerking tot een belangrijk feit. Wie hem prijst wordt, tot loon voor zijn ‘goedwilligheid’, tot autoriteit bevorderd; maakt men eenige aanmerking, dan heeft men hem ‘bestolen’, jazelfs, dan is er een ‘moord’ begaan. Kortom! ‘Niets bijna dat hij omtrent zichzelf schrijft’, werd onlangs nog opgemerkt, [*] Onkruid onder de Tarwe, bl. 27. ‘of 't draagt van die pronkzieke overdrijving blijk; alles wat hem betreft, neemt “ongewone” afmetingen aan; zijne gansche zelfbespiegeling loopt op stelten en drijft hem tot de onzinnigste uitingen’. En ook waar zijn eigen voortreffelijke persoonlijkheid niet in 't spel is, daar hecht hij aan sommige feiten een geheel andere beteekenis, dan ze in de werkelijkheid hebben.

Doch niet alleen in de onjuiste waardeering van feiten en verschijnselen openbaart zich de onwaarheid van Multatuli's schrijven. Er is nog iets anders, dat den indruk van zijn woord ten zeerste verzwakt. Hier en daar neemt hij een toon aan, alsof hij de wereld hervormen wil, alsof hij iets wil uitrichten, iets tot stand brengen: ja zelfs hij zegt dit vaak in ronde woorden. Hij beweert dat hij geen schrijver is, wien 't te doen is om het publiek wat kunstgenot te verschaffen; dat zij verre! ‘Redding en hulpe’ mag men van hem verwachten; hij zal den last afwenden van de schouders van den arme, die gebukt gaat onder den druk van de gebreken der maatschappij. Hij zal die gebreken wegnemen; hij zal die armen hulp en steun verschaffen in hun ellende, hij, Multatuli! En mocht hij hinderpalen ontmoeten, o, daar heeft hij op gerekend; zijn geest is vindingrijk en hij zal middel weten te vinden, om die hinderpalen uit den weg te ruimen. Mocht men hem tegenwerken, hij wacht die tegenwerking met gerustheid af: ‘zijn geestkracht is onuitputtelijk!’

Zóó stoft de man, die na bijna twintig jaren tijds, niets aan de inrichting onzer samenleving heeft veranderd, en in plaats van verbetering te brengen in 't lot van tienduizenden, zich vermeit in 't eindeloos rekken der geschiedenis van Wouter Pieterse. Zóó bralt de volksman, die er de Regeering een verwijt van maakt, dat de levensbehoeften niet zonder aanmerkelijke inspanning te verkrijgen zijn, dat het vleesch duur is en 't brood... en die nog onlangs klaagde dat hijzelf te nauwernood middelen kon vinden om de huishuur te betalen!

Er is iets beklagenswaardigs in 't schouwspel van iemand, die, na zóó hoog te hebben opgegeven van zijn bekwaamheid en geestkracht, zich eindelijk geheel verliest in nuttelooze klachten, en die, zijn roeping als hervormer vergetende, een opgesierd verhaal opstelt van de dagen zijner jeugd. Hij wekte door den Max Havelaar voor een oogenblik de geestdrift op van 't publiek, deed het volk alom van zich spreken, vestigde de aandacht van allen op zijn persoon, en... daarbij bleef het.

Van dat gunstig oogenblik, om de zaak van Max Havelaar tot een gewenscht einde te brengen, heeft Multatuli geen gebruik gemaakt. Men wenschte ‘den edelen Havelaar bij te staan’ (Ideën 292); doch Havelaar zelf gaf op die uitingen van geestdrift geen acht, en verzuimde 't ijzer te smeden toen 't heet was. Eerst nadat die geestdrift was verdwenen, trad Multatuli op nieuw voor 't publiek op, om quasi hoog beleedigd te protesteeren tegen den lof, die hem als schrijver was toegezwaaid.

En hij is blijven protesteeren toen niemand er meer aan dacht, om hem te prijzen wegens zijn stijl; hij is blijven verkondigen, dat men hem voor een ‘mooi-schrijver’ hield... tot op dezen dag.

Hijzelf leidde de aandacht af van zijn zaak, om die te vestigen op zijn persoon en op zijn geschrijf.

Ironisch heeft hij uitgeroepen: ‘Koop, publiek, koop, er zijn aandoeningen te krijgen voor wat geld! Ik heb de macht u te streelen en te kittelen, tot ge zoo gek wordt, dat ge den prijs uwer koffie vergeet, gij die anders zoo hard zijt van huid, dat de zweep er van kermt!’ Doch op erbarmelijke wijze is die ironie overgegaan in platte waarheid. 't Is waarlijk te betreuren, dat er aanleiding bestaat, om juist in dezen uitroep Multatuli's program te zien.

P. R - d.

F. Oct. 1877

(blz. 137-140.)