Multatuli.online


1013.

Anders. De Natie kent my niet, meent ge, en ge zegt dit in verband met uw aanklacht dat ik die Natie ten onrechte beschuldig van luiheid en valsheid?

Maar... zou niet m'n aanklacht juist dóór uw mening gestaafd worden, als die mening gegrond was? Gesteld eens dat het Volk verplichting aan my had, gesteld dat er aan deze verplichting niet werd voldaan, ligt er dan vermindering van schuld in de omstandigheid dat de schuldenaar z'n eiser niet ‘kennen’ zou? Maar eilieve, juist in dit niet-kennen van iemand dien men behoorde wél te kennen, ligt dan de fout. Dat ignoreren is in zo'n geval noch grond tot rechtsweigering, noch ook zelfs 'n hiertoe bruikbaar voorwendsel... het is de rechtsweigering zelf. Juist dáárover immers zou ik dan te klagen hebben!

Nog eens, gesteld dat ik aanspraak had op dankbaarheid...

Moet ik U zeggen dat dit geenszins het standpunt is, waarop ik me plaats? Ik dring slechts aan op 't belang van m'n crediteur, en vraag voor myzelf niets dan wat dááruit ware af te leiden.

Gesteld dat ik te vergelyken ware met dezen of genen... held, aan wien 't vaderland verplichting heeft, met... Beukels van Biervliet, als ge wilt. Zou men dan 't onthouden van de burgerkroon verontschuldigen door de verzekering: ‘dat men hem niet kende’? Me dunkt dat Beukels juist dáárover recht van klagen hebben zou... als 't hem tenminste om dat haringkroontje te doen was.

Maar... niet hierin ligt z'n grief. Hy is bedroefd omdat het nietkennen van z'n persoon overgaat in miskenning van de zaak die hy voorstond. Hy ziet in, dat het kaken even gebrekkig wordt toegepast als de dankbaarheid, en dat alzo de industrie waaraan-i z'n leven wydde, op weg is naar Schotland of... naar Berlyn. Dáárover klaagt hy!

Om af te stappen van deze vergelyking - in 'n bui van bescheidenheid koos ik met voordacht 'n held wiens verdiensten ik nooit begrepen heb - ik vorder geen dank. Ik eis recht! En dit eis ik niet om mynentwil, maar om-den-wille van henzelf die me dat recht onthouden.

En de oorzaak daarvan zou wezen: dat de Natie my niet kent? Maar... wien kent ze dan wél? Of kent ze niemand?

Kent ze wél iemand, wat heeft de zodanige verricht om tot die moeilyke bekendheid te geraken?

Kent de Natie - nu dring ik aan op de betekenis van 't lidwoord - kent zy de tweehonderd ministers, die wy zonder nut versleten gedurende slechts twintig jaren tyds? Kent zy den zwerm ‘geachte leden’ die haar vertegenwoordigden sedert de herziening der grondwet? Ik geloof het niet.

Wil de heer Post een proef nemen om de hier bedoelde aanspraken op bekendheid te schatten? Hy stelle zich voor, veertig jaren ouder te zyn, en in 1912 de geschiedenis te schryven van het tydperk dat ik, hy, en z'n aanstaande kinderen, zullen beleefd hebben. Hoeveel portretten van hedendaagse persoonlykheden zouden een niet ál te gek figuur maken in klassieke lyst?

Wanneer ik dus by de Natie niet bekend ben, wat valt er dan te zeggen van al die anderen?

Doch niet in deze opmerking ligt de kracht van m'n betoog. Met de onbekendheid der anderen hebben we hier niet te maken. De vraag is of de historicus Post, in wetenschappelyke consciëntie, my zou mogen overslaan in z'n Geschiedboek? En zo neen, of-i by 't noemen van m'n naam, de verzekering zou kunnen te pas komen brengen: deze bekende persoonlykheid was by de Natie onbekend?

Zou hy niet met zo'n geruchtmakende verborgenheid, aanlanden in de buurt der ongerymdheid van Schukenscheuers ‘stille faam’ die, volgens Louise, de rechte niet was?

Daar 't nu van den geschiedschryver Post niet te verwachten is, dat-i zich zou schuldig maken aan zulke absurditeit, zal hy moeten omzien naar 'n anderen term voor de uitdrukking: ‘niet kennen’ in z'n brief. Ik sla ‘miskennen’ voor. Door deze verandering krygt de ongerymde zinsnede van zo-even een gezond aanzien.