Multatuli.online


1000.

Ik leg my toe op duidelykheid van uitdrukking. In de noten op de vyfde uitgave der beide eerste bundels, zal men by 268 'n antwoord vinden op de my jaren geleden gedane vraag, wat ik bedoelde met de drie letters: ‘enz.’ waarmee ik in dat Idee ten onrechte een zin sloot?

De onbekende die my deze vraag deed - ik wens me véél zulke lezers toe! - zal waarschynlyk aanmerking maken op zekere uitdrukkingen in 't vorig nummer. Ik gebruik daar de woorden: ‘dolkstoot’ en ‘misdaad’. Ik spreek van ‘bestelen’!

Het zou me aangenaam zyn, indien men my rekenschap vroeg van de wyze waarop ik my bezig houd met den Arnhemmer. Myn verantwoording is tevens van toepassing op veel andere nummers. Immers, me dunkt ik hoor het: ‘hoe kinderachtig zich zo boos te maken!’ Dáárop zal ik antwoorden!

Het spreekwoord qui se fâche a tort, wordt gemeenlyk verkeerd gebruikt. Indien boos-worden een blyk ware van ongelyk, zou zeker soort van lymphatici er goed aan toe wezen. Zy zyn 't dan ook, die dezen deun ten behoeve van hun niet altyd edele bedoelingen verdraaid hebben, en de velen die tevreden zyn met klank inplaats van redenering, praten gedachteloos zulke ‘vloeken’ na. Zie over deze soort van vloeken zekere passage in de Specialiteiten.

Jezus werd dikwyls boos. Rodin in den ‘Juif errant’ nooit. Tartuffe maar eenmaal, en wel op 't ogenblik toen het tegendeel hem geen voordeel aanbracht.

By dit alles zou men nog eerst moeten vragen wat de betekenis is van: se fâcher? Beduidt dit woord in de zo vaak misbruikte spreekwys: zich boos maken, of: z'n verstoordheid tonen, uiten? In het laatste geval zou het qui se fâche a tort, aldus moeten vertaald worden: ‘ge zyt geen huichelaar, dus hebt ge ongelyk’. Een gek dusje!

Zou men, om den oorsprong en alzo de betekenis van dit gezegde te verklaren, misschien z'n toevlucht moeten nemen tot 'n andere spreekwys, waarin datzelfde tort in geheel verschillenden zin gebruikt wordt? Ook les absents namelyk, ont toujours tort, d.i. ze kunnen hun recht niet doen gelden. Niemand zal beweren dat dit tort der afwezenden in het minste verband staat met hun vermoedelyke schuld of onschuld, noch ook dat die afwezigheid, op zichzelf beschouwd, een bezwarende omstandigheid is.

Gelyk de meeste spreekwyzen - waarover ik alweer verzoek de eerste hoofdstukken myner Specialiteiten na te lezen - is ook het hier behandelde 'n gebrekkig surrogaat voor denken, een ezelsbrug voor trage geesten en slordige gewetens. Wie in enig geschil uitspraak te doen heeft, behoort zich de moeite te geven de gronden te beoordelen, die van weerszy worden ingebracht. De mogelykheid bestaat dat ook het ‘boos-worden’ zelf een grond oplevert, doch... dan minstens even dikwyls vóór als tegen de stelling die verdedigd wordt door den sanguino-cholericus. In zo'n geval mogen en moeten rechters, critici, ieder dien 't om waarheid te doen is, er acht op slaan.

Zy die het toegeven in verstoordheid aannemen als blyk van schuld, zullen erkennen dat hun theorie faalt, zodra ze deze zeer specifiek-menselyke zwakheid ontdekken aan twee zyden tegelyk, 't geen natuurlykerwyze dikwyls - nooit in gelyke maat evenwel (258) - voorkomt. Of ook, wanneer men van beide zyden z'n verstoordheid weet te verbergen. Hoe dan?

In één betekenis kan 't spreekwoord nu-en-dan waar zyn. Qui se fâche a tort... de se fâcher, indien hy hierdoor z'n polemisch standpunt bederft, en door z'n drift zich overlevert aan een - dán dikwyls onedel-bedaarden - tegenstander.

Hier tegenover staat evenwel, dat somtyds iemand die zich gekrenkt voelt, juist áán z'n drift een kracht van uitdrukking ontleent, die 'n tal van niet-boosworders op de vlucht jaagt. Wat alweer niet bewyst dat hy gelyk heeft.

Dat overigens by zuiver wetenschappelyk gevoerde debatten geen drift te pas komt, spreekt vanzelf. Maar... de meeste debatten zyn van anderen aard!

Voyons!