Multatuli.online


985.

Allerverdrietigst gestoord in m'n voornemen - juist ná Vorstenschool - met cyfers de verderfelyke gevolgen aan te tonen van de politieke kwakzalvery onzer dagen, moet ik my voor 't ogenblik vergenoegen met 'n paar opmerkingen van algemenen aard.

Het komt me voor, dat het woord ‘staatkunde’ van lieverlede van betekenis verandert. Het leveren van 'n definitie zou me blootstellen aan zekere welbekende soort van onvruchtbaar debat, vooral daar ik wel genoodzaakt ben den wrevel op te wekken van 't heirleger specialiteiten, welker bestaan we te wyten hebben aan de fraaie Kieswet, en de - overigens ook door my toegejuichte - afschaffing van 't zegel op de dagbladen. Zonder my alzo aan deze definitie te wagen, verwacht ik toch van ieder de erkenning dat het wél bestuderen van den Staat een vereiste is in den Staatsman, en de daardoor verkregen kennis een der elementen van Staatkunde.

Waarschynlyk zullen sommigen niet zeer veel meer vorderen. Ik beweer dat ze hierin ongelyk zouden hebben. Doch al ware dit anders, ieder neemt toch 't genoemd element - al zy 't dan volgens my slechts 'n onderdeel van 't gewenste - voor onmisbaar aan. Eilieve, hoe kan die vereiste kennis blyken uit de proeven die we dagelyks zien geven van zekere handigheid in 't voeren van de pen? Dat nog bovendien deze proeven gewoonlyk zeer gebrekkig uitvallen, ga ik nu voorby. Ik spreek nu niet van hen die zich wel slecht uitdrukken, maar toch geen kennis hebben van de behandelde zaken. De Natie moet gewaarschuwd worden tegen de onkunde van de meer geoefende fabrikanten van ‘staatkundige artikelen’ en tegen de zonderlinge verwarring van aanspraak op politieken invloed, met schryftalent, de ordinairste zaak ter wereld, al sta dan ook de frequentie daarvan niet in behoorlyk omgekeerde verhouding tot het gehalte.

Ook my kent men dat talent toe, naar 't schynt. Welnu, ik verklaar niet in staat te zyn tot het leveren van de zogenaamd staatkundige hoofdartikelen die dagelyks door allerlei onbekendeen dus meestens niet zéér hoog staande - schryvers worden ten beste gegeven. Daartoe schynt zekere soort van bekwaamheid vereist te worden, waartoe ik met den besten wil niet onbekwaam genoeg wezen zou.

Behalve de kennis van den Staat, zou er tot het uitoefenen van politieken invloed, kennis nodig zyn van andere Staten. Ook deze schynt in de ogen van Publiek te kunnen worden vervangen door de hebbelykheid van zinsneden maken.

Gesteld echter dat 'n publiek-schryver blyk gaf deze beide vakken van wetenschap met vrucht beoefend te hebben, dan nog zou men, vóór 't hechten van waarde aan z'n meningen, het recht hebben enig bewys van z'n eerlykheid te vorderen. Wie verzekert ons, dat zo'n geheel onbekende voorlichter te goeder trouw het algemeen welzyn beoogt? Welken waarborg hebben wy, dat de obscure raadgever geen handlanger is van dezen of genen vyand? Geen Trojaans paard, zwanger van aanslagen tegen de arme res publica?

In de zogenaamde haute politique doen we sedert lang niet meer. Zonder te beweren dat dit anders zyn moest, wil ik toch in 't voorbygaan vragen of 't zo ongelukkig voor ons zou geweest zyn, gedurende de laatste tien jaren iemand aan 't hoofd te heb-ben gehad, die door 'n wel uitgevoerd plan den aanwas van Pruisen belet had?

Doch, voorzover men dit voor 'n onmogelykheid houdt, vanwaar die onbegrypelyke zorgeloosheid op lager terrein? Telkens worden er by de wetgevende macht van elk Volk zaken behandeld, waarby 't Buitenland belang heeft. Is nu de veronderstelling gewaagd, dat wel eens deze of gene firma Wy & Comp. de belangen van vreemden kon behartigen?

Om 'n zeer byzondere reden, die ik nu voor me houd, verklaar ik uitdrukkelyk niet te geloven dat zulks op dit ogenblik met een onzer couranten het geval is. Ja zelfs, ik ben byna verzekerd van het tegendeel. [*] Dit wat de redaktie van de Couranten zelf aangaat. De buitenlandse ‘onz' eigen correspondenten’ zyn dikwyls meer dan verdacht. Wie byv. met aandacht de ophemelary van 't manneke Thiers, in de N. Rotterdamse leest, zal dit erkennen. Ze is onhandig genoeg om de mening te wettigen dat we hier met heel iets anders te doen hebben dan overtuiging.
(1872)
Ik geef dan ook de opmerking slechts als waarschuwing tegen blind vertrouwen, daar toch ieder inziet dat zoiets het geval wezen kán, gelyk het dan ook gedurende den Duits-Fransen oorlog waarschynlyk het geval geweest is.

Doch ook zonder nu juist aan die soort van félonie te denken, wy weten toch wat partygeest is? Wy weten toch welke voor- of nadelen er uit zekere wetten kunnen voortspruiten voor 'n provincie, voor 'n distrikt, nietwaar? Dit te ontkennen zou te dwazer zyn, daar de meeste organen niet alleen de moeite sparen hun partydigheid te verbergen, maar zelfs aan 'n zonderling soort van consequentie menen verschuldigd te zyn haar op den voorgrond te stellen. Ook de meeste leden van de Kamer erkennen by voorkomende gelegenheid volmondig dat zy de belangen behartigen van een deel des Nederlandsen Volks. De vertegenwoordigers der staatkundige begrippen van den dag zien hierin niets kwaads.

Is het dus wel zo ongepast, aan te dringen op 't juist begrip van 't woord: staatkunde?