Multatuli.online


942.

We vernemen dus dat ook het Darwinismus heel goed door de modernen kan gebruikt worden. Die heren hebben 'n stelsel à deux mains alzo! Een mes dat aan beide kanten snydt! Arme, onnozele Tartuffe, wat al ontberingen liet ge u welgevallen, om tenslotte niets te bereiken! Wat al gezichtsverdraaiïngen, om ten laatste het huis te worden uitgegooid! Wat al vermaken ontzegd, om neer te vallen op de pynbank der ontmaskering! Heilige dulder, ave! Wees gegroet, gebenedyd! De kroon der martelaarschap, enz. Amen!

Ziet ge, De Geyter, de moderne heren slaan dat martelaarschap over. Ze zyn vrolyk met de vrolyken, deftig met de deftigen, boers met de boeren, geleerd met de geleerden, ministerieel met de mannen en place, gemeenzaam met leken en professors, met studenten en filisters, met m'nheer en mevrouw, met zoons en grootvaders, voire, als het te pas komt met de keukenmeid. Ze hebben 't Geloof omgesmeed in 'n passe-partout, en de goddienery a la portée de tout le monde gebracht.

Dit doen de Jezuïeten ook, meent ge? Waarachtig niet! Zó niet! Zo handig niet! Ik verneem en lees - zelf gezien zag ik van Jezuieten nooit iets - dat ook zy zich weten te voegen naar den eis der zaken. Dat ze vaak terugtreden om wisser sprong te doen, dat ze huichelen.

Welnu, dit vind ik juist zo pryzenswaardig in de Jezuïeten. Eéns toch moet de sprong gedaan worden, en 't:


Je sais qu'un tel discours de moi paraît étrange,

dringt zich gedurende al hun voorbereidende maatregelen in de keel. Men moet 'n Orgon van domheid zyn, om dit niet te bemerken. Ze waarschuwen, precies als... van ratelslangen verteld wordt. Hebt gy geen medelyden met ratelslangen? Met de ongelukkige dieren, wier eerste voorvader terstond na de geboorte overleed, omdat-i door de schuld van z'n verklappenden staart, geen konyntje vangen kon? M'n hart is goed. De eerste Jezuïet dien ik eindelyk eens mag te zien krygen in funktie, zal 'n konyntje van me hebben... 't arme dier! Ik meen hiermee 't konyntje niet.

Misschien herinnert ge u nog iets uit den ‘Juif errant’ van Sue? - Wat ligt dat sensatie-boek al ver achter ons, nietwaar? - Moet ge niet erkennen dat die Rodin 't beetje nooddruft waarop-i de wereld te staan kwam, wel verdiende? De sterkste zakdrager zou bezweken zyn onder den last dien dat mannetje droeg, en al voelen wy geen sympathie met z'n doel, toch zyn we verplicht hulde te brengen aan de onvermoeide vlyt waarmee hy de middelen aanwendde die daartoe leiden moesten, en aan z'n zedige radysjes. Het doel van de modernen - heersen! - is 'tzelfde. Het is dus te hopen dat gy van de aan Rodins doel bestede verachting, genoeg hebt overgehouden voor modern gebruik. En 't schaadt volstrekt niet, als uw bewondering voor z'n bekwaamheid, yver en radyzen uitgeput is.

Ik weet dat gy 't Katholicismus een ingevleesden haat toedraagt... met verzen, uw enig gebrek, beste kerel! Och, mocht ik u, en meer brave Vlamingen, kunnen genezen van die ziekten, al zy 't dan dat hun verzen in den regel beter zyn dan de Hollandse. Ja, ze zyn frisser!

Van verzen gesproken, erkent ge niet dat er in de poëtery van de protestanten iets... eigenaardigs is? Iets duf-zoeterigs? Iets flemerigs? Of... 'n gemaakte fermeteit? Zekere geur die aan de chloor doet denken, waarmee men, onder voorwendsel van den stank te verdryven, dien compliceert met 'n ander luchtje? Dit laatste is modern, beste kerel! De gewezen orthodoxie stinkt door de nieuwe chloor heen, of liever, men wordt misselyk van beide. Wat nu m'n wens aangaat, uw afkeer van het Katholicismus enigszins te verstompen, deze gaat niet zó ver, dat ik u uitnodig by te dragen in 't ‘oortje van Pieter’ gelyk ik onlangs door 'n duitse dame die frans sprak, 't woord St Peterspfennig hoorde vertalen. ‘Le liard de Pierre’, zei ze. Ik wilde u maar doen in 't oog vallen, dat het Katholicisme de minst gevaarlyke van alle godsdiensten is, omdat ze 't meest... ratelt. Het ouwerwetse Protestantismus waarschuwt ook nog enigszins, ja soms zeer luid, en reeds menig konyntjen is daarby wel gevaren. Maar de modernen dragen watten om den staart.

Ik wil trachten u dit duidelyk te maken.

Stel eens, ik kwam te Antwerpen, en sprak over u. Een priester, kapelaan, of al ware 't maar 'n gewone leek van 't ware geloof, zou my zeggen: ‘begut, dien hier De Gater ies 'n greuten beuswiecht!’ Dan merk ik terstond wien ik voor me heb. In deze weinige woorden ligt 'n ganse belydenis des Geloofs, en ik mag toegeven in de vreugd dat ik uw booswichtery ten volle met u deel. Byna denzelfden indruk zou 't op u maken, wanneer een oude styve conservatief met ap- en dependentie van dordtse synodaliteit, u verzekerde dat die Multatuli een der grootste onverlaten is, die ooit geleefd heeft. Ik verwacht dat ge u niet ongaarne schikken zoudt in 't overnemen van de helft myner renommee. Maar nu 'n moderne! Ge maakt kennis, en vindt hem een joviale, fidele kerel! Om u plezier te doen, zegt-i ‘met permissie’ by 't noemen van uw clerikaal ministerie. Dat katholiseren van 't kapitaal door Langrand... bah, 'n ware schande! ‘De liberalen, m'nheer, de liberalen!’

Ge voelt u thuis. Natuurlyk! De man heeft geen zwarten rok aan, en niet eens een cylinder op. Wie zó gemakkelyk deftighedens versmaadt, moet deftigheid in voorraad hebben. En fideel... kyk! Ge spreekt van den schouwburg? Hy schrikt niet. Van de sociëteit? Hy schrikt niet. Van 'n bierhuis? Hy schrikt niet.

Wilt ge de proef verder voortzetten? Wilt ge u 'n ogenblik aanstellen alsof dit alles u nog niet werelds genoeg, niet ‘fideel’ genoeg was? Kunt ge van uzelf verkrygen, dingen aan te roeren die u vreemd zyn, of niet heel gewoon althans, om te onderzoeken hoe ver de ‘fideliteit’ van uw liberalen vriend gaat? Kom aan, speel eens de Elmire, en zie of gy uw Tartuffe betrapt? Neen, neen, neen! Ge spreekt over achterbuurt-zaken - gooi er 'n vloekje tussen - de man schrikt niet. Stuit het u, beneden uw eigen peil te dalen, ter liefde der fysiologie van de moderniteit? Wacht dan een ogenblik. Hyzelf zal beginnen. De lust tot niet-huichelend huichelen zal zich baan breken, en vóór ge 'n werelds ‘sakkerloot’ losliet, heeft hy u uit de volheid van z'n mo-derniteit gebombardeerd met veel matroziger Kraftausdrücke. Voor 't minst dat ge hem wat vooruit helpt of begaan laat, zal-i u straks op 'n glas punch inviteren in een... theehuis. Zo heten die etablissementen in Japan.

Als dát nu geen ‘fidele’ kerel is...

O zeker!

‘Geloof? Wawelary!’

‘De Behouders? 'n Ouwe-pruikeboel.’

‘Holland? 't China van Europa, m'nheer! 'n Styve troep, m'nheer! Geloof me, 't is hier voor 'n verlicht mens niet uit te houden.’

‘Godsdienst? Nu ja, zedelykheid moet er zyn, maar met die dompers houd ik me niet op.’

Vraag eens by die gelegenheid, of hy niet, leek, z'n kinderen naar de catechisatie zendt? Of hy niet, zelf dominee misschien, van dien godsdienst leeft, en er over preekt?

Neen, vraag dit niet! Elmire, maak vooral Tartuffe niet wakker. Laat hem al z'n moderniteit uitkramen, van 't ontkennen der wonderen af, tot die theehuizen toe. Vraag dan eindelyk naar my, en let eens op, of de man die zo pronkte met z'n liberalismus, niet terstond met den staart begint te klapperen?

De minst slechten zullen u tegen my waarschuwen: omdat ik alles weggooi... leugen! De hele goddienery, ja! Maar dit doe ik juist om alles te kunnen aanhangen, wat ik voor goed houd (253) en hierin ben ik consciëntieuzer dan ooit 'n gelover, die volgens zyn stelsel altyd 'n achterdeurtjen openhoudt om 't met z'n God op 'n akkoordje te gooien, en dus geen consciëntie nodig heeft. Tartuffe's woord omtrent de accommodements met den ciel - weer 'n fout in Molière! - is niet de taal van een huichelaar, maar wel degelyk 'n artikel des geloofs, juist van de niet-huichelende vromen. Doch dit in 't voorbygaan.

De meeste modernen evenwel vergenoegen zich niet met zo'n kerkelyken ban, met zo'n theologische Herabsetzung. Ze maken my uit voor 'n slecht mens... een tweede leugen! Ik ben een zeer goed mens, en reeds hierom beter dan menig ander, omdat ik, alleredelmoedigst afstand doende van alle hemelse beloningen, naar m'n beste weten m'n plicht doe alsof ik daarvoor wél beloning wachtte.

Toch neem ik dezen ál te gewonen laster niet zo zeer kwalyk om de zaak zelf, als omdat die heren u niet - gelyk de katholiek die my waarschuwde tegen u - tegelykertyd mededeelden of bemerken lieten... dat onze Mr Josse van stiel eigenlyk... goudsmid is. En vraagt ge dáárnaar, dan ontkennen zy 't.

Orfèvre? Ik? Volstrekt niet. Ge hebt immers opgemerkt hoe ik bittertjes dronk, en vloekte? Ik ben liberaal, zeer liberaal.’

Al te liberaal vind ik. Zy veroorloven zich het brood te eten van een God dien ze onttroonden, en zich te kleden in den mantel van den profeet wiens waardigheid ze ontkennen.

Deze hansworsten nu, oefenen in Holland groten invloed uit. Zeer veel leken beginnen zich te schamen over de oude vertellinkjes, en zoeken uitwegen om de wankelende of omgeworpen overtuiging in 'n fatsoenlyk haventje te bergen. Fatsoenlyk... dát's het woord! Deze kromme moderniteit is bien portée. Men kan er mee uitgaan zonder aangespuwd te worden. 't Is immers 'n godsdienst? Wat wil men meer?

De opmerking ligt voor de hand dat in de gelederen van zulke vrydenkers, de recruten worden aangeworven voor 't cismoerdyks liberalismus, een onkruid waarvan gy, Vlaamse liberalen, u geen denkbeeld maken kunt. Men zou waarachtig katholiek en conservatief worden, uit walging van die vryzinnigheid! Wat dan ook dikwyls gebeurt.

Pour la bonne bouche zyn zulke modernen en liberalen gewoonlyk leden van 'n Javaannut-Maatschappy, een vereniging die aan den weg timmert met meetings en speeches, en die ik enigszins kan doen kennen door u afschrift te geven van m'n antwoord op zekeren brief, waarin ik - Havelaar! - werd uitgenodigd by te dragen in de pogingen om den Javaan... lezen en schryven te leren. Ziehier:

Aan de Haagse Afdeling der Maatschappy
‘Tot Nut van den Javaan’.

Wel-Edele Heren!

Ik ontving zo-even uw uitnodiging om by te dragen aan een ‘fonds voor het onderwys onder de Javanen’ en ben zo vry U daarover myn verwondering te betuigen.

Het kon u toch, naar ik meen te mogen veronderstellen, bekend zyn, dat ik aan het welzyn der inlandse bevolking van Nederlands-Indië, heb ten offer gebracht wat een mens offeren kan, en derhalve iets meer dan de velen die met het oog op pensioens-reglement of arrondissering van fortuin, de misbruiken op Java rustig aanzagen - zo niet erger! - tot op den dag dat het bestryden daarvan zou kunnen plaats hebben zonder gevaar, of zelfs met voordeel.

Ik meen het dus zonderling te mogen vinden, aangesproken te worden om hulp, namens de door U vertegenwoordigde Maatschappy, die naar myn innige overtuiging, door de ogen des volks af te leiden van de ware oorzaken der kwaal, het hare bydraagt om die kwaal te bestendigen en ongeneeslyk te maken. Wie inderdaad prys stelt op beschaving, tracht haar niet bespottelyk te maken door het uitreiken van geïllustreerde schoolboeken, printjes en hand-atlassen aan de slachtoffers van stelselmatige knevelary, mishandeling en moord.

Met nog enige andere elementen - vals liberalisme, vry-arbeids-Schwindel, Kleinstädterei, geloof, geldzucht, europese baarsheid, e.d. - is de Maatschappy tot Nut van enz., onbewust een der werktuigen in de hand van het boze, en als zodanig een domme wrede satire op de Havelaarszaak, waarin de kanker die Indiën opvreet, met den vinger is aangewezen.

Onbewust? Ik geloof het!

Maar niet geloof ik, dat deze onkunde als verschoning gelden mag, sedert ik ieder die lezen kan, in de gelegenheid stelde minder onnozel te wezen.

Zeer gaarne wil ik naar m'n zeer beperkt vermogen iets bydragen, zodra er gelden worden verzameld voor een fonds om lezen te leren aan het Nederlandse Volk.

Het doet my intussen zeer leed, te moeten ontwaren dat achtenswaardige personen, als waarvoor ik de ondertekenaars der my geworden circulaire meen te moeten houden, zich hebben laten verlokken, ten behoeve van Droogstoppels bezwaard gemoed, de rol van Tetzel te spelen.

Met de meeste onderscheiding heb ik de eer te zyn, enz.

's Hage, 5 October 1869

Op dit schryven ontving ik gedurende zeer langen tyd volstrekt geen antwoord, en ten laatste... een zonderling antwoord. Maanden na myn brief namelyk, werd op eenmaal een der ondertekenaars van de aan my gezonden circulaire - als stenograaf was de man na-familie van politiekery - bevorderd tot liberaal voorlichter in indische zaken te Batavia. Hy was hiertoe zeer geschikt, niet omdat-i van deze zaken iets wist - dit is volkomen onnodig - maar omdat hy zinsneden maken kan, een hebbelykheid die, gelyk we dagelyks zien, alle andere hoedanigheden overbodig maakt. De uitgever die hem in dienst nam, schynt berekend te hebben dat er op de lektuurmarkt wat liberalismus te plaatsen was, en de courant zou dus liberaal zyn. Onze stenograaf had in Den Haag gehoord, dat er liberalismus lag in 't vry arbeiden der Javanen. Dit vind ik ook. Maar de Liberalen vatten de zaak enigszins anders op. Hun vryzinnigheid schryft voor, den onnozelen inlander over te leveren aan 't schuim van avonturiers uit alle werelddelen. En zie, ook hiermee zou ik, liberaal, desnoods genoegen nemen. De Javanen moeten dan maar slimmer worden. Maar... die maatregel sluit in zich: de omvérwerping van 't Gezag, dat thans - nu-en-dan tenminste - eens by uitzondering recht zou kunnen doen. Hoe dit zy, ik ben tegen het stelsel der Liberalen, dat zy 't stelsel van Vryen-Arbeid noemen. Hierover schreef ik reeds in 1862, en onlangs weer, een brochure.

Let wel dat m'n opinie over die Vrye-arbeids-kwestie geheel in stryd is met m'n belang zowel als met myn overigens anti-gouvernementele stemming. De Regering van Nederland, dozynen malen veranderd van zogenaamd-politieke kleur, is zich altyd gelyk gebleven in 't miskennen en tegenwerken van m'n pogingen om iets goeds te doen. Ik sla nu de oorzaak hiervan over. In den beginne boden my de Liberalen hun hulp aan, die ik weigeren moest omdat de voorwaarden tegen m'n gemoed streden. In plaats daarvan schaarde ik my, in de hoofdkwestie die de partyen verdeelt - partyen waarmee ik overigens niets wil te maken hebben - aan de zyde van dezelfde Regering, die ik overigens, nu zowel als toen, blyf aanklagen van infamie. Neen, nu meer dan toen! Elke dag die er na 't verschynen van den Havelaar verloopt, maakt de misdaad groter. Men laat in bui- * 
tenlandse bladen vertellen dat er na den Havelaar zoveel verbeterd is. Leugen! De zaken zyn hoe langer hoe erger geworden, 't geen met 'n weinig menskunde is af te leiden uit de wyze waarop men my, die dan toch tot deze beweerde verbeteringen zou hebben aanleiding gegeven, behandeld heeft. Er kan in Indië niets verbeterd worden zonder my. Meen niet dat er in deze betuiging eigenwaan ligt - of erger nog! - jacht op voordeel, en dus eigenbelang. Ik wil u dit ophelderen.

Wat eerzucht of eigenbelang aangaat, verklaar ik by dezen dat ik - evenals in 1859 - de Nederlandse Regering, elk aanbod om my, wat m'n persoonlyke grieven aangaat, tevreden te stellen, in 't gezicht zal werpen. Dit is de taal niet van iemand die zo'n aanbod uitlokt, nietwaar?

En... eigenwaan, hoogmoed? Stel me zo laag als ge wilt - of als modernen en liberalen willen - noem me dom, onbekwaam, slecht, onbruikbaar, onfatsoenlyk in één hollands woord, dan nog zou elke verbetering van de indische toestanden moeten worden voorafgegaan door 'n blyk dat men my gelyk gaf in de door daden gestaafde mening: dat ‘diefstal, roof en moord geen Regerings-systeem wezen mogen’. Geen ambtenaar in Indië durft na myn ervaring, z'n plicht doen. Helden en martelaars zyn te zeldzaam, om op die uitzonderingen te kunnen rekenen. De Nederlandse Regering is 'n Regering van schelmen, zolang ze niet door daden toont, met het verledene gebroken te hebben. Ge ziet het, ik vlei die Regering niet. Toch wist de zo-even onsterfelyk gemaakte liberale voorlichter-stenograaf, uit m'n bestryding van den Vryen Arbeid te ontdekken: ‘dat ik my verkocht had aan 't Behoud’.

Myn gissing dat deze ontdekking 'n uitvloeisel is van den wrevel over den brief dien ik u meedeelde, vindt enigen steun in de opmerking hoe anderen van die soort ándere stukken afdoen. Ik sprak zo-even van m'n nummer 454. Zoudt ge niet menen, dat er onder de leden van de moderne sekte iemand moest gevonden worden, die my antwoordde, wederlegde, bestreed? Niets van dit alles. Ze schelden my uit.

Nu erken ik, ook van myn zy de liberalen en modernen niet vriendelyk te behandelen. Maar... ik zeg er by: waarom. De lezer moge beoordelen, of de forse woorden waarmee ik die lieden * 
aanspreek, te wyten zyn aan myn wansmaak, onbeschaafdheid en oneerlykheid, of aan hún eigenschappen van dergelyke soort, die geen andere dan zeer onaangename kwalificatiën toelaten.

Een lid dan van deze zeer liberaal-moderne sekte tastte my in zo'n Javaannut-vergadering aan. Dit moest wel, om de vraag te voorkomen: ‘als ge dan iets doen wilt voor den Javaan, waarom trekt gy geen party voor Havelaar, die voorgesteld heeft, hem niet te laten vermoorden?’ Dit nu willen ze niet, omdat het 'n schuldbekentenis wezen zou. Zelfbehoud dwingt alzo tot zwartmaken. Wat ze dan ook doen. Precies als liberalen en lettermannen.

Onze moderne verhandelaar verkondigde aan ‘de schare’ - 'n dominees-woord - dat die Havelaar ‘beneden alles was’. Goed. Of liever, niet goed, maar ik ga 't voorby, omdat ik niet gaarne hoog zou staan in de schatting van zulke mannen, en tevens omdat hierin niet het punt ligt, waarop ik wilde neerkomen. Ik herinnerde u zo-even in welke omstandigheden, en waarom, ik m'n ontslag nam, en wilde u verhalen, hoe zo'n moderne dominee die handeling kwalificeert. Ter inleiding der verzekering dan aangaande m'n byzonder laag standpunt, zeide hy: ‘Na op een onaangename wyze uit den dienst te zyn geraakt’.

Denk nu niet dat ik heel boos op dien man ben. Integendeel. Met het oog op 't gebrek aan talent dat schelmen kenmerkt, moet ik erkennen dat z'n parafrase aardig gevonden is. Ik die geen schelm ben, en dus wel talent heb, zou me waarachtig enigszins moeten inspannen om geestiger te zyn. Voyons:

Nadat Curtius op 'n onaangename wyze in 'n gat was gevallen... kwam er 'n moderne Javaannutter die hem bespoog, enz. [*] Ook op de ‘Hilda’ van Constantyn heeft die man gespuwd. Gratuliere, Constantyn! Nuttig zyn die mensen! Het Publiek kan hun dryven gebruiken als graadmeter van 't schone en goede. Wees verzekerd van 't zuiver gehalte der dingen die door zo'n moderne knoeier bevuild worden. Over die ‘Hilda’ later meer, al is 't dan niet in deze brief.
(1873; niet in 1874 en 1877)
Ge begrypt dat m'n boosheid te kostbaar is, om ze weg te werpen aan zo'n man. Maar, wat te zeggen van de ‘schare’ die na den nooit weersproken Havelaar zo ‘mooi’ te hebben gevonden, zo'n wezen aanhoort, en niet ter deure uitwerpt? Is dit niet om vies te worden van scharen?

Dit ben ik dan ook. Ge hebt het kunnen bemerken in m'n stuk over ‘Publieke voordrachten’ als 't u niet reeds vroeger mocht gebleken zyn uit de Inleiding van de Minnebrieven. Het is me immers bekend dat ik, in 't publiek sprekende, gevaar loop iemand onder myn gehoor te hebben, die zo'n moderne schandvlekker zwygend, en misschien wel met fatsoenlyk ‘genoegen’ heeft aangehoord? Hartelyk dank!

Zó is m'n Publiek, De Geyter!

Maar wat behoef ik dit u te verhalen, u die in Den Haag moeite had onder de leden van 't letterkundig kongres iemand te vinden, die erkennen durfde dat-i wist waar ik woonde! Herinnert ge u, hoe 'n ‘litterator’ - kan ik 't helpen, dat de man geen opgang maakt? Laat hem trachten wat ziel te krygen, dan zal 't misschien lukken - herinnert ge u, hoe die verschipbreukte geen-effektmaker, op de vraag naar myn adres, u antwoordde: dat weet ik niet - hy loog! - ge moet dit vragen aan...

En daarop de naam van 'n dame?

Van 'n dame die - dit is waar, helaas! - die ook schreef of schryft, en wel met ziel, maar toch niet opgangerig of ‘mooi’ genoeg, om de boosaardigheid waard te zyn van zo'n laster. Want lasterlyk was de insinuatie! En dit blyft ze, al zy 't dan dat noch die dame noch ik ons heel zwaar gewond voelden door de venynige bedoeling. Dit immers kon die brave letterkundige niet weten. Hy, in z'n burgerlyk opvattinkje, moest menen al 'n zeer vergiftigden pyl te hebben afgeschoten, en ik ben zo vry den wil voor de daad te nemen. Slechts zeer weinig vrouwen zyn voor zulke aanvallen ongevoelig, en wat my betreft... och, 't getal meisjes die me verleid hebben is te groot, dan dat ik zo nauw zou letten op éne meer of minder. Maar dit kon onze moderne liberaal alweer niet weten, hy die - dát kondt gy hem toch aanzien, denk ik! - gewoon was zich te behelpen met het liederlyk regime van den ryksdaalder. (Deel III blz. 52) Door 'n allervreemdsten samenloop van omstandigheden echter, was juist de door hem genoemde dame een der zeer weinige Nederlandse maagden, die geen misbruik hebben gemaakt van m'n onschuld. Mocht te eniger tyd de vrouw, de zuster, de nicht, de dochter van dien ‘letterkundige’ me komen smeken om de eer van wat oneer... dan zal ik ze, om den wille van myn eer, ver-wyzen naar m'n schoenpoetser, die dan zelf beslissen mag of-i lust heeft zich te compromitteren.

Ik vraag u, De Geyter, of zúlke kwajongensstreken, anders moeten beantwoord worden, dan met zúlk sarcasme?

En dit alweer niet om den stumperd die, ten einde raad van wrevel over gebrek aan talent, dit meende te kunnen aanvullen met wat laster. Neen, om hém niet, maar: zo is m'n Publiek, De Geyter! De vraag of ik morgen brood hebben zal, hangt af van de mooivindery van zúlk gepeupel!

Gelyk ik in m'n brief aan de Javaan-nutters zeide, offerde ik alles wat 'n mens offeren kan, loopbaan, eer, geld, huiselyk geluk... ik had niet meer. 't Was myn schuld niet, dat ik te Lebak in 't leven bleef. M'n voorganger was vermoord. Ik wist dit, toen ik my en de mynen blootstelde aan 'n gelyk lot. Kon ik 't helpen dat ik niet bezweek onder de gevolgen van deze zo moeilyke plichtsvervulling, en dat alzo myn leven nog niet kan genoemd worden onder de gebrachte offers? Is 't billyk, dit alles zó te beantwoorden, als ik van 't Nederlandse Volk ondervind?

Na Lebak, zwierf ik, wachtende op Recht, jaren lang als 'n misdadiger rond, dervend, hongerend, zonder dak soms, maar altyd onzeker of ik den volgenden dag 'n dak hebben zou. Gedurende dien tyd - ikzelf ben verbaasd over de mogelykheid - arbeidde ik. Dit mogen myn werken getuigen. Ik bracht wel niet zoveel voort, als in andere omstandigheden het geval zou geweest zyn, maar toch: ik werkte! Ik trachtte nuttig te zyn waar ik kon, zoveel ik kon.

Let nu eens op de wyze waarop m'n arbeid wordt opgenomen. ‘Ik weet er niets van’ zegt ge! Juist! Het modern liberalismus draagt wel zorg dat ge hiervan niets te weten komt. Om eens één ding te noemen. Ge hebt m'n derden bundel Ideeën gelezen. In geen enkel Hollands tydschrift, in geen enkele Hollandse courant, is dat boek besproken. Acht gy uw Jezuïeten in staat tot zo'n... Jezuïtisme?

Wilt ge eens vernemen welken weerslag ik te horen kreeg op m'n - nog-al pikant! - werkjen over Specialiteiten? Het werd als pacotille in één greep vermeld met andere pas verschenen werkjes, onder de opmerking: dat de leden der Kamer daaruit wel iets konden leren - ei, waarlyk? - en: dat daarin een ‘koddige’ historie voorkwam over zekeren Jonker Frits!

Myn Millioenenstudiën, zag ik tot m'n grote verbazing aangekondigd in de N. Rotterd. Courant. Ze waren ‘geestig, onderhoudend’ en: ‘de schryver kan dol doorslaan’. Waaraan had ik de neerbuigende goedheid te danken, dat men wel wilde erkennen iets van my gelezen te hebben? Aan de noodzakelykheid om den Volke mee te delen, dat men een paar noten, waarin ik het ‘nut van legers en den aanleg van spoorwegen op Java behandel, gerust kon overslaan’. Ik geloof van een-en-ander iets meer te weten, dan 't onbekend schryvertje dat zulke recensiën aan den N. Rotterdammer levert, en zal my wel wachten met hem in polemiek te treden, vooral daar ik over ‘het nut van legers’ niet eens gesproken heb. Dit toch is 'n heel andere zaak, dan m'n klacht over de lafhartigheid van den militairen stand, het uitvloeisel van opmerkingen die, geheel-en-al myn eigendom, nog nooit werden te berde gebracht, en niets te maken hebben met het versleten gewawel van Vredebonden, over de ‘afschaffing van staande legers’. De man moet dus, als gewoonlyk, beginnen met lezen te leren, en ik acht me niet geroepen hem daarin les te geven. Maar dit alles is de vraag niet, voor my niet! Ik haalde dit prachtstuk van krantenwysheid slechts aan, om te doen in 't oog vallen, op welke voorwaarde alleen, men afwykt van 't beoogd modern en liberaal doodzwygen. Ge zult toch erkennen, dat myn werken een serieuze behandeling verdienden, nietwaar?

Welnu, ze durven niet!

Maar... elke indruk zoekt 'n uiting. De liberaal dien ik aantastte in z'n afgod Thorbecke - nooit is 'n fetisch klakkelozer op 'n voetstuk geraakt! - wacht zich wel my te weerleggen, maar... trekt u by den jas, als ge in Den Haag komt, om u te verzekeren dat ik 'n onverlaat ben. Dit nu is wel waar, doch 't bewyst niet dat z'n Thorbecke hoger rang heeft dan prins der ordinairheid. Niemand komt voor de modernen op, doch... in de Arnhemse Courant - liberaal, m'nheer, liberaal! - wordt verzekerd dat ik m'n tyd doorbreng met ‘bittertjes drinken’. Ook dit is wel weer de waarheid - helaas, hoe kan ik 't ontkennen tegenover u, die me zo vaak beschonken zaagt! - maar... myn aanhoudende staat van dronkenschap heldert het verband niet op tussen niet gebeurde wonderen en 't uitbuiten van die gekheden, alsof ze wél geschied waren. Er is wel niemand die myn bewyzen tegen 't bestaan van een God tracht te ontzenuwen, maar... ze wreken hun God - zegge: de broodwinning! - door my 't leven in Holland onmogelyk te maken! Niemand waagt het, iets te weerspreken van wat ik in den Havelaar of in later, daarmee in verband staande, werken aanvoer, maar...

Kom, laat ons eindigen met de juwelige beschuldiging van den modernen Javaannutverhandelaar:

‘Die Havelaar is op onaangename wyze uit den dienst geraakt.’ De waarheid is het!

Beste De Geyter, zyn uw Jezuïeten van dát kaliber? Kom aan, laat u roeren door hun onschuld, en omhels er een!

Loon eis ik niet. Althans niet om mynentwil. Hoogstens zou ik daarop aandringen, als blyk van verbetering der algemene moraliteit. Ik ben - en deze verklaring werp ik orthodoxen en behouders zowel als modernen en liberalen in 't gezicht - een der zeer weinigen, die bewezen het goede lief te hebben, ook waar 't gestraft wordt. Dat ze 't my nadoen!

Neen, ik klaag niet over de miskenning van m'n diensten, dan voorzover deze miskenning ten nadele strekt van henzelf wien ik die diensten bewees. Het doet my leed dat de wereld zo slecht is, maar om mynentwil klaag ik niet!

Ik klaag aan!

Dit blyft plicht, omdat het smoren van m'n grieven, te veel schurkery zou schynen te wettigen voor de toekomst.

Toch sla ik veel over... 't voornaamste!

De korte zin van deze lange rede, myn ronde eerlyke De Geyter, is u te vragen: of het te verwonderen is als ik bitter ben?

Wees met uw lieve vrouw - nu is zy in Holland gecompromitteerd! - hartelyk gegroet. Zeg, namens my, een vriendelyk woordjen aan al wat ‘straks’ uitspreekt als: seffens... aan de Vlaamse vrienden! Deel hun mede dat het my, in den gewonen zin des woords, zeer goed gaat. Ik ben... schrik niet, ik ben schryver tegenwoordig - hu, precies als 't liederlyk ventje dat m'n adres niet wist! - maar ik schik me, met weerzin zeker in de kameraadschap, doch overigens redelyk wel in 't schryven zelf. Ik heb tegenwoordig, wat ik niet had sedert m'n vertrek van Lebak, een kamer waar ik arbeid, met de hoop er te kunnen blyven: 'n koning te ryk! 't Zal me benieuwen of de Hollanders weer middel vinden om my te verjagen uit dezen schuilhoek. Van de wonden die me geslagen zyn - van de onheelbare, bedoel ik nu - spreek ik niet. Dat zou te velen een schandelyk genoegen doen. Bovendien, zulke zaken zyn voor Publiek niet grof genoeg. Ik zal u daarvan een-en-ander meedelen, zodra ik te Antwerpen kom. Dán zult ge kunnen beoordelen, wat het liberaal, modern en orthodox goddienend Nederland my gedaan heeft, en ik hoop u te bewegen tot de erkentenis dat m'n bitterheid zeer gematigd is. Vaarwel!