Multatuli.online


930.

Ja, habet sua fata! Maar ik ga die voorby. Ze mochten eens beneden de aandacht wezen van een beschaafd publiek.

Ter inleiding van dit drama, zou ik - vooral met het oog op den toestand van ons toneel zowel als van ons dramatisch repertorium - veel te zeggen hebben. Redenen die voor den lezer van minder belang zyn, nopen my de beschouwingen daarover tot 'n andere gelegenheid uit te stellen. Eén zaak echter moet ik reeds nu aanroeren: de zonderlinge wyze waarop men in ons landje de roeping van den dichter opvat.

By de voordracht van het tweede Bedryf, hebben velen geroepen: dat is de Koning!

Zogenaamde royalisten - ikzelf ben royalist, en wel uit liefde voor 't Gemenebest! - riepen dit met wrevel, met afkeer, byna met woede.

Zogenaamde demokraten - ikzelf ben demokraat, en daarom: leve de Koning! - riepen het met toejuiching.

Ik verzoek van dien wrevel en van die toejuiching verschoond te blyven.

't Is me niet gebleken of er ook letterzetters zyn, die in m'n vrind Puf een kameraad herkend hebben. Voor zo'n kameraad zou de herkenning niet vererend zyn, doch dat mogen de heren onder elkander uitmaken. Dit is zeker, dat ik geen enkelen Puf ken. Worden er onder de typografen luie liederlyke karakterloze sujetten gevonden... het doet me leed om hunnentwil, doch men duide 't my niet euvel dat m'n schets op hen gelykt. 't Ware hún zaak geweest, zich van 't gelyken op myn schetste onthouden. De dichter die slechts zulke verkeerdheden zou mogen aanroeren, als in onze Maatschappy niet gevonden worden, zou 'n schrale keus hebben van 't bruin dat hem toch onmisbaar * 
is om 't licht te doen uitkomen, en weldra zou men in alle scheppingen van deze soort, z'n wanhopige toevlucht moeten nemen tot menseneters. Wie weet of ook deze hulpbron niet spoedig verstopt werd door verwanten van bankiers, die misschien klagen zouden dat men hun familie aan de kaak stelde.

Wat ik over letterzetters opmerkte, is ook op koningen van toepassing. Het rondventen der verkeerdheden van personen als zodanig, alleen met het doel om den verdoemelyken honger naar de feilen van z'n naaste te stillen, is 't werk van booswichten, en onder hen nog slechts van dezulken die behoefte voelen aan schandaal, ter aanvulling van ontbrekend talent. Nog altyd meen ik zulke middeltjes niet nodig te hebben - zie den Arnhemmer, die me boven Vorstenschool stelt - maar ik zou ze blyven versmaden, al bleek er dat Arnhemmer en ik ons vergisten. Het schooljongensachtige: ei kyk, hy heeft 'n vlek op z'n abéboek... ik weet wat van hem...

Nu ja, ik weet iets van U, Nederlanders! Ik weet van u - de vlek is lelyk! - dat ge my, na al wat ik deed, ter verantwoording noopt tegen zulke Kleinstädterei. Ik verzeker u, dat onze Koning - en om zynentwil doet het me leed - my zo min bekend is als de letterzetter Puf, en dat ik m'n données te hoog gryp, om me bezig te houden met de chronique scandaleuse van personen. 't Kost me dikwyls reeds moeite genoeg, my neer te buigen tot de schandaal-kroniek van den helen tydgeest. Die tydgeest zal, als koningen, als 'n koning, als de Koning, voorbygaan. Myn werk gaat niet voorby. Meent men dat ik marmertomben uitbeitel - of al waren 't dan maar zerkjes van zandsteen - voor vlinders van één dag? Na honderden jaren zal 't de vraag niet zyn, of ik my de moeite getroost heb zekeren koning te bedoelen. Hoogstens zal men vragen, of de koningen die in myn tyd leefden - hoe heetten ze ook? - my behoorlyk hun dank betuigden voor m'n arbeid?

Wie nu, in weerwil van dit alles, in den George van 't drama, den tegenwoordigen Koning van Nederland meent te herkennen, wordt uitgenodigd met gelyke scherpzichtigheid te openbaren, wie er dan met Louise bedoeld wordt? Met Hanna? Met den lakei die de kachel aanmaakt? Met den groom van jonker Schukenscheuer? Met den niet geschoten wolf? Zou dat beest * 
ook misschien de Gemeente-wet beduiden? Of de Brielse feesten? Of de mazelen der kindertjes van de juffrouw links-achter-boven-voor?

Wel zeker! En zulke uitpluizers zullen dan meteen verklaren, om welke reden de dichter, wiens fantasie rondgaloppeert in 't heelal, juist hun buurtje verhief tot doelwit van de verontwaardiging die z'n verzen maakte. Lieve mensen, ik ken uw hele buurt niet. [*] Ik erken evenwel, met de toespeling op den schandelyk lagen aanslag van grondeigendom - geheel afgescheiden natuurlyk van de lyst waarin ik die plaatste - het oog gehad te hebben op Nederlandse toestanden. Die uitval is inderdaad aan 't adres van onze Eerste-Kamerleden.
(1872)
Hemel uw grietjes en mietjes zo hoog op als ge verkiest, maar ga u in godsnaam niet inbeelden dat myn Fancy zich met die deerns inlaat.

Wanneer ik iets te zeggen heb aan 'n bepaald persoon, dan noem ik hem by z'n naam. Dat deed Nathan ook, in Samuel zoveel. Of er evenwel voor Puf - en anderen! - uit m'n stuk niet iets zou te leren vallen? Misschien wel. Doch 't werd niet met dit doel geschreven, om de zeer eenvoudige reden dat 'n artist geen catechiseermeester is. Ik verwys hieromtrent naar een-en-ander dat ik over de roeping der Kunst in m'n vorigen bundel schreef. Men zegt dat onze grootouders de eerste thee die zy in handen kregen, gereed maakten als spinazie. Ik verzoek m'n drama te lezen, te gebruiken en te beoordelen als... 'n drama. Om hiertoe enigermate den weg te wyzen, sla ik by dezen een ondertitel voor:


vorstenschool
of
vluchtige schets
van 'n paar verschillende wyzen
waarop hooggeplaatste personen
hun roeping zouden kunnen opvatten

Dit namelyk is, met het oog op 't program en het motto dezer Ideeën, de hoofdzaak, en niet het povere, door Louise en my even onachtzaam behandeld, kuiperytje, dat trouwens meermalen - ik meen zelfs in de arabische vertellingen - tot grondslag van romannetjes gediend heeft.