Multatuli.online


1050a.

De woorden waarmee 't vorig nummer eindigt, bevatten inzoverre een onbillykheid, als élke Regering onbevoegd is op te treden als ambtgenoot van Apollo. 't Is mogelyk dat nog hier of daar in de binnenlanden van Afrika 'n negerkoning z'n onderdanen voorgaat in kunstzin, maar wy met onze parlementaire zeden, we hebben de kans op zo'n fortuintje geheel afgesneden. Men vist geen Medici's uit 'n stembus.

Wat dit aangaat, hebben wy alzo de Regering onzer Hoofdstad niets byzonders te verwyten, indien ze zich dan ook maar stipt hield binnen de grenzen der onbeduidendheid die 't noodzakelyk gevolg is van haar oorsprong. Hoe zou 'n standbeeld er uitzien, 'n muziekstuk, 'n heldendicht, 'n schildery, dat ter wereld gekomen was op de manier die we thans gebruiken tot het voortbrengen van de compacte massa wysheid, welke men 't recht heeft te vorderen van 'n verzameling mensen ‘die 't weten moeten’ met hun allen?

Dat er onder de gekozenen nu en dan iemand wezen kan, die persoonlyk bevoegd wezen zou mee te spreken over Kunst, zal wel waar zyn. Doch dan juist is hy in 'n Vergadering misplaatst, gelyk ik in m'n stuk over ‘Specialiteiten’ meen te hebben aangetoond. Michelangelo zou overstemd geworden zyn in een vergadering van épiciers. Wel verre van zich door hem te laten leiden, ligt het in den aard der menselyke natuur, dat ieder hunner hem telkens zou doen voelen, hoe conscientieus men z'n mandaat opnam, en dat-i zich nu volstrekt niet verbeelden moest den meester te kunnen spelen, omdat-i Michelangelo heette. Al was men nu eenmaal ‘in koffie of krenten of assurantie of spoorwegen’ men wist óók wat schoon en goed is... enz. Zou Kunst dan géén Regeringszaak wezen?

Dit onderwerp is in den laatsten tyd dikwyls behandeld. Ook ik doelde er op in m'n nummer 459, en vooral in de daarby gevoegde noot. Grondig behandeld, afgedaan werd voorzover my bekend is, de zaak niet. Zelfs niet in het flinke stuk dat over dit onderwerp geleverd is door den heer Wintgens, in de Kamerzitting van 4 December j.l. (1872)

Voor ik verder ga, hier een kleine correctie. In 1023 haalde ik 'n paar door den heer Wintgens gebruikte woorden aan, als bydrage tot de voorbeelden van algemeen plagiaat waarover ik my herhaaldelyk beklaagde. Die klachten houd ik staande, maar 't daar geciteerd voorbeeld was verkeerd gekozen. Er is me gebleken dat de heer Wintgens op den 4en December j.l. de noot by 459 niet gelezen had, en dat hy alzo rechtmatig eigenaar was van de woorden waarmee zyn zeer belangryke redevoering wordt besloten:

‘Ik zou hier nog meer kunnen bijvoegen, maar ik zal het bij deze punten laten. Ik wil nog alleen aan de Regering dit zeggen: wanneer het mocht blijven bij die traditie...

I.e. de Thorbeckse.

...en ook gij mocht gaan huldigen de leer dat die zaken de Regering niet aangaan - nl. dat Kunst geen Regeringszaak is - wat zal het einde zijn? Dat iemand zal opstaan, en zeggen: ik draai de stelling om, en zeg: ‘zulk soort van regeren is geen kunst.’ Zó ook eindigde dat nootje in den laatsten druk myner Ideeën, en vreemd was 't niet dat deze consonance me op het denkbeeld bracht van plagiaat. In hetzelfde kamer-seizoen had ik de redevoering van 'n ander lid, nota bene over de begroting van Oorlog, zien beginnen met 'n aanloop die ontleend was aan m'n verhandeling over Vrye Studie. En ik ontwaar zulke larcins dagelyks, in en buiten de Kamer. Men mene nu niet, dat ik dit kwalyk neem op zichzelf. Ik maak daarop slechts aanmerking in verband met het tegelykertyd beoefende doodzwygen. Wie te arm is zich 'n eigen equipage aan te schaffen, mag mynenthalve met geleende paarden ryden - ik ging liever te voet - maar hy handelt oneerlyk indien hy die paarden uitgeeft voor zyn eigendom. In weerwil alzo myner vergissing ten opzichte van 't slot der redevoering van den heer Wintgens, blyven myn opmerkingen hierover in 't algemeen van volle kracht, en wel te meer omdat ik ondervind dat men my in 't byzonder zo... bogowontisch behandelt. Zou ik hieruit mogen opmaken dat ik meer in den weg sta dan sommige anderen die men wél noemt?

Dat de heer Wintgens niet nodig heeft epigrammen te ontlenen aan vreemd geschryf, blykt uit z'n geheel stuk. Het is alweer te goed voor 'n uitgelezen Kamer en 'n ongelezen Byblad. Maar dit wist ik niet, toen ik daarvan slechts kennis droeg uit 'n kranterig verslag. Die redevoering zou stof leveren tot belangryke beschouwingen, vooral door de daarin behandelde plichten van ónze Regering in verband te brengen met de laagte waarop 'n zeer groot gedeelte van ons Volk staat. Ziedaar dan ook de reden waarom ik dit onderwerp vastknoop aan Leentjes zonderling verslag van haar eersten, en misschien enigen, tocht naar ‘de komedie’.

Een eigenlyk gezegde studie over dit onderwerp, zou me verder leiden dan de economie der Wouter-geschiedenis gedoogt. Maar ik mag niet álle opmerkingen terughouden. Al zy 't me dan waarschynlyk niet gegeven, het vraagstuk omtrent de grenzen der regeringsbemoeienis op te lossen, toch meen ik een en ander te kunnen in 't midden brengen, dat tot die oplossing kan meewerken.

Wie m'n Woutertje alleen leest om te weten ‘hoe 't toen ver-der ging?’ wordt verwezen naar den verrukkelyken ‘Onechte Zoon’ in de Elandstraat.