Multatuli.online


1047a.

De natuur bestaat uit tegenstellingen. Of liever, haar werkzaamheid, hoewel één in richting en voortgestuwd door gelyksoortige oorzaken, openbaart zich veelal op 'n wyze die ons oppervlakkig doet denken aan verschillende wetten niet alleen, maar zelfs aan invloeden die tegen elkander schynen in te lopen. Ook zyn we dikwyls genoodzaakt, ten behoeve van den leerling - of om den last van 't begrypen te splitsen, tot we dien stuksgewys beuren kunnen met ons eigen denkvermogen - onderscheidingen te maken, die geheel vervallen wanneer men zich op hoger standpunt plaatst. (491)

In dagelyksen zin moge dalen en scheiden lynrecht tegenover stygen en verbinden staan, toch weten wy dat die verschynselen gelyksoortige gevolgen zyn van dezelfde kracht. Zo ook weten wy dat, in de werktuigkunde, traagheid en beweging - wat de oorzaak aangaat - op 't zelfde neerkomen.

En dit is niet in mechanica alleen het geval. Ook in zielkunde... Wie zou durven verzekeren dat niet ook deze beide wetenschappen-zelf eenmaal tot één rubriek van kennis zullen behoren?

...ook in zielkunde vinden wy de oorzaken die aanzetten tot beweging, zo vermengd met de redenen die tot stilstand schynen te nopen, dat het schiften moeilyk valt. Het zou dan ook strikt genomen onze plicht zyn, wanneer we zeker verschynsel toeschryven aan een byzondere natuurwet, dit altyd te doen onder de voorbehouding: by wyze van spreken.

By wyze van spreken dan, zyn wy allen geboren met twee zeer verschillende neigingen. We zyn traag, en: we willen werken. Het is bekend hoe die beide begrippen in het ene woord Rust worden uitgedrukt, gelyk reeds door Bilderdyk is opgemerkt. Ik stel dezen verzenmaker geenszins hoog als wysgerig taalkenner, en beweer dat-i z'n naam als zodanig voornamelyk te danken heeft aan de schandelyke onwetendheid van z'n mededingers, die - gelyk ook thans nog in de officieel-geleerde wereld byna algemeen 't geval is - niet eens schynen geweten te hebben dat taalstudie een der belangrykste takken van algemene wysbegeerte is. Zolang de hoogleraren in dit vak zich bezighouden met kibbelen over de geslachten der woorden, over letters en spelwyze - altemaal zaken waarmee 't begrip: Taal evenmin te maken heeft, als wiskunde met de stof waaruit men passers en linealen vervaardigt - zó lang is hierin geen verbetering te wachten. En dit is wel jammer! De nietigheden die men gemakshalve op den voorgrond plaatst, hebben de studie van de Taal, als kenbron van de ervaringen en aandoeningen des Menselyken Geslachts, gesmoord ten behoeve van letterziftery, hoogstens van 't niet altyd gegrond belang dat ons wordt ingeboezemd door dezen of genen ouden schryver, dien men zich tot taak stelt te verklaren. En dat ‘misgrypen’ openbaart zich niet alleen in de zogenaamde geleerdheid. Wy ontdekken het overal als 'n eerst gevolg van de kennis der letters in allerlaagsten zin. Zodra men hier en daar begon klanken voor te stellen door zichtbare tekens, was 't met de natuurlyke wordingsgeschiedenis van de taal gedaan. Wie zeker geluid wist uit te drukken door 'n - altyd slechts conventioneel! - teken, was zo groots op z'n kunst, dat-i voor z'n tekens den voorrang eiste boven de klanken-zelf die ze heetten te vervangen. Zo werd het levende door 't dode verdrongen. Weldra schreef men niet wat er gesproken werd, de schoolmeesters eisten dat men spreken zou zoals zy verkozen te schryven. En dat zou voortaan ‘beschaving’ heten.

Dit is alzo gebleven tot op dezen dag.