Multatuli.online


Naschrift by den derden druk

Meer nog dan uit andere stukken zal den oplettenden lezer uit dezen bundel gebleken zyn dat ik verband meen te zien tussen den toestand van ons landje, en de wyze waarop men van machthebbende zyde voortgaat my te behandelen. Dat ik van velerlei kanten door blyken van hartelyke sympathie voor die even domme als hardnekkige miskenning word schadeloos gesteld, doet hier niet terzake. Ik wys dan ook slechts op dat verband om de volgorde der stukken in dezen bundel te rechtvaardigen. Er zal 'n tyd komen dat de samenhang duidelyker in 't oog valt dan nu door te grote nabyheid mogelyk is. (122)

Gedurende de correctie had ik moeite my van uitvoerige noten te onthouden, omdat slechts weinig nummers daartoe geen aanleiding gaven. Byna dagelyks leverde my de pers van 1876 bewyzen voor de waarheid van wat ik in 1872 en 1874 (het jaar der tweede uitgave) geschreven had, en vooral was dit het geval ten opzichte van de thorbeckeritis waarover in dezen bundel gehandeld wordt. Van myn aanvankelyk voornemen om die bewyzen te colligeren, en daarvan een aanhangsel te vormen, zie ik af omdat ik begin te geloven dat de misdadige zotterny waarmee de Natie zich in 1848 door frazenmakende raddraaiers heeft laten inenten, haar eigen dood sterven zal. Onze ellendige Kieswet en de daaruit voortgekomen Volksvertegenwoordiging, geraken meer en meer in verachting, zelfs by hen die, alle consequentie verwaarlozende, nog altyd op den klank af den schepper van die ondingen met den titel van ‘Staatsman’ bestempelen.

Hoe dit zy, in den aanvang van dit jaar had de krankzinnigheid haar toppunt bereikt: het standbeeld van den groten Thorbecke zou onthuld worden! Het regende jubelvlugschriften en juichkrantartikelen. Godbewaarme dat ik alles zou gelezen hebben! Ik constateer slechts dat, voorzover te myner kennis kwam, nie-mand de goedheid had 'n antwoord te leveren op de herhaaldelyk door my gedane vraag: ‘wat er door Thorbecke verricht was, dat hem aanspraak gaf op de algemene verering?’ Ik van myn kant heb op onderscheiden plaatsen aangetoond hoe hy z'n staatsmansplicht verwaarloosde, niet alleen, maar dat hy door 't invoeren van z'n middelmatigheidsregime alle uitzicht op verbetering voor vele jaren heeft afgesneden. Ook hierin alzo lopen m'n persoonlyke grieven en m'n droefheid over het te gronde richten van ons land, in één punt samen.

Maar, nog eens, ik onthoud me nu van bewyzen, en dit gehele Naschriftje zou achterwege gebleven zyn, indien ik niet in de Noot by 980 daarop gewezen had. Dit geschiedde in Mei, in de maand der onthulling, en ik was bezig met colligeren van de zotternyen die me dagelyks onder de ogen kwamen. De lezer kent den grappigen samenloop dien ik in dat nummer 980 beschreef. Welnu, daarvan werd my 'n herhaling geleverd, waaruit de beoefenaar van kansrekening zal kunnen opmaken hoe frequent de ongerymdheden zyn, waaraan men zich wel schuldig maken moet, om in dien Thorbecke iets uitstekends te blyven zien. In 'n standbeeldbejubelend hoofdartikel van 't Nieuws van den Dag - 'n stuk waarin vorm en inhoud zich den voorrang in bespottelykheid betwistten - vond ik o.a. de verzekering dat Thorbecke zeer in 't byzonder ‘de man van de school’ was geweest. Maar in 't byvoegsel van datzelfde blad kwamen op denzelfden datum (18 Mei) de regels voor:

‘De h.h. Moens, Kerdijk en anderen die der natie de ogen openden over den toestand waarin ons lager onderwijs verkeert, hebben feiten en cijfers genoemd, welke ieder weldenkende moesten doen blozen van schaamte over de verwaarlozing van het belangrijkst element van opvoeding.’

Blozen van schaamte? Heel goed! Maar 't jubelen dan? Blozend jubelen? Jubelend blozen? Hoe is 't nu eigenlyk?

Wel goedig van de lieve natuur der dingen, dat ze van tyd tot tyd de correctie van epidemische verdwazing op zich neemt door 'n ongerymdheid te doen uitlopen op tastbare zotterny. Toch zou ik dezen aardigen tegenhanger van 't gelyksoortig toeval-sarkasme dat ik in 980 beschreef, nu niet aangeroerd hebben, indien ik niet by dat nummer naar dit Naschriftje verwezen had. De oogst van zotternyen was te groot om alles in de schuur te halen, en liever had ik me geheel onthouden, dan gevaar te lopen den lezer in den waan te brengen dat het hier aangehaald staaltje slechts uitzondering wezen zou. Tegen deze mening teken ik uitdrukkelyk verzet aan.

De lezer kan zich overtuigd houden dat ik volop verzadigd ben, niet alleen van Thorbecke en z'n aanhang, maar ook van 't schryven over die onsmakelyke onderwerpen. Zeker zou ik ze dan ook niet vereerd hebben met zoveel opmerkzaamheid als ik daaraan meermalen ten koste legde, wanneer ik niet gedurig door droevige persoonlyke ervaring genoodzaakt was my bezig te houden met de oorzaken der mishandeling waaraan ik sedert 'n twintigtal jaren ben blootgesteld. Ik heb het goede gewild, en de personen die onder beneficie van den thorbecksen middelmatigheidscultus aanhoudend op den voorgrond treden, zyn uit zucht tot zelfbehoud wel gedwongen 't kwade voor te staan. De natie die dit onverschillig aanziet, zal van haar medeplichtigheid bittere vruchten plukken. Of liever, dit is reeds het geval. Leger, vloot, armwezen, volksvoeding, onderwys, rechtspleging, gezags-prestige, de toestand van Insulinde, de stemming van 't Buitenland, alles roept even luid om verbetering. Men gelieve te erkennen dat ik, vele jaren geleden reeds, gewaarschuwd heb. Voor den toekomstigen geschiedvorser zal 't opmerkelyk wezen hoe 't zogenaamd modernismus op kerkelyk gebied 'n voortbrengsel was van denzelfden grond die de miasmen der parlementery uitdampte. De hoofdtrekken waardoor beide kwalen gekarakteriseerd worden, zyn dan ook tamelyk van gelyken aard, en daarom doet het my genoegen dat ze in dezen bundel als 't ware in één greep behandeld, of althans aangewezen zyn. De nazaat die me verwyt dat ik me te veel met politiekery en halveerdoxie bemoei, kent noch 't aantal noch de soort van de vyanden die ik te bestryden heb. Bovendien, die stryd behoort evengoed als byv. Vorstenschool en Woutergeschiedenis, tot het program dat ik me by 't aanvangen dezer Ideeën voorschreef.

(1877)