Multatuli.online

Duizend-en-eenige hoofdstukken over specialiteiten

I

II

III

IV

V-MV

MVI

MVII

MVIII

MIX

MX

MXI

MXII

MXIII

Voorbericht voor den tweeden druk


I

Na Carnaval de Vénise en duitse eenheid zal men moeilyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr Dibbits onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier en daar iets te zeggen over vaderlandse welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te doen te hebben met een der ‘excentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen’. Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zodanig stuk van zodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had.

- Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor Hartzfeld den hollandsen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa.

- Wat zel ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is... 'n eiland.

- Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd?

- Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek.

De goede majoor Hartzfeld toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eiste van m'n kapitein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst interessante Amboina op hem maakte. En ook ‘Publiek’ is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zo'n armen schryver dood te slaan met één slag. Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn?

Nu, ik zal 't niet wezen. En daarom de zaak Dibbits-Keer! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde, minst excentrieke dingen ter wereld... zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie.

Wie heden ten dage iets te zeggen heeft, waarby the right man on the right place kan worden te pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt - maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding - men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van een hoofdartikel, waarin dat testimonium van hedendaags savoir faire maar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna zyn krachten beproeven aan een verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere...

Van jongs af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen ‘bluf’ geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkope spotterny. Ik heb de woorden ‘type’, ‘humor’ en ‘genie’ in de kindsheid hunner populariteit gekend. ‘Bepaald’ is jonger. Een der nog jongeren is ‘intens’ om nu van ‘objektief’ en ‘subjektief’ niet te spreken...

Tot m'n schaamte moet ik bekennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in staat te stellen tot het genieten der primeur van engelse stopwoorden. Een beetje frans, wat school- of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm - men kan z'n oren niet sluiten - was alles wat my in m'n jeugd voorgezet werd. De engelse praatjes uit dien tyd bepaalden zich tot: the devil is an ass, take a basket and save the pieces of your soul, en Yankee Doodle's klacht: he couldn't find the town, he saw too many houses. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathans raadgeving aan z'n zoon: ‘Be honest, my boy, be honest if possible, but... make money!’ Maar dat komt hier eigenlyk niet te pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer, hoe liever hebben méér kans op populariteit. Ze waren dan ook sans malice. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's ‘om zo eens iets te zeggen’. Men maakte er geen ‘eerst beginsel’ van, waarop - onder andere zaakjes - de hele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee...

Onschuldige jeugd!

Toch excentriek!

De inkleding... misschien! Maar overigens...

Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voor te bereiden tot het betoog dat de uitdrukking: the right man on the right place, te onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n scie, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers... tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwensen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats sticht wél kwaad.

Indien al de hoedanigheden - of de hoogst bereikbare maat daarvan - die een veldwachter behoren te versieren, verenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik - in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte der zaak te zyn - zo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter toe. Men moet een ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zo'n gelegenheid niet mee te juichen. In dezen zin alzo durf ik 't engels dicton niet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat een zwaard past in z'n schede, en een sleutel op 't slot waarby hy behoort. Dat een kraamkind in de wieg moet liggen - al blyf ik protesteren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger... altemaal right things on their right places, of desiderata daartoe strekkende.

Maar eilieve, we zullen toch niet van engelse wyzen hoeven te leren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minis-ter Z op geen enkel slot past, en dat men Y zyn roes niet kan laten uitslapen in een wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs vóór Willem den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen Willem.

Er moet dus in dat gezegde over de juiste plaatsing van personen - tenzy daarin géén zin hoegenaamd ligge - iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zo terstond vat, en deze mening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar engelsen oorsprong.

De uitstekende X is dus veldwachter geworden.

- Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang een voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik.

- Hm! Dát is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te paard.

- Hy heeft veel vrouwen en kinderen...

- 't Kan zyn. Maar niet dáárom werd hy aangesteld.

- Hy is ‘finaal’ vry van sterken drank.

- 't Is mogelyk. Maar... je bent er nog niet.

- Hy heeft weinig vrouwen en géén kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester?

- Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd.

- Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Zyn knevel zal alle dieven en jachtstropers schrik inboezemen.

- Mis!

- Ik geef 't op.

- Onnozele! Raad nog eens!

- Hy, hy, hy... ik weet het waarlyk niet.

- Och, myn waarde oudmodische gearriëreerde allerbeste vriend... je bent honderd jaar ten achter. X is... the right man on the right place! Dat 's wat ánders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid!

Wie nu nog minder engels verstaat dan een gepensionneerd Goeverneur-Generaal, zou byna in verzoeking komen te geloven dat die woorden een onvertaalbaar toverformulier inhouden, een verzekering dat X zyn benoeming aan de wondervolle tussenkomst van een beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was... * 
Niets van dat alles. De hele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking.

Eilieve, waarom drukken wy zo'n eenvoudige begrypelyke hollands-menselyke zaak in vreemde taal uit?

Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin ener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld...

‘Haar vader was trompetter’ had men beweerd.

...hoe die vriendin party trok voor de gehoonde afwezige, met een heftig:

- Ja, maar... 'n engelse trompetter!

Dáárover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot, als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus ‘volkerenwysheid’ borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't engels trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't een fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben - van trompetters en anderen - maar juist dáárom geen onverdiende hoogheid toe te kennen aan vreemd kroost, en vooral niet omdat er wat trompetterigs bykomt.

Laat ons eenvoudig zyn, en nu en dan - als het te pas komt, waarom niet? - vorderen dat ieder en alles op de plaats zy, waarvoor hy en het geschikt zyn. En laat ons dit doen zonder een ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigden. Laten we daarby de leugen vermyden, klaterwaarde van citaat op te dringen aan een uitspraak, zo huisbakkeneenvoudig dat er geen geklater, geen engels, en vooral geen trompet - ik spreek nu niet van hoofdartikelschryvery - by te pas komt.

Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangse dame besluiten mocht, had de hele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't hollands zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz. tehuis behoort. En... dat men zich daarby niet hoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst *  * 
betoogje niet van dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag:

- Wanneer die engelse waarheid zo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't 'n diepzinnig spreekwoord was, kracht van tekst heeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen - ‘mooi weer vandaag’, ‘twee maal twee is vier’, ‘de Nederlander is braaf’, enz. enz. - die we gewoon zyn in 't hollands te zeggen. Beproef gyzelf eens aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven...

- Zonder klinkers?

- Neen, zonder scie, zonder stoplap van dien aard.

- Ge erkent dus dat het engels trompetterswicht een scie is.

- Tennaasteby. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch een oorzaak zyn waarom zo'n... praatje fortuin maakt. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt?

- Spreekt toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken om nóg gewoner wysheid, nóg onbeduidender wawelpraat, als een onder Isis-tempels opgegraven mysterie, binnen te smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalvery!

Wie by de verheffing ener persoon tot enig ambt zyn tevredenheid daarover zou te kennen geven door 't aantonen van de oorzaken die zodanige benoeming wettigen, heeft minder kans zyn overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die zyn oordeel onder bescherming stelt van zo'n als eerwaardig geykten term. En... de methode is gemakkelyker. Evenals in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-voor-al als geldig aangenomen redenering uit. Maar, niet als in de wiskunde, voelt men soms behoefte aan formules - zegge: frazen - om, onder vals voorgeven van overbodigheid, de aandacht van een onjuiste redenering af te leiden. Op de vraag: ‘Is die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig’? stelle men zich niet tevreden met 'n engelsen deun, en * 
zelfs niet met 'n hollandsen. De hoorder of lezer heeft recht op aantoning der gronden waarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: ‘A, B, C, is de rechte man op de rechte plaats’ is geen betoog. Het is een uitspraak die - om iets waard te zyn - betoog nodig heeft.

Dat nu de velen, die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld engels gezegde zoveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot een druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der franse journalistiek - ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankryk aan frazen bezweken is! - 't is na de schipbreuk der couranten-wysheid zo gemakkelyk niet een redakteur by te staan in het tel quel vertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De ‘deun’ die thans nog altyd, na 't bloedig mene tekel aan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voortzetten van de ongezonde feestmalen waarop ‘Publiek’ genodigd wordt door de Belsazars van de pers, moet machtige beschermers hebben... verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangse vriendin.

En... de eer der plaatsing boven een stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op Goethe te beroepen ter illustrering van de waarheid dat twee meer is dan één, al zy 't dan dat die bekwame faiseur in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: ‘hoe koud vandaag... gelyk de grote dichtervorst zo wél gezegd heeft’ of: ‘kiespyn is onaangenaam... om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen’. Waarlyk er behoort iets toe, om - als right motto on the right place - boven een stuk van Multatuli te staan...

Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten!

Het kind dat ik uitkleden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt.

Er moet iets achter steken. Die kracht...

* 
Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over Specialiteiten.

Ook dát trompetterskind - van hollandsen oorsprong ditmaal, of nagenoeg - behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje.

Het is een onbetwistbare waarheid dat Socrates eenmaal den jongen Alcibiades een duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid.

Onbetwistbare waarheden zyn de zodanige die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later - liefst in 't Grieks of Latyn - 'n deun geworden zyn, waarby men classiquement heel fatsoenlyk zweren mag.

- Ik geloof er niets van..., zegt nu en dan de waarheid-zoeker. Maar hy vergist zich. Want:

- 't Is het kind van een grieksen trompetter, roept de hartelyke vriend van buitenlandse waarheid.

En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst.

't Is dus wel degelyk waar, dat Alcibiades eenmaal door Socrates allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: ‘M'n beste jongen, je ziet wel dat jy niet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking.’

Ik heb nu, om Socrates te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto - dat wel wat mank gaat aan tautologie [*] Wel zeker! ‘Hy is op die plaats de rechte man’ of: ‘Die plaats is voor hem de rechte’. Zó zou zich iemand uitdrukken, wiens denkvermogen zich de weelde van eigen equipage kan veroorloven en dus niet met huurfrazen behoeft te ryden. - den man iets gebrekkiger doen spreken dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of Socrates zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van Alcibiades, om hem zo'n engelse behandeling op den hals te halen?

De goeie jongen wou magistraat zyn, en Socrates - misschien opgestookt door de Jezuïeten, maar Plutarchus verzwygt dit voorzichtig - Socrates wilde hem nog wat op school houden. 't Was nog zo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond!

Ik trek geen party voor Alcibiades. Maar... ik protesteer tegen de wyze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aan specialiteit, voor de voeten wierp.

- Jy magistraat... jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budget van den Staat?

Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt...

En ook by Socrates kollege gehouden, dat is waar. Maar... wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn?

Gebrek aan specialiteit!

Ik vraag u, o Socrates, indien uw leerling eens, tussen al z'n guitenstukken in, de Atheense begroting had van buiten geleerd - 't is niet zo heel gewaagd hiervan de mogelykheid te veronderstellen - zoudt ge hem dán uw stem hebben gegeven? Zou dát een reden hebben opgeleverd om zyn specialiteit aan te nemen als behoorlyk gestaafd?

Och, Socrates antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met mensen die dood zyn. Maar by gebreke aan zyn antwoord vraag ik den lezer, of liever - om niet andermaal vergeefs te vragen - myzelf:

Wat zyn specialiteiten?

Waar behoren ze?

Waar behoren ze niet?

En ik - in weerwil der bemoeienis van ‘welwillende vrienden’ nog steeds niet geheel en al dood - zal antwoorden zo goed ik kan.