Multatuli.online

Divagatiën over zeker soort van Liberalismus

Divagatiën over zeker soort van liberalismus

I

II

III


III

Geen Staatkunde alzo! Met deze woorden eindigden we het tweede hoofdstuk. Ik hoop dat deze bedreiging door velen zal worden opgenomen als belofte. Wel weet ik dat sommigen, zich geen ismen kunnende voorstellen zonder ‘politieke strekking’, iets zullen gevoelen van den schrik ener oude baker, die meent geen koffie meer te mogen drinken, omdat men haar cichorei het venster uitwierp... maar voor bakers schryf ik niet. Ik ben 't volkomen eens met de velen die klagen over gebrek aan public spirit ten onzent - ook die klacht is dreun geworden - maar ik ontken dat het aanhoudend zagen over dat onderwerp - met obligaat-accompagnement van... sky's, witschen en diplomaten-gestae - daarin verbetering brengen zou.

Ik stel me voor, elders de vraag te behandelen hoe ons volk moet worden aangespoord en opgeleid tot wat uitzetting der grenzen van individueel eigenbelang. Hierin namelyk ligt de overgang van privaat-leven tot belangstelling in de algemene zaak.

Doch, onder de middelen die ik hoop daartoe te kunnen aanwyzen, behoort ook - en niet in de laatste plaats, voorzeker! - de ontwikkeling van het Liberalismus in niet-politisch leven. Misschien zelfs ligt het Toulon dat wy veroveren moeten, juist daar waar we die vesting 't minst zoeken. Zodra we ons het gemoedelyk streven naar waarheid, in zaken die ons rechtstreeks betreffen, tot een gewoonte hebben gemaakt, d.i. indien we ons bevlytigen mens te zyn, zal ook het Staatsburgerschap, dat onderdeel onzer menselyke waardigheid, niet uitblyven. Wie anders handelt, spant de paarden achter den wagen.

Wy moeten in gemoede streven naar waarheid. Wy mogen daarby niet zweren by 't woord eens meesters - die maar al te vaak na weinig tyds blykt geen meester geweest te zyn - niet vertrouwen op klank, niet te traag zyn om elk voorkomend vraagstuk zelf te onderzoeken, niet ons oordeel ondergeschikt te maken aan 't geheugen, dat z'n vonnissen slaat naar de ‘van-buiten’ geleerde jurisprudentie der gewoonte, niet ons geweten commanditair-genoot maken van ‘men’'s Schwindel-associatie, niet gelyken op den kerstboom, die juist zoveel vrucht draagt:

... als vader schooltyd en mama routine

Hem strikten in de takjes... nooit iets meer,

Nooit éne vrucht uit eigen kiem gebot!

Zo'n boompje is dood...

Maar leven moet de mens,

Dat is: bewegen, zoeken, streven, stryden,

En vruchten dragen, honderd... duizendvoud!

Wie niet meer geeft dan hy ontving is... nul,

En deed met z'n geboorte onnodig werk... [*] Vorstenschool.

Om ons gemoedelyk streven naar waarheid iets minder onvruchtbaar te maken dan gewoonlyk, is het onze plicht - als die des werkmans, die zyn gereedschappen in goeden staat houdt - ons verstand te oefenen en onze kennis uit te breiden.

De bron waaruit de kracht moet geput worden tot dit alles is het hart, die enige focus van waar Liberalismus.

Holland is uit den aard der zaak een onliberaal land en zal dit blyven, al kwamen er tien acht-en-veertigen in de eeuw. Het vele water dat ons omspoelt, en meer dan andere natiën tot zeevaart noopt, maakte ons te allen tyde, in de ogen van niet-zeevarende volken, tot een soort van terra incognita. Wy die werelddelen ontdekten, wachten nog immer tevergeefs op den Tasman, die de goedheid hebben zal óns te ontdekken. Behalve de bovenlanders die nog altyd sedert het jaar 104 v.Chr. voortgaan het eiland der Batavieren en wat daaromheen ligt te bevolken, [**] Men lette op het gering aantal hollandse namen in de adresboeken onzer hoofdsteden. bezoekt ons niemand.

Honderd-en-vier jaren voor J.C. Deze 4 is niet van Montry. De zotterny die de geschiedkramers elkaar hebben voorgezegd en nagepraat, alsof er ééns 'n ogenblik zou geweest zyn, dat bovenlanders by wyze van exceptie gehoor gaven aan de doorgaande uitnodiging van elken stroom om eens mee te varen, moest nu eindelyk hebben uitgediend. Nog heden ten dage vullen de Germanen van het centrum het bevolkingscyfer der stranden aan, en dit verschynsel vertoont zich op elk continent dat niet, als Amerika, wordt bevolkt van buiten af. Het gewoon verloop dezer zaak is: aanwas van onontwikkelde populatie in het binnenland, gebrek aan levensmiddelen, behoefte aan ruimte, zucht naar gemak... naar iets als weelde, afzakking naar de monding der rivieren, kolonisatie - met of zonder voeling met het moederland - zeevaart, zeeroof, zeehandel, welstand, weelde, zedebederf. De eerste bewoners van zeeplaatsen waren - en in zekeren zin is dit nog het geval - de kaailopers van 't binnenland. Wat nu kaailopers zyn, weet ieder, die zekere naar teer riekende buurten heeft bezocht in: Christiania, Stockholm, Rostock, Hamburg, Bremen, Londen, Liverpool, Glasgow, Ports- en Plymouth, Amsterdam, Rotterdam, Hâvre, Bordeaux, Cette, Marseille, Triëst, Livorno, Alexandrië, Suez, Aden, Point de Galle, Penang, Singapore, Batavia, Semarang, Soerabaja, Madras, Bombay, Calcutta, enz.

Daar niemand ons bezoekt, - wy spreken niet van commis-voyageurs, natuurlyk - begon ons landje al zeer spoedig op een dorp te gelyken dat, ver van den groten weg, in een achterhoek ligt en waarvan de bewoners, by gemis aan andere wryving dan die hunner schuifgordyntjes, weinig gelegenheid hadden zich te oefenen in de ‘vryheid van zinnen’ waarmede wy gewoon zyn het woord liberalismus te vertalen, en dat dan ook de ware betekenis daarvan goed wedergeeft. [*] Het spreekt vanzelf dat het woord: ‘zinnen’ hier - als in onzinnig, zinneloos - de betekenis van ratio, mens, ingenium heeft, en niet van sensus, dat echter ook soms ratio beduidt: tot capita tot sensus.
't Latyns mens overigens is met ons woord: mens van denzelfden wortel (sanskrit) man = denken, manoesia = denkend wezen, denker = mens. De titel, waardoor we ons van goden en dieren onderscheiden, is dus wel wat aanmatigend.

Het wonen op kleine plaatsen leidt tot zekere bekrompenheid van opvatting, die zelfs door het spraakgebruik - kleinstädterei - als erkende zaak geykt wordt. Onze begrippen, lezer, zyn vaak... kleinlandig.

Onverstandig zeker zou het zyn, indien wy aan de nauwe grenzen van ons vaderland - politieke fictiën slechts: Nederland is veel groter dan 't rykje van dien naam! - álles ten laste legden, wat er verkeerds is binnen die grenzen. Evenmin mogen wy aannemen dat er niet ook soms iets goeds voortspruit uit de eigenaardigheden van ons volksbestaan. En, eindelyk, moeten wy ons wel wachten voor de mening, dat elke kwaal die ons aankleeft, elders niet, of slechts in geringere mate bestaan zou...

Daarmede hebben wy niet te maken. Een geneesheer - sans comparaison, ik geef me niet voor doctor uit, en bezit niet den minsten bul -, een arts die zyn patiënt zou verwaarlozen, omdat deze, behalve de ziekte waaraan hy lydt, overigens gezond is, omdat die ziekte een gevolg was van de nauwte zyner woning en van gebrek aan conversatie,

omdat ook anderen lyden aan gelyke of gelyksoortige kwalen... zou 'n zonderling medicus wezen, al hadde hy colloquia docta gehouden by dozynen. Ik wraak, met al de kracht die in my is, zulke huisbakken-voorwendsels ter plichtverzaking, en wys vooral den dreun terug - den meest gebruikelyken - die zich steeds beroept op gebreken in 't buitenland. Het is my in zoverre volkomen onverschillig, of er te Brussel iemand op straat ligt, die zich verdierlykte in faro, ik sta op tegen de jenever, welks walglyke uitwerking ik voor my zie. Laat de Brusselaars hun Brusselaars begraven.

We zullen beginnen met het nietigste. Zyn we vryzinnig in taal en spelling? Straks zal ik bewyzen dat hier het nietigste niet nietig is.

Met 'n angst of de wereld er van afhing, onderzoeken we, of 'n woord moet worden aanschouwelyk gemaakt - by benadering altoos maar - met 'n krabbetje meer of min. Al schryvende, en weer schryvende, en nog ééns schryvende, en blyvende voortschryven, hebben we ons diets gemaakt, dat die bezigheid - ik bedoel nu 't handwerk - hoofdzaak is. By ‘rechtsgeleerden’ en hun aanhang gaat dit misverstand somwylen zo ver, dat ze geen onderscheid meer maken tussen handelingen: actiones, en zekere stukjes papier, waarop handelingen vermeld staan: acta. Het nasporen van de afkomst der woorden, die schone handleiding tot beoordeling van volksleven en ontwikkeling der mensheid, wordt verlaagd tot laffe schoolmeestery. By gebrek aan bekwaamheid heeft men 'n vak uitgevonden - stiel, zeggen de Vlamingen - waarby men, 'n beetje mnemotechniserend, bekwaamheid missen kan.

Ik ga nu voorby hoe onkundig die schoolmeesters meestal zyn op hun eigen gebied. Hoe ze by het toepassen van zogenaamde taal- (lees: spel-) regels, gewoonlyk by verschil van invloed, den ondergeschikten regel meer gezag toekennen dan aan de hoofdwet. Hoe ze geheel voorbyzien dat een taal niet gemaakt wordt, maar ontstaat en dat alzo het vóórschryven van willekeurige bepalingen, vaak in stryd met het feit, een ydel pogen is. Nooit zullen de colloquia-docta-professoren, met al hun ‘Woordenboeken’ er in slagen, Phoebus-Apollo te ontmannen. Hy schynt, hy zal blyven schynen, lang nadat hún lichtje zal uitgeschenen hebben. Wy, Hollanders, bezitten voor levenloze voorwerpen geen femininum. Is dat 'n gebrek... om 't even: het is zo. [*] Ik weet zeer goed, dat dit by de Zuidelyke Nederlanders anders is. Ook, dat zy de ch in ‘mensch’ enz. doen horen. Welnu, niets eenvoudiger en gepaster dan dat Vlamingen schryven zoals Vlamingen spreken. Laat ons dit ook doen, dan weet men: hoe we spreken. Zou dat 'n kwaad zyn? Onze conventionele schryftaal is, voor een groot gedeelte, leugen. De Grieken in Attica stoorden zich niet aan de Ionische uitspraak, de Ioniërs niet aan de Doriërs, en ze hadden gelyk.
Het hoofddoel - door zekere tekentjes by benadering uit te drukken wat men zou willen zeggen - is reeds, ook zonder willekeurig in den weg gelegde hindernissen, moeilyk genoeg te bereiken. En, wanneer men nagaat dat de zo gebrekkig in letters weer te geven klanken, reeds op zichzelf slechts de zeer onvolkomene uitdrukking zyn van de gedachte, dan waarlyk staat men verbaasd over 't gelukken van den toeleg, die taak nog te verzwaren. Verbaasd? Ik vergiste my. Dat streven moet alom byval vinden, wyl het een middel aan de hand geeft, om gebrek aan denkbeelden, onzuiverheid van redenering en slordigheid van uitdrukking, te bedekken met 'n pleistertje van school-religie. Zo vonden onbekwame generaals den slobkousendienst uit...
Moet dan de soldaat met ongepoetst ledergoed lopen, met gescheurden rok? Dat heb ik niet beweerd. Ik sta geen slordigheid voor, ik yver voor vryheid. Wie niet in staat is iets goeds voort te brengen zonder schoolregeltjes, doet beter geheel en al te zwygen. Dat zou veel gewonnen zyn.
Ik zeide dat byregeltjes de hoofdzaak verdrongen. In m'n jeugd was my geleerd - zonder 't minste acht te slaan op 't verschil der begrippen: een man die wachthoudt, het wachthouden van den man, en de hoedanigheid der functie van zo'n persoon - dat ‘wacht’ vrouwelyk was. Waarom, doet nu niet ter zake. Een andere regel was - en moet nóg zyn, omdat zy op 'n taaleigen berust, dat een feit voorstelt - dat het geslacht van uit twee nomina saamgestelde woorden zich regelt naar dat van 't laatste. Wie dus voor 'n bekwaam jongetje wou doorgaan in myn tyd, moest ‘ene schildwacht op haar post laten staan met haar geweer op haren schouder’.

Zeer wel, of liever zeer verkeerd. Maar daar nadert een vrouwspersoon. Wie is zy?

Een koningin? Een dame? Een juffrouw? Een...

Niets van dat alles, het is een wyf, een onzydig wyf, welks onzydigheid het niet beschermde tegen de verleidingsgaven der schildwacht, die hare - der schildwacht - mannelykheid misbruikend zyne - des wyfs - vrouwelykheid zó ver om den tuin leidde, dat het in zynen schoot de vrucht droeg van hare - der schildwacht - donjuannerie. Het wyf wyst schreiend op zyn voorschoot, en op de gevolgen van zyn - des wyfs - vertrouwen - en haar - der schildwacht - bedrog. Het eist zyne eer terug van haar - die het moeder maakte, van haar die vader is van 't ongelukkig wicht dat op zyn beurt een het is.

Ja wel ongelukkig! Verbeelje, wat 'n verwarring voor zo'n schaap, als het zo'n moeder hetten en zynen en z'n papa haren moet. Ik bleef liever ongeboren dan ter wereld te komen in zo'n wirwar. 't Zeer eenvoudig redres van dien onzin kwam in myn jeugd niet op in het hoofd van een schoolmeester. Door 't proclameren van de hoofdwet: alle mannelyke bedryven, enz. zyn mannelyk - ik verschoon hiermede geenszins de liederlykheid van dien soldaat - zou vanzelf het geheel verkeerd toegepast byregeltje vervallen. Maar dan was er niet genoeg finesse by. De zaak moet ingewikkeld blyven: ‘om respect in te boezemen aan de schooljeugd’ zou Stoffel Pieterse zeggen.

Of die en dergelyke gekheid afgeschaft is, weet ik niet. In Duitsland laat men nog altyd trouw ein Mädchen sein kind aan sein borst leggen. 't Kind zuigt toch, en schynt dus geen last te hebben van die schoolmeestery. Een grote zegen!

Ik zeide dat dergelyke kunstjes werden in 't leven geroepen om een ‘vak’ daar te stellen waartoe bekwaamheid geen vereiste is. En reeds nu moet ik er op wyzen hoe dus ook hier... als in de would-be politiek het innig besef van onbeduidendheid aanleiding gaf tot het uitvinden van surrogaten. Ik herinner me, hoe ik als kind, me opblies tot 'n Lafontainsen os, omdat ik onze meid die my berispte over deze of gene ondeugendheid, op haar plaats wist te zetten met 'n neerdonderend: ‘zwyg jy... jy die op je keukenboek “vis” zonder ch hebt geschreven.’ De stumperd was verlegen met de zaak en kroop in haar schulp. Ik voel er nog leed van.

En, zo'n ch-wysheid is de ergste niet. Op een daarnaast liggend terreintje ontwaren we een andere soort van jongensachtigheid, die erger gevolgen na zich sleept. Evenals de knaap, die meent iets wezenlyks te verstaan, indien hy 'n onnodige o weet te schryven in ‘oogenblik’ en zich 'n persoon van belang waant tegenover den arme die verstoken bleef van zoveel verlichting, vinden wy overal schryvers, publicisten, dagbladfabrikanten, die uit enige handigheid in 't samenflansen van frazen, de conclusie trekken, dat ze geroepen zyn, het volk voor te lichten. De kunst van schryven - ik bedoel nu: in niet zo volstrekt ambachtelyken zin - schynt al de gaven in zich te sluiten die er nodig zyn om het optreden als schryver te wettigen en dus tevens een diploom te zyn van kennen, weten en goede bedoeling. ‘Hy voert een goede pen!’ is in veler oog een getuigschrift van bekwaamheden, die met de schryfhebbelykheid zelve in niet het minste verband staan. Wie met frazen kan omgaan, schynt men te menen, moet elke zaak kunnen beoordelen. [*] Een der eerste triumfen van myn ‘groot talent’ was 't verzoek van een leerlooier, om myn pen eens te gebruiken tot het gispen der gebrekkige wyze, waarop men in Indië de verse buffelhuiden inzout. Het aantal keren dat uitgevers my iets vraagden: ‘in een trant van Saïdjah...’ is groot. Die lui menen dat zo iets bestelwerk is. Ik erken dat veel schryvertjes hun aanleiding gaven tot die dwaling. Maar... dat is juist de grief die ik in den tekst behandel. Men zou toch niet ieder die geluid wist te halen uit 'n trompet, ja zelfs niet ieder die inderdaad dit instrument enigszins bespelen kon, daarom voor 'n componist aanzien?

Ik noemde het schryven in dezen zin, handigheid, hebbelykheid. Meer is 't by velen niet. Het is alweder - telkens zullen wy moeten terugkomen op onze praemissen - het volgen van zekeren dreun. Wie zo'n dreun goed in 't hoofd heeft, en telle quelle weet te onderwerpen aan exigentie van zaken - geheel en al is dit onmogelyk - kán schryven, mág schryven, is schryver, en praat mee!

Ik twyfel er aan, of 'n matroos eerbied hebben zou voor bevelen van den mousse, omdat deze toevallig in 't bezit van den scheepsroeper is geraakt. Niet ieder toch, die in staat is geluid voort te brengen, ontleent daaraan recht het woord te vragen of te nemen. Niet ieder die zyn gedachten nagenoeg onder woorden weet te brengen, levert daardoor het bewys: dat zyn gedachten die woorden, en 't luisteren daarnaar, waard zyn.

Maar: hoe weet de matroos of 't de kapitein is die spreekt, of 'n scheepsjongen die maar wat wegpraat? Indien de matroos op zyn beurt het luisteren verstond...

Ik bid u lezer, lees!

...dan zou hy al zeer spoedig bemerken, wie den roeper in handen heeft, want... jongens verklappen zich. Wie zich door den nog al gladden loop der woorden en zinsneden laat meeslepen... verdient gekommandeerd te worden door zo'n mousse. Men lette op den samenhang, op de juiste keus der woorden, op 't al of niet klemmende der bewysvoering, op het vermyden of gebruiken van stoplappen en dreunklanken: de man had het ‘ongeluk’ z'n hals te breken, en was ‘onmiddellyk’ dood. Gehuld in een ‘wyden’ mantel (in 't Frans is zo'n ding altyd: immense, énorme) werd hy door niemand herkend. Myn vreugd was groot... eerst twyfelde ik aan myn geluk, doch zie: het was ‘maar al te’ waar. Ja, zeide de vader ‘terwyl hy zyn pyp uitklopte’. Myn vrouw en ik leiden een ‘luxurieus’ (wellustig, i.p.v. luxueus, weelderig) leven. Heden is er te K. een ‘gruwelyke’ moord gepleegd. Volgens de Indépendance was de hoed van een der slachtoffers van den entrepôt-brand - de man werd namelyk eerst na dagen gravens onder het puin gevonden - ‘horriblement aplati’. De voorzitter hield een gepaste toespraak. In een sierlyke rede betoogde 't publiek ministerie het misdadige van den gepleegden sluipmoord, en eiste de doodstraf. Het geachte lid X. verklaarde zich, na de door den minister gegevene inlichtingen dankbaar, maar onvoldaan. Z.M. heeft zich met de aanwezige autoriteiten - met enige werklieden in de fabriek - met de weesjongetjes, enz. minzaam onderhouden enz. enz. enz. [*] Ik zou dit lystje tot in 't oneindige kunnen vermeerderen. De rykste sprokkeling biedt me 't officieel gebied aan, dat ik thans vermyden wil. Sommige troonreden zyn curieus. Kamersluitings-redevoeringen idem. En, wat er in de Kamers verhandeld wordt...
Voor 'n paar maanden hebben de 70, 80 élite-mensen - een paar ministers meegerekend - heel leuk zitten beredeneren of de Leeuwen-orde ook op ‘reclame’ verleend werd? Ik denk 't wel. Maar de goede mensen meenden op ‘reclamatie’ als de Militaire Willems-Orde.

Alweder moet ik erkennen dat voorbeelden niets bewyzen, zy wyzen slechts aan. In de Ideeën zeide ik: ‘er is geen boek waaruit men niet zou kunnen leren, hoe men niet schryven moet’. Ik zonder myn eigen werk van dezen regel geenszins uit. Maar er is verschil! Om aan te wyzen welk soort van blunders ik bedoel - de zodanige namelyk, die 't bewys leveren, dat de auteur een fabrikant van frazen is - neen, een uitventer van frazen, die anderen uitvonden, zal ik een paar voorbeelden aanhalen, liefst laag by den grond. De lezer zelf kan hoger grypen, indien 't hem goeddunkt. Ik spreek nu niet van romanbedienden, die altyd getrouw en, evenals de, eenmaal toch splinternieuwe barden altyd zo byzonder oud zyn; niet van spreekwoorden, steeds hardnekkig saamgeroest met de drie praedicaten: oud en echt en hollands; niet van aaneengepetrifieerd ryk-jong-schoon-onafhankelyk... ener komedie-weduw, niet van: in onvergetelyke herinnering blyven, niet van tolk zyn van ons aller gevoelens, enz. enz.

Deze soort van dreunen zyn de ergste niet. Ook haal ik die slechts aan, om te waarschuwen dat er, waar men ze hoort, andere in de buurt zyn van schadelyker werking.

By zeker Departement van algemeen bestuur in Indië moest men o.a. elke maand een opgave indienen van verrichtingen, waarop de goedkeuring des gouverneurs-generaal nodig was. Het model van 't geleidebriefje, dat sedert jaren door honderden was gelezen en nageschreven, gaf hem het verlenen dier goedkeuring in eerbiedige overweging. Er was 'n klank van eerbiedigheid in de fraze, dus was 't goed zo.

Reeds elders doelde ik op zekere passage in een Natuurkundig Schoolboek, waar Gods goedheid, wysheid, enz. bewezen wordt uit het bevriezen der rivieren. ‘Die verwarmende bedekking bewaart ze voor stollen’, zegt de auteur.

Een onderwyzer aan de militaire akademie gaf 'n werkje uit, een handleiding voor jeugdige officieren. Daarin komt de les voor, dat zy zich, by plaatsing, moeten aanmelden by hun chef, en dien verzekeren: ‘dat zy zich zo byzonder gelukkig achten, in den aanvang hunner carrière juist onder zyn bevelen geplaatst te worden.’

't Is te betreuren, dat het boekje niet tevens den chefs voorschryft wat ze op zo'n gepubliceerd allemans-dreuncompliment moeten antwoorden.

In zeker romantisch verhaaltje - helaas, in 't zelfde Tydschrift waarin deze divagatiën verschynen - gaat de schryver in zyn zucht om toch duidelyk te maken wat er alzo te zien was in de kamer waarin z'n heldin te bed lag, zó ver, dat hy, na behoorlyke fotografie van neus, oren, haar, lengtemaat, enz. des geneesheers, als plastische aanvulling daarby voegt: ‘hy scheen zo-even de pols der patiënte gevoeld te hebben.’ Dat kon die auteur den doctor aanzien, en de lezer ook.

In de sage der Heemskinderen verdrinkt een paard. Het arme dier verdwynt in de golven... komt weder boven... zinkt weder... worstelt... heft nog éénmaal den kop uit het ‘schuimend’ nat, ziet zyn meester...

- Wat betekent dit sprookje hier?

Dat onschuldig sprookje leverde den urtypus van frazenmakery en dreunzang.

Er parelde in de ogen van dat driemaal ondergedompelde paard, een zilte traan. Anders niet. Als model van dreun is 't nog al wel, schoon ik erkennen moet, dat vele navolgers hun prototype overtreffen.

Of kiest ge tot voorgangster - o lezers en schryvers! - de arme werkvrouw, die vernemende dat haar man...

- Juffrouw... ik moet u iets heel treurigs vertellen. Je man is van een ladder (leer) gevallen... hy is dood.

- Dood, vraagde de aangesprokene, dóóóód?

- Ja, juffrouw.

- Hartstekedood?

- Ja.

- Hi... hi... hi...

Ze berstte uit in gejammer. Dát scheen ze niet te kunnen voor ze den dreun van hardstekigheid vernomen had. (Historisch.)

Zó zyn... we.

Laat ons trachten anders te worden. Het is niet onbelangryk of ongepast, te weten wát wy zeggen. Ook niet, te weten en te begrypen wat anderen zeggen. Evenmin, den rug toe te keren aan hen die, niets zeggende, onze oren vullen met frazen.

En wat heeft dit alles met liberalismus te maken?

Het gemoedelyk streven naar waarheid, lezer, eist dat we middelen bedenken om ook in den donkersten nacht te weten: wie den scheepsroeper in handen houdt.

Maar, meen ik te horen, is 't liberaal aldus anderen hun lapsus te verwyten?

Ik hoop dat die vraag gedaan wordt. Ik antwoord zo gaarne daarop.

Ja, dat is liberaal! Want het liberalismus eist waarheid, en geen kwakzalvery. Het liberalismus is geen zoetelende, pluimstrykige, vals-liefkozende deerne, geen meretrix blanda, die ieder streelt. Vryzinnigheid moet fors optreden, waar men haar koningin beledigt, die Waarheid heet. Geen genade voor 't ongedierte, dat door z'n venynig meesissen de stemmen verdooft dergenen die uit hun harten iets anders putten ter verkondiging, dan dreun. Is het geen stellig kwaad, dat de oren des volks, dat de smaak der jeugd, dat het gezond verstand van allen wordt bedorven door die parasieten van ‘het woord’? Is 't geen plicht hun... 't zwygen op te leggen?... Dit is onmogelyk. Maar wél zou 't kunnen zyn, dat deze of gene, aangespoord door de gemaakte opmerkingen - liever nog, door die beschouwingen opgewekt tot eigen opmerking - zich genoopt voelde tot fluiten, waar de dreunsaltimbanken den mond openen.

Men mene niet, dat deze afdeling van myn betoog beneden de aandacht is van wie 't wel meent met de mensheid. Letterknechtery moge op zichzelf een nietige zaak zyn, het is juist daarom niet nietig, dat zy een plaats inneemt, die haar niet toekomt. De frazenkermis moge worden gehouden door marskramertjes van de laagste soort - de óvergrote meerderheid altoos - hun tenten vullen de plek, waar iets beters kon staan, hun bekkenslag smoort de stem van mannen, die inderdaad iets te zeggen hebben. Is dat geen positief kwaad?

Is 't niet ook treurig dat de soort van handigheid, waarop ik doelde, aan kunstenmakers der allerlaagste orde den weg baant die van de kermistent naar den kansel leidt, naar de rechtszaal, naar de volkstribune, naar den zetel des ministers?

Is dat alles geen kwaad?

Is het geen kwaad het volk over te laten aan bedrog? Het onvatbaar te laten maken voor waarheid? Het te laten biologeren tot niet-verstaan, tot niet-denken, tot niet-begrypen, tot stompzinnige tevredenheid met dit alles?

Is dat geen kwaad?

Vanwaar zal de liberaal, die mnemotechnische hulpmiddelen versmaadde, die den staf der traditie wegwierp, die 't leven intrad met het uitgedrukt voornemen den stryd tegen dwaling te voeren voor eigen rekening...

hy die verwinnen wil of bezwyken, naar de mate van eigen sterkte of eigen zwakheid...

hij die een uitdagend: ‘ik zoek, oordeel, kies!’ in zyn banier voert...

hy die - moet het zyn - den smaad der neerlaag geheel alleen wil dragen, nayverig als hy is op de ongedeelde eer van mogelyke zege...

hy die alzo elken bondgenoot afwees, elke beloning, elke aanmoediging weigerde...

hy die geen ander wapen bezit dan zyn rede...

Zou 't geen kwaad zyn, lezer, die rede stelselmatig te doen verstompen?

Ik stel u voor dit over te laten aan hen die - logischer van hun standpunt - niet het bondgenootschap afwezen, dat traditie, sleur, geloof aanboden. Hun zweren by de woorden eens meesters, 't zy dan dat deze zaligheid of spelling docere, is consequent: ‘er staat geschreven!’ Het staat den behouder vry, een dubbele e, of 'n principe, op te duiken uit z'n boekje. Hy heeft het recht verder nog te gaan, en door 'n goed toegepast se te ne me den inhoud zyner zaligheidswetten of spelregels in 't geheugen te prenten. In nomine P & F & S S absolvo.

Ja, hy is verantwoord. Als mens? Dit geloof ik niet. Maar als aanhanger van zekere party toch, die hy - ik hoop: in gemoede - - voor de mensheid aanziet.

De liberaal echter moet zich de moeilyke taak getroosten, het alfabet te kennen, zonder kunstmatigen leidraad. Hy moet weten, dat B op A volgt, zónder boek, zónder Montry, zónder Arme Behouders-Catechismen.

Hy moet kunnen schryven, spelen, lezen, handelen, overwinnen of sterven... voor eigen rekening.

In 'n volgend hoofdstuk... andere scalpen.