Multatuli.online


Brief aan Quintillianus

Eerst gisteren (2 Februari) las ik uw hartelyke oproeping in het Januari-nummer van de Dageraad.

Ik ben namelyk een paar maanden naar huis geweest (naar Brussel, waar ik vrouw en kinderen verberg) en de heer Günst, die de goedheid heeft, my de Dageraad te schenken, had de nommers bewaard, die er verschenen gedurende myn afwezigheid.

Ik dank u.

Maar, Quintillianus, ik dank u in alle betekenissen.

Ik dank u met innige dankbaarheid en met vaste weigering.

Gy schryft uw stuk uit B... Is dat Batavia? Dat hoop ik. Want zie, het verwonderde my vaak, dat men dáár, en in Indië over het algemeen, dáár, waar ieder weten kan, dat ik de waarheid zeide - wat zy hier met domme onbeschaamdheid voorgeven te betwyfelen - dat zy daar niet krachtiger party trokken voor myn zaak. Ik heb daarvan dikwyls verdriet gehad; maar uw brief aan de mannen van de Dageraad doet my hopen, dat er eindelyk wat warmte zal komen in die lauwheid.

Dat ik gebrek lyd, is waar. Dat ik moeilyk werk met zo'n logge vracht op 't gemoed, is ook waar. Dat het geen fair play is, onverschillig aan te zien, hoe iemand worstelend zwemt met zo'n zwaren kogel aan 't been - iemand, die dan toch, après tout, zoveel kwaad niet gedaan heeft - zie, dat is óók waar.

Dat is alles waar. Maar toch... emergo... emergo!

Als ge een Bataviaan zyt... als ge slechts twee jaren daar zyt, moet ik u iets vertellen, dat ge niet weten kunt. Gy kent ‘Publiek’ van Nederland niet meer. Ik weet dit by ondervinding. Iemand, die in Indië aankomt, is daar niet zó vreemd, zó baars, als de India-man by terugkeer in 't ‘vaderland’. Alle verhoudingen zyn klein, onbegrypelyk klein.

Hebt ge wel eens op rypen leeftyd de school weergezien, die u zo ruim voorkwam in uw jeugd? Of den meester, die zo groot scheen, toen gy klein waart?

Welnu, zó is alles hier, alles!

Een voorbeeld, en één slechts, want ik heb geen tyd, om ál te bitter te worden. Dat hindert me in myn werk.

Eén voorbeeld dus. Onlangs deelde my de man, te wiens huize ik een kamer had, mede - en hy deelde dat mee met veel gewicht en veel belangspelende scherpzinnigheid - dat men by hem zeer belangstellend naar my had geïnformeerd...

Naar myn gedrag, Quintillianus! Of ik ook dronk, Quintillianus! Of ik 's avonds laat thuis kwam, Quintillianus!

Ei, zei myn hospes, die meneer scheen daarvoor expres te zyn aangekomen uit Den Haag. U begrypt, meneer, dat ik gezegd heb, dat u niet dronk.

Dat laatste zei hy op een toon, die wel wat luidde als aanspraak op erkentelykheid. En ik bedankte dan ook heel beleefd, want ik was hem geld schuldig.

Neen, Quintillianus, gy kent Nederland niet meer, en ge zyt daar niet minder om.

Maar als gy Nederland gekend hadt, zoudt ge die lieve, hartelyke, vurige oproeping niet geschreven hebben. Weet ge wat zy zeggen?

Zy zeggen: ‘Dat heeft hy zelf geschreven’ en ‘J'ai mespauvres’. Er schryft sedert enigen tyd iemand, zeer pikante artikels in 't Handels- en Effectenblad. Hy noemt zich Hagiosimandre. Die man, - ik weet wie hy is, maar Publiek niet - die man trekt party voor my. [*] Ook hy schynt Publiek niet te kennen. Ook hem dank ik in alle betekenissen. Maar Publiek, liever dan te erkennen, dat iemand party voor my trekt, zegt dat hy ik is.

Wie tegen my schryft, mag zyn naam verbergen. Wie vóór my schryft, noeme zich, opdat niet Publiek ook dat voorwendsel aangrype, om my te grieven en te zeggen: dat is hy zélf, die geld vraagt, die bédelt, i.e. hy is een bedelaar.

Dat benadeelt myn zaak, en dat mag niet.

Ik beweer, aanspraak te hebben op hulp. Maar die hulp moet zich openbaren op andere wyze.

Gy spreekt van een comité. Ja, maar niet, om geld te zamelen.

Er moeten comité's worden opgericht, die 't volgend adres ter tekening aanbieden, of iets in die manier:


‘Sire, daar is een man, die ons telkens en aanhoudend zeer onaangename dingen verwyt.
Wy verzoeken u, Sire, een onderzoek in te stellen. Wy willen weten, of die man een lasteraar is. Zo ja, dan zullen we 't ons niet aantrekken; maar, Sire, als die man de waarheid zegt, wensten we ons te beteren.
Wy weten nu nagenoeg, Sire, wat vrye arbeid is, en ook weten we nu nagenoeg, Sire, wat cultuurstelsel is. Daarom, Sire, zyn wy Uwe Majesteit met onderdanen-ootmoed smekende, uw ministers last te geven, die dingen voorlopig te laten rusten en zich bezig te houden met wat anders.
Wy wensten het recht te hebben, Sire, den man, die ons lastert, te spuwen in het aangezicht, of - als hy niet heeft gelasterd - hem onzen dank te betuigen voor den moed, waarmee hy de waarheid gezegd heeft.
Wy verzoeken u, Sire, ons te redden uit dit onaangename dilemma tussen dankbaarheid en verontwaardiging, en wy geloven, Sire, met vorige onderdanigheid en ootmoed, dat gy, aldus doende, zéér wél zoudt doen.’

Ik prys deze redactie niet aan. Styl, inkleding enz. moeten veranderd worden door iemand, die gewoon is requesten, huurcontracten, sterf-advertentiën en adressen te schryven.

En daarmee, beste, hartelyke Quintillianus, vaarwel. Reken op myn emergo, - en groet de vrienden. Ik schryf ideeën... begryp eens. En nog denken ze, dat ik tyd heb, om bedelbrieven te schryven. Dat is heel dom van Publiek.

Amsterdam, 3 Februari 1862

Multatuli