Multatuli.online


Aan den schrijver van Max Havelaar
De koffieveilingen der handelmaatschapplj

WelEdele Heer!

Met levendige belangstelling heb ik kennis genomen van uw geschrift; niet maar alleen, ja! niet in de eerste plaats als uitstekend literarisch product, maar vooral omdat mij èn als Nederlander èn als Christen de toestand onzer koloniën ter harte gaat. Doch juist, omdat het u niet maar te doen was om een boek te schrijven; dat gij veeleer wenst de ogen te openen voor schromelijke misbruiken in het koloniaal regerings-organisme, en harten te stemmen tot een werkzaam medelijden met de Javanen, smart het mij, tegen een gedeelte van uw boek, als tegen een onwaarheid te moeten opkomen. Begrijp mij wel: ik beweer niet dat gij opzettelijk onwaarheid zoudt schrijven. Neen! met de zaak, waarop ik het oog heb, gaat het u, naar ik meen, als het naar uw voorstelling gelegen is met velen, ook hooggeplaatsten, die over Indische zaken oordelen, zonder ze goed en van nabij te kennen, of die ze slechts uit zeer verdachte bronnen en eenzijdig kennen. Ik bedoel de preek, die gij Ds. Wawelaar in een zendingsbidstond in den mond legt, de preek over een oud-testamentischen tekst, van welke de quintessence hierop neêrkomt: 't is Gods wil, dat wij Nederlanders de Javanen zo hard mogelijk, tot onmenselijkheid toe, laten werken en hun dan wat Bijbels enz. toezenden. Deze voorstelling noem ik onwaar. 't Spreekt van zelf, er voor instaan kan ik niet, dat er onder alle predikanten van ons vaderland niemand zou worden gevonden, die zulken dwazen en onchristelijken onzin zou verkondigen. Maar al waren er zo meer dan een, gij moogt de preek van Ds. Wawelaar niet geven als de type van den geest en beschouwingswijze der zendingsvrienden. Gij zelf weet al te goed, wat onder een type te verstaan is; gij geeft daarvan bewijs in de verdediging van uw gefingeerd maar daarom niet onwaar verhaal omtrent Saïdjah. Voordat gij dus dien Ds. Wawelaar als type gingt * 
tekenen, moest gij kunnen bewijzen, dat de doorgaande geest van het Nederlandse en andere zendelinggenootschappen in ons midden, de geest die spreekt uit de zendingsleerredenen en gegeschriften, die de gemeente worden in handen gegeven, vooral dat de geest onzer zendelingen zelven, in de door u gefingeerde preek als belichaamd was. Maar dat kunt gij niet, en als gij de moeite neemt om u in genoemde zaken enigszins grondig in te werken, dan zult gij kunnen bemerken, dat ons, die de zaak der zending voorstaan, de mensenliefde dringt, die wij bij Christus geleerd hebben en die, juist omdat zij den mens in alle mensen, zwarten, bruinen of blanken om 't even, lief heeft, ook den Javanen wil gebracht zien het Evangelie; een mensenliefde, die even sterk als gij, wenst op te komen tegen verdrukking, uitzuiging en mishandeling der inboorlingen; maar die tegelijk overtuigd is, dat christenplicht nog iets hogers vraagt, de vorming van mohammedanen en heidenen tot christenen. Ik verwacht dat gij mijn aanmerking mij niet euvel zult duiden. Neen! gij zult haar goedkeuren: want gij gevoelt zelf wel, alleen de waarheid kan overwinnen. Waar gij dus tegen uw bedoeling van haar zijt afgeweken, zult gij de eerste zijn om die dwaling te erkennen. Toch spijt het mij, juist om de goede zaak die gij voorstaat en ik met u, het spijt mij zeer dat die preek en die telkens voorkomende ‘Seitenhiebe’ op de zaak der zending in uw boek een plaats hebben gevonden; en nog meer, dat enkele passages voor vele lezers den sterken schijn zullen hebben van spot met het heilige. Niemand betreurt het dieper dan ik, dat er onder evangeliedienaren mannen gevonden worden van de snede van Ds. Wawelaar. Maar de rol die zijn persoon in uw boek speelt, is juist geschikt, om velen het christendom zelf in een belachelijk en verachtelijk licht te stellen, en waarlijk vrome, eenvoudige christenen, die anders om uwen menshevenden geest u de hand zouden drukken, van u te vervreemden. Lach niet om dat vrome, gemoedelijke, eenvoudige christenen. Want ik durf u verzekeren, zover mijn ervaring reikt, dat bij hen in ons vaderland nog de meeste harten gevonden worden, die van medelijdende liefde kloppen voor Javaan, Maleier en Amboinees. Niet uit de hogere standen der maatschappij, - maar uit den burgerstand, waar 't meest godsdienst woont, komen * 
onze zendelingen, zij die niet naar de Oost gaan om geld of ere, maar uit menslievendheid. Niet uit die kringen der maatschappij, waar schatten verdiend worden door onze Oost, maar uit die kringen, die niet onmiddellijk in de baten onzer koloniën delen, komen betrekkelijk de meeste giften. Wilt gij den geest van ons volk uit den slaap opwekken voor het waarachtig welzijn der Javanen, gij zult er u op moeten toeleggen, om niet van u af te stoten die kern der christengemeente, die, gelukkiger dan uw Javaan, die geen bidden had geleerd, van den Heiland heeft leren bidden: uw koninkrijk (dat een koninkrijk is van waarheid, gerechtigheid, liefde) kome.

Ach! wanneer zal de tijd aanbreken, dat residenten en practijken als gij ons beschrijft, tot de onmogelijkheden zullen behoren? Volgens mijn overtuiging eerst dan, wanneer de geest van Christus door een ootmoedig en krachtig geloof in Hem zelf, meer het bezielend beginsel zal geworden zijn van de regering en volksvertegenwoordiging, van hogere en lagere beambten in onze koloniën, van het Nederlandse volk. Maar de christelijke zending wacht daarop niet. Biddende dat ook pogingen als uw geschrift er een is, mogen leiden tot ontdekking der waarheid en bevordering van het goede, gaat zij haar stillen weg, om menslievend te zijn in den hoogsten zin des woords en met haar kleine krachten te doen, wat haar hand vindt om te doen.

Hoogachtend heb ik de eer te zijn

Uw. dv. dienaar

Rotterdam, 20 Juni 1860

W. Francken, az.