Multatuli.online

Een en ander over Pruisen en Nederland

Een en ander over Pruisen en Nederland

Aantekeningen


699.

Ik heb het laatste woord nu reeds herhaaldelyk genoemd, en my tot nog toe ter voorkoming van verwarring onthouden van de opmerking dat de zaak die daarmee zou moeten worden aangeduid, in ons land eigenlyk niet bestaat. Noch ons klimaat, noch de daaruit ontstane bouworde onzer steden en huizen, noch ook de met een en ander in nauw verband staande zeden, vergunnen ons tot het volk te spreken. We hebben geen forum, geen zuilengangen, geen atheense markt, geen rostrum, geen tribune. De boekdrukkunst verschafte ons een wyze van gedachten-uiting, die in zekere opzichten beneden, in andere boven het gesproken woord staat. Indien wy bewerken konden dat ieder het lezen verstond - een vrome wens! - zou er misschien veel gewonnen zyn, doch zolang dit het geval niet is, staan wy, wat het verveelvuldigen der gedachten aangaat, in zekeren zin beneden Grieken en Romeinen, ja zelfs beneden sommige arabische stammen. In zekeren zin! Wat wy aan uitbreiding won-nen, gaat als gewoonlyk verloren aan intensiviteit. Onder een gegeven aantal hedendaagse individuen die hun naam kunnen zetten en zelfs 'n brief schryven, zal men meer personen vinden, die enige kennis hebben van zaken welke niet rechtstreeks onder 't bereik vallen hunner zintuigen, maar ik houd my verzekerd, dat ieder burger te Athene of te Rome, en zelfs ieder lid van 'n zwervende woestyn-horde, beter op de hoogte was van de res publica zyns volks of van zyn stam, dan de meesten onzer tydgenoten van de zaken die hún vaderland aangaan. De filippische redevoeringen van Demosthenes bewyzen niet alleen zyn welsprekendheid, ze leveren - vooral met het oog op den uitslag - een getuigenis voor de vatbaarheid zyner hoorders. Demosthenes zou in ons klimaat misplaatst wezen, of liever, hy ware in ons land een onmogelykheid. By overigens gelyke gegevens, zou hem immer ontbreken, wat tot het volkomen maken van 'n redenaar nodig is: een auditorium. Op dezen kunstenaar vooral is van toepassing, wat ik in 659 zeide over de onmisbare wisselwerking tussen den artist en den indruk die z'n kunst teweegbrengt.