Multatuli.online

Lijst van correspondenten in alfabetische volgorde

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z

16 februari 1872

van

Multatuli

aan

S.E.W. Roorda van Eysinga (bio)

 

Volledige Werken. Deel 15. Brieven en dokumenten uit de jaren 1872-1873 (1983)

terug naar lijst

*16 februari 1872

Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga. (RvE, blz. 137-143.)

personne n'a rien à voir: niemand heeft er iets mee te maken (fr.)

anak mas: pleegkind (mal.), javaanse jongen in een europees gezin.

een astringanten smaak: smaak die de mond doet samentrekken.

penurie: schaarste, gebrek (fr.)

Proud'hon: Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865), frans revolutionair politicus.

compté pour quelque chose: beschouwd als iemand die meetelde (fr.)

op onaangename wijze: zie V.W. XIV, blz. 30.

brisons: genoeg daarvan (fr.)

Wiesbaden, 16 Febr. 1872.

Beste Roorda, Gisteravond verzond ik een briefje over de Schaakparty, en zeide uwen br. van 14-2 later te zullen beantwoorden. De hoofdzaak 't laatst.

O ja, de mededeeling over de clairvoyante was my aangenaam. Dat ik er niet op antwoordde was omdat ik bezig was met andere dingen. Ge spreekt over Isis en Westminster Review. Leest ge ook te veel? My doet dat schade. Het maakt me dikwyls lui in 't denken.

Matzen herinner ik my zeer goed. Ik hield veel van hem. Hy was zeer intelligent.

‘Feringa te veel uitsluitend denker?’ Dan is zyn denken verkeerd. Toch moeten er zulken ook zyn.

De door u aangeroerde onzedelykhedens stuiten myn smaak. Maar als wetgever zou ik my niet laten leiden door m'n smaak. Verkrachten, dwingen, wonden is natuurlyk heel iets anders, maar overigens zou ik zulke zaken overlaten aan ‘de conveniëntie der hooge contraherende partyen’ zooals men in de duitsche diplomatie zegt. Ik beweer que personne n'a rien à y voir. Wat het bederven aangaat van een onmondige dochter... nu, lieve god, geen verhandelingen!

Uwe moeder zal, denk ik, weldra afscheid nemen van 't modernisme. Dat moet 'n opregt gemoed tegenstaan.

Keuchenius begryp ik ook niet. Hy schynt geregeerd te worden door iets mystieks. Dit was altyd zoo. Ik moet erkennen dat zyn karakter zich soms openbaarde in edele excentriciteit. Toen hy en zyn broer Anton te zamen woonden op Batavia (hun vader was resident van Rembang) hadden zy een slaven-jongetje, een anak mas, wiens familie sedert jaren aan de familie K. gehecht was en vice versa. Eens had Willem K. dien jongen bekeven, of misschien wel geslagen. 't Was 'n rakker van een jongen. Keuch. was aan 't medicineren (cremortart en magnesia) en meende eens aan z'n poeder een astringanten smaak te vinden. Als 'n bliksem gaat hem de verdenking door de ziel, dat die jongen hem vergeven wilde. Hy vond dit vermoeden zoo slecht dat hy zichzelf strafte door nog 'n dosis - en een groote! - er boven op te zetten. Oogenblikkelyk begon hy te braken. Er was inderdaad rottekruid in de magnesia. De jongen is gecondemneerd.

Zoo zie je dat er een God is. Hy beloonde op aller royaalste manier K's grootheid van ziel. De dokters zeiden namelyk dat hy om zeep zou gegaan zyn, als hy 't by de eerste dosis gelaten had.

Was die handeling verstandig? Neen misschien. Maar ik vind dat er in de wereld groote pénurie is aan onverstand van die soort.

Wat nu z'n... zonderlinge wyze van handelen omtrent u aangaat, god weet wat of wie daar weer achter schuilt. Lomp is 't in allen geval. En - zonder dat nu juist Keuch. ooit kans had iets aan u te verdienen - houd ik 't er voor dat hy, als al zyne medemenschen, u beleefder zou behandeld hebben als gy in goede omstandigheden geweest waart. Armoed en gêne zyn herabsetzend. In holland of by hollanders vooral. In weerwil van z'n armoe was Proud'hon in Frankryk óf geëerd, óf altans compté pour quelque chose. Dat zou in Holland anders geweest zyn.

Meen niet dat gy, die goed schryft, voor uwen arbeid iets anders ontvangt - en dat niet eens altyd! - dan wat honorarium. Distinctie, nooit! Gy blyft altyd ‘die man die uit den Oost is gejaagd’. Dit is met my precies 't zelfde geval. Weet ge hoe van Gorkum - onze vriend - myne positie gekarakteriseerd heeft? In een speech klaagde hy my aan wegens ondermyning van... allerlei (zoo mal niet) en zei o.a. dat ik beneden alles gezonken was, maar om te voorkomen dat men dit niet zou kunnen overeenbrengen met de Havelaars-historie, voegde hy er tusschen ‘na op onaangename wyze uit de dienst te zyn geraakt’.

Geloof my, beste Roorda, we moeten iets anders doen, dan tot nog toe, om al dat vee z'n deel te geven. Schryven baat niet! Zie nu eens dat antwoord van 't Vaderland op dat flinke stuk tegen dienzelfden van Gorkum! Als ge daarop dupliceert, krygt ge weer een dito tripliek. En, let op: ze willen dat wel! Zulke klinkende debatten zyn pikant in hun blad. 't Is hun in 't minst niet om waarheid, billykheid, regt, te doen. Wy schieten te kort by die kerels. Zy leven er van en wy niet.

Sedert een jaar voel ik me gedrongen die Mult. Commissie aantevallen. Welnu, ik zie er tegen op, wyl ik ‘publiek’ niet goed genoeg reken om jury te zyn. Die Mult. Comm. heeft my mishandeld op 'n wyze... brisons!

Van Plet verneem ik niets! Ik weet niet hoe ik 't met hem heb. Van die Courant zal, vrees ik, niets komen.

Ook ik heb van v.d. Linde de Ideën gelezen, en vind ze leelyk. Ze kwamen my gezocht en onwaar voor. Ik zag een en ander van hem dat me prys doet stellen op z'n éruditie. Ik geloof dat hy in zeer let-terlyken zin geleerd is, waar o.a. byhoort dat er schoolsche dingetjes zyn waarvan hy niets weet. Hy verstaat byv. niet eens redelyk fransch. Hy is zeer zonderling. Voor 't feit dat hy in steile geloovery deed toen hy inderdaad niet geloofde, en dat hy eene half idiote vrouw - men beweert dat ze geen vrouw was, maar dat kon hy geïgnoreerd hebben - trouwde om haar geld... nu daarvoor is de uitdrukking: zonderling wat zacht. Toch beweer ik niet hem geheel te kennen. Ik beoordeel hem niet voor ik er meer van weet.

Brussel verlaten? Waarheen dan? Schryf me uw plannen. Ik heb geen hoop op Loudon. Hoe gedrukt ik me telkens voel, ik hoop nog meer, ook wat u aangaat, op my zelf. Als ik goed aan 't werk kom - ik zeg dit nu geheel en al van 't laagste standpunt, nam. met het oog op honorarium - dan zie ik voor u en my wat licht.

Ik zou dan beginnen met het zoeken eener gelegenheid u te spreken. Gut, het schryven staat me zoo tegen.

Ja ‘'t is een hard lot welgeaard en Nederlander te zyn.’ Dat zegt ge wél. Nu, daarom ben ik geen Nederlander. Myne denkbeelden daarover zyn van zeer ouden datum.

Nu ben ik aangeland op de hoofdzaak in uwen brief. Ja, de javanen zouden 't goed by my hebben, als... Welnu, laten we 't dan daarheen sturen. Een droom, zegt ge? Soit!

Maar als nu de eerste stap tot zoo'n zaak, zóó is, dat hy ook zou moeten aanbevolen worden, al ware de mislukking van 't eindplan eene zekerheid, waarom dan niet dien stap te doen?

Dat nu is: leven-kunnen, bien-être, loisir, gemakkelykheid in beweging, alles zaemgenomen: geld.

Om daartoe te geraken is - jammer genoeg! - dat vervloekte schryven 't eenige middel. Veel te lang heb ik gemeend dat men my dit sparen zou, en eerst onlangs heb ik 't besluit genomen te schryven om den broode. Wat me tot nog toe altyd incidenteel scheen, moet in godsnaam normaal worden.

Vraagt ge my of 't aanvankelyk lukt? Neen! Sedert maanden ben ik onmagtig. Ik martel my af, zit dagelyks 8, 9, 10 uur voor 'n schryftafeltje, spring 100 maal vloekend op, en breng niets voort. Toch beproef ik. Elken dag zeg ik: ‘heden misschien!’ En ‘als ik maar eens aan den gang ben!’

De u voorgestelde schaakparty staat in verband met dat gewurm, en daarom spyt het me dat gy ‘niet hartstochtelyk’ speelt. My namelyk is de daarby behoorende inspanning eene behoefte ter ontspanning. Sedert vele jaren zocht ik daarin myn troost. Ik gis dat gy zwakjes speelt, en dat spyt me. Ik ben, zooals ik u naar waarheid zei, middelmatig. Maar een sterke partner windt my op. Zeg eens, kunt ge niet uwe vrouw aan de party interesseren? Dat zal u aanvuren. Hebt ge het boekje - den Schachkathechismus - ontvangen?

Wees met de uwen zeer hartelyk gegroet van uwen vriend

D.D.

Ik wil tot bien-être of sterven in de poging om iets voorttebrengen. Het verdrietigst is dat juist dit idee van moeten, my verlamt. Ge zult gelyk krygen in uw idee over de Mill. Studiën. En toch hadt ge ongelyk toen ge 't zeidet. Toen had ik ze in myn gemoed. Nu niet meer. Dat is iets als: qu'était-ce?

‘Ja, wat wou ik ook weer zeggen?’ vraag ik mezelf. Die Mult.-Commissie heeft alles gedaan wat mogelyk was my te vermoorden. 't Hangt aan 'n dun draadje of ik den proef van werken-moeten doorsta.