Multatuli.online

Lijst van correspondenten in alfabetische volgorde

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z

20 juni 1876

van

Multatuli

aan

Jan Hendrik van Offel (bio)

 

Volledige Werken. Deel 18. Brieven en dokumenten uit de jaren 1875-1877 (1987)

terug naar lijst

*20 juni 1876

Brief van Multatuli aan Joh. Hendrik van Offel in Nederlandsch Museum, vierde reeks, derde jrg., no. 9-10, jan.-febr. 1894. (A.M.V.C. Antwerpen; fotokopie M.M.) De ij is in y veranderd.

Pée tekent hierbij ondermeer aan: Deze brief werd geschreven aan Joh. Hendrik van Offel, naar aanleiding van zijn ‘Burgeres Roland. Historisch drama in 7 tafereelen en een voorspel’. (Rotterdam, J. van der Hoeven, 1876.)

Hij schreef het werk, dat in druk verscheen onder de titel Mevrouw Roland en de Girondijnen samen met R.J. Pellissier.

Wiesbaden, 20 Juni 1876.

Waarde Van Offel!

Ik ontving eergister uw stuk met het daarin liggend briefje dat my inderdaad innig aandeed. Beschouw nu dit schryven als een voorloopig antwoord op de hartelyke regels die ge my schreeft, en nog niet als 'n beoordeeling van het stuk dat ik gewis met aandacht en belangstelling lezen zàl, maar nog niet gelezen hèb. Ik sneed het boekje met voordacht niet terstond open, juist omdat ik u wilde antwoorden vóór de lezing, en dus (als de juristen zeggen): sans préjudice van later oordeel.

Ik maak onderscheid tusschen Uw (en des heeren P.) streven, en de eventueele waarde van uw stuk. Dit laatste is my in zekeren zin byzaak.

En nòg iets dat uw stuk niet aangaat: myn positie tegenover pogingen als de uwe. Dit laatste wil ik eerst even behandelen. Ik maak eenigen opgang. Dit is 'n feit. Ik zelf weet niet:

1o Of die ‘zekeren opgang’ vereerend voor my is? Wanneer ik myn opinie over Publiek tot maatstaf neem, moet ik me eigenlyk schamen.

2o Of die ‘zekere opgang’ van goed allooi is? Ziehier waarom ik deze vraag doe. Wekelyks, en bijna dagelyks, ontvang ik brieven van ‘geestverwanten’ met wier ‘geest’ en ‘verwantschap’ ik niet zeer ingenomen ben. Ik bemerk duidelyk dat velen die ten rechte of onrechte over iets ontevreden zyn, meenen dat ik à tort et à travers op hun hand wezen moet. Ook merk ik dat elke gemeene kerel die byv. niet aan de heilige Maagd gelooft (wat zoo'n kunst niet is) terstond by myn naam zweert, óók in dingen waarvan ik de verantwoordelykheid niet gaarne overneem. Aan dezulken heb ik 'n groot deel van m'n ‘zekeren opgang’ te danken (te wyten, liever) en dat noem ik opgang van onzuiver gehalte.

Maar... ieder moet z'n pak dragen, en ik m'n... opgang, want 'n pak, 'n vracht is het!

Onder de onaangenaamheden die dit servituut meebrengt, behoort ook het kunstrechterschap. Van alle zyden zendt men my brochures, essay's, novelles, vertoogen, uitboezemingen, verzen, verhandelingen en... (let op, auteur van Made Roland!) dramaas! Lieve God, moet ik nu, omdat ik me aan 'n tooneelstuk bezondigd heb (dat, N.B. slechts zeer partieel opgang gemaakt heeft! Volgens Alberdingk Thym is de Vorstenschool ‘een kakographie van 't begin tot het eind’) moet ik nu daarom weten wat goed is, en wat niet? Bedenk bovendien hoe groot het gevaar is, doortegaan voor 'n verwaanden betweter, in geval ik 't werk van 'n ander òf geheel afkeur, òf daarin fouten meen te vinden! 't Heeft dan terstond den schyn alsof ik beweer de tooneel- (en andere) wysheid in erfpacht te hebben. Toch mag me dit niet verlokken tot mooivinden van wat ik afkeur. En zie, dit veroorzaakt myzelf 'n grief. Het doet me leed, innig leed als ik afkeuren en berispen moet. Ik heb grooter neiging tot onverdiend pryzen dan tot laken uit jalousie de métier. Waarlyk, ik ben bly als ik pryzen kàn! Maar dit is (uit te ver gedreven purisme van smaak dan, of misschien uit verkeerden smaak) zelden 't geval! Dit geldt niet alleen tydgenooten, maar ook zoogen. Klassieken. Myn oordeel over Racine, Boileau, Corneille, Molière, is verre van gunstig. Ge weet, hoop ik, hoe ik Bilderdyk heb uitgekleed, den man die 80 jaren lang den ‘Nederlandschen Helikon beheerscht heeft’ zooals men gewoon is te zeggen in 't jargon der verzenmakery, bah!

Laat nu even onbeslist of ik in zulke beoordeelingen dwaal, zéker is 't, dat het uiten daarvan my aan veel onaangenaamheden blootstelt, te harder voor my omdat ikzelf smart voel van 't berispen. Dit laatste geldt (of zou gelden) vooral U, in wien ik zoo'n lief streven ontwaarde! Ge weet hoe ik terstond acht sloeg op 'n paar versjes die van U in 't licht kwamen. Die indruk is niet verflauwd door meer van die soort welke ik nu-en-dan in den Amstelbode vond. Maar, beste kerel, ook daarop heb ik wat te... vitten! Geloof dat ik 't uit bestwil doe. Uw liedekens zyn aardig, liefelyk, vry, 'n beetje ‘ondeugend’ soms (of wat zoo genoemd wordt door ellendige huichelaars die ons wel zouden willen wysmaken dat ze nooit wateren!) Maar ik waarschuw u tegen misbruik van uw hoofdtoon, tegen prostitutie van idylliteit. Dit wat den inhoud, den geest van uw stukjes aangaat, maar wilt ge, op lager terrein, 'n voorbeeld van wat ik bedoel? Welnu, wees wat spaarzamer met diminutieven. Schep de daaruit te putten liefelykheid niet met soeplepels. Kent ge den superlatief van ‘lief’? Zie, die is: lief, nog lieviger, walgelyk. In naam der vrymaçonnerie van den smaak (en ook wel 'n beetje van 't gezond verstand) verbied ik U voortaan alle diminutieven die in 20, 30 regels 't getal twee te boven gaan. Met Gods hulp, en wat goeden wil, zullen we later dat getal nog eenigszins beperken, maar men kan niet alles in ééns!

Hu, daar is de profester weer! of al! Welnu, ik zou de moeite niet nemen die opmerking te maken, of ze u meetedeelen althans, indien ik niet in uw streven hoog belang stelde. Waarlyk, er zyn er velen, wier arbeid geen waarde hebben zou, al zuiverde men hem van alle verkleinwoordjes, en parforcejacht [1.] parforcejacht: geforceerd najagen (naar het fr.) op idylliteit. Ook zyn er, die niets byzonders zouden leveren, al deed men er wat idyllen of diminutieven in, - want wat gy te veel hebt, is vaak by anderen te weinig, ja soms ontbreekt het geheel en al, wat nu, voorzoover de gezocht-kinderlyke verkleinwoordjes aangaat, juist zoo 'n ramp niet is.

Nog eens, ik heb uw drama nog niet gelezen, maar de titel, en de physionomie by 't doorbladeren (onopengesneden nog) bevalt me niet! Daaruit waait me een fransche geur te gemoet, en wel uit de periode toen Alexandre Dumas z'n Théâtre Historique opzette! Ik vrees, beste kerel, dat ge U hebt laten inspireeren door werken uit die dagen. Let wel, dat ik slechts vrees. Dit is geen oordeel!

Tot uw troost moet ik u zeggen dat, naar myn zeer alleenstaand oordeel, historische dramaas (en romans) onzin zyn. Niets is romantischer en dramatischer dan de Historie, en wie voorvallen uit de wereldgeschiedenis in 't kader van drama of roman zet, begaat m.i. de fout 'n degelyk kleedingstuk lostetornen, aan stukken te knippen en 't daarna tant bien que mal weer aan elkaar te flikken tot arlequinspak. Ik zeg ‘tot uw troost’. Want, als ik dan met uw Made Roland niet ingenomen ben, kunt ge meenen dat de schuld ligt aan myn ongewoon (en misschien ongegrond) oordeel voor 't ‘historisch’ drama in 't algemeen.

Dat ge in U den drang voelt tot voortbrengen, scheppen, is natuurlyk loffelyk. Maar, beste kerel, hebt ge gedaan wat tot slagen, tot middelmatig slagen zelfs noodig is? Men moet veel gedacht, geleden, gewerkt hebben voor men iets kan voortbrengen dat redelyk is! Waarom nu begonnen met 'n ‘historisch drama’? Waarom niet liever iets geteekend dat ge zelf zaagt, dat u beter bekend is dan voorvallen, karakters, toestanden die slechts op boekerige wys tot ons gekomen zyn?

Je weet wat 'n oud-lid der Conventie tot Lamartine zei, toen deze bezig was met z'n ‘Girondins’? ‘Tu n'es pas foutu pour écrire l'histoire de “notre” révolution. [2.] tu n'es pas (enz.): jij bent niet in de wieg gelegd om de geschiedenis van “onze” revolutie te schrijven. (fr.)’ Ik houd die brusque opmerking voor gegrond. Welnu, uit boeken als die van Lamartine moest gy, en moeten wy, onze kennis van de Terreur putten! Toen ik de Historie romantisch en dramatisch noemde, bedoelde ik daarmee de boekjes niet die door mannen als Lamartine (en Thiers!) over de Historie geschreven zyn! Ik bedoelde de feitelyke waarheid, zooals de denker die à peu près [3.] à peu près: zo ongeveer (fr.) weet te ontwarren uit de geschiedvervalsching der schryvers.

Zoodra ik uw stuk gelezen heb, ontv. ge nader bericht. Groet uwe vrouw van my. Is ze wel? Hartelyk gegroet.

tt.

Douwes Dekker.