Multatuli.online

Lijst van correspondenten in alfabetische volgorde

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z

4 december 1874

van

Multatuli

aan

P. van Asperen

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 17. Brieven en dokumenten uit de jaren 1874-1875 (1986)

terug naar lijst

*4 december 1874

Brief van Multatuli aan P. van Asperen. Afschrift van diens hand. (M.M.)

een duitsche trompetter: toespeling op een passage uit Specialiteiten; zie V.W. V, blz. 487.

Zoolang een menschenzoon enz.: citaat uit het Gebed van den Onwetende; zie V.W. I, blz. 475.

uw vermeend onbelangryken werkkring: Van Asperen was apothekersassistent in Zaandam.

Wiesbaden, 4 Dec. 74.

Waarde V. Asperen. De - - halfheid van dit velletje beduidt, dat ik geen lange brieven schryven mag. Dit is m'n zwak. Neen, zwak niet, want ik schryf liever aan geestverwanten dan voor de pers. En dit zou geen fout zyn, als ik maar in godsnaam rentenier was. Elken keer, dat ik een langen brief verzend, moet ik me verwyten, dat ik ten achteren ben by m'n uitgever. Dat schryven ‘voor de kost’ is een vervloekt ding! Men wordt zoo licht verleid tot het geven van wat niet in ons is. Nu dan, aan U schreef ik graag een langen brief, want sedert lang lette ik op uw dappere stukken in den Sneeker. Zeker zal 't u pleizier doen te hooren, dat ik gister reeds van Bokma die courant van 2 Dec. ontvangen hebbende, uw stuk aan iemand wees met den uitroep: ‘lees, eens, da's flink!’ En - - en - - toch 'n aanmerking, maar ze zal je niet boos maken. Ik wou liever niet tegen eeden yveren, maar de lui pryzen, die 'n God hebbende, dat spook zoo goed mogelyk in hun politie-zaakjes ge-bruiken en ervan halen, wat ervan te halen is. Uw - zeer gegronde! - aanmerkingen op de ‘zweerdery’ zal weer vele halfdenkers doen uitzien naar 'n protestanterig, liberalistisch uitwegje. Ik zeg: ‘zoo lang je 'r 'n God op na houdt, zweer tot je groen en geel wordt. Dit hoort by de zaak.’

In den grond zyn we 't geheel eens, maar m'n behandelingswys is eenigszins anders, ('t geen niet bewyst, dat ze beter is, o neen!) Ik b.v. neem 't een minister kwalyk, dat-i God overslaat in z'n troonpraatjes. Hy moet, óf ons gelyk geven (en 't budget van Eeredienst afschaffen) óf z'n God aanhangen, tot er de versuffing op volgt! Ik vind iemand, die beweert ónze inzichten te deelen en toch aan z'n God blyft gelooven, een slechte kerel. Als ik in God geloofde (of aan God, hoe heet het?) zou ik 't doodzonde achten, iets toe te geven. Dat is lafhartige huichelarij! - Juist, juist, juist is uw minachting voor 't logisch standpunt van 'n Doedes met z'n ‘veiligheids-argument.’ Ook ik vond dat zoo armzalig!

Hé, 'n vraag: zoudt gy geen lust hebben, Doedes' miserabel boekje te weerleggen? Me dunkt, dat dit goed zou doen. Wat my betreft, ik deed het graag, maar voel me belemmerd door z'n poging om me dood te zwygen. Al wat ik zeg, zou sommigen klinken als: ‘hei daar ik ben er ook’! En 't is waar, dat ik het land heb over dat professoraal behandelen van Büchner, een duitsche trompetter, terwyl hy zich aanstelt, alsof i van my niets weet. Een klacht hierover uit uw mond (als in uw stuk nu) is gepast. Uit den mynen geeft ze Doedes meer gewicht dan hem toekomt en ik verschaf hem de al te gunstige gelegenheid of om niet te antwoorden óf om te zeggen: ‘ei, kyk, hy wou zoo graag, dat ik over hem sprak’! Dit laatste nu is de waarheid, maar ik heb liever, dat 'n ander ze zegt, dan dat ikzelf weer klagen moet.

Een flinke logische weerlegging van Doedes' prul zou goed doen, meen ik. Mocht ge 'r lust in hebben, dan raad ik u aan te beginnen met de opmerking, hoe vreemd het is, dat in 1874, nadat God reeds zoo lang gewurmd en gesjouwd heeft met allerlei werk en bezwaar, met wereldscheppen, duivel-bestryden, deugd-beloonen, zoon-zenden, geschiedenis-regelen, wierook-opsnuiven etc, etc. een tournooi by te wonen van ‘geleerden’ over de vraag: ‘of hy bestaat?’ Het moet voor zoo'n God heel verdrietig zyn, zulke vraagstukken opgeworpen te zien en zeker is hy jaloersch op u op my, op 't minste voorwerpje, dat we waarnemen en welks bestaan niet in twyfel wordt getrokken! Doedes zegt ‘in God te gelooven.’ Gemakshalve neem ik aan, dat hy niet liegt. (Hy is stom genoeg voor z'n geloof.) Welnu, dan moet hy toch dit erkennen (want het blykt uit z'n oratie!) dat z'n God een betwyfelde God is. Ik vind dit een vreemd predicaatje voor 'n Almacht! Zou niet 'n God - - - den duivel in 't lyfkrygen, als-i merkte, dat z'n bestaan in twyfel werd getrokken! Ja al ware 't maar door 'n enkel individu! ‘Zoolang een menschenzoon dien God niet kent, Is 't laster te gelooven aan dien God! Zeker, want dan zoudi dien eenen menschenzoon beroerd behandeld hebben! De eenige weg om Gods integriteit aan karakter te redden is - dat-i er niet is! - Komiek en uit 'n oogpunt van logica zeer leerlingachtig is de aanroeping door Doedes van die 6 bewyzen. Zes! Denk eens! Hoe ondenkerachtig is het bluffen op dat kanonnieke zestal! Arme God! als er maar vyf waren. Maar neen, 't half dozyn is vol. Verbeeld je eens de gelukzaligheid, als 'n geluksvogel 'n zevende vond. Dan was 't bal ten hove by Z'n Almacht! Maar voorloopig moet-i zich in dat zestal schikken, de tyden zyn slecht. Ik gis, dat Doedes meer dan zes bewyzen heeft voor z'n eigen bestaan en beschuldig hem dus van onbescheidenheid jegens z'n God! Ja ik vind dat z'n existentie niet op steviger bodem mag rusten, dan den grond, waarop-i z'n Heer plaatst. A tout Seigneur, tout honneur! Gods bestaan moest 'n duizendpoot wezen, die vreeslyk lyden kan aan 't pootje en toch blyft voortwandelen, of - - staan ten minste. - Hoe durft Doedes zich beklagen over ‘onbetamelykheid’ der ‘materialisten’? (Die istery neem ik niet aan, maar hy bedoelt nu ‘godloochenaars, goed!) Moeten wy eerbied hebben voor iets, waaraan wy niet gelooven? Voor iets, dat voor ons niet bestaat? Dit is te veel gevergd. Hoe zou Doedes 't vinden, als men van hem eerbied vorderde van den heiligen Kwib of Kwab? Kyk, wat hy voor gekheid houdt, mag aangetast worden, maar z'n eigen spoken moet men eerbiedigen! Dit is 'n onbillyke vordering. - Overigens - - het geloof in God bestaat eigenlyk evenmin als God zelf. Ieder zal toestemmen, dat die God uit de som van z'n (vermeende) eigenschappen bestaat. Daar nu deze eigenschappen by geen twee personen identisch worden opgevat, kunnen zy onmogelyk beweren, noch zelfs gissen, dat zy dezelfde persoonlykheid bedoe-len. Wie zegt: ‘de God des Nieuwen Verbonds openbaarde zich als Vader (?) doch de Jehovah van 't O.T. was 'n wreker’ verklaart hiermee, dat die 2 ‘Heeren’ niet identisch waren, want 'n wezen, dat men niet als persoon kent, doch welks bestaan men afleidt uit veronderstelde eigenschappen, verandert van persoonlykheid. ('t geen al weer een ongerymdheid wezen zou) zoodra men die eigenschappen als veranderd voorstelt. Even als nu de fictie in 't O.T. van die in 't N.T. verschilt, bestaat er ook onderscheid in de verschillende opvatting van allen omtrent de eigenschappen van dien God. Hieruit vloeit voort, dat ze niet dezelfde persoonlykheid voor den geest hebben, als ze zeggen: ‘ik geloof in God!’ Zy bedriegen zich dus als ze hun ‘geloof’ uitventen als algemeenen indruk. Ieder voor zich houdt er een ietsje op na, dat hy z'n God noemt, doch welks bestaan (de som der eigenschappen!) door anderen geheel of gedeeltelyk geloochend wordt.-

Hm, toch op myn 2o blaadje! Beknor me, ik moet heusch voor m'n uitgever werken en als ik nu niet voor goed uitschei met lange brieven, wil ik griffermeerd worden. - O, dit nog! Stoor u volstrekt niet aan uw vermeend onbelangryken werkkring! Dit is 'n vooroordeel, kerel! Ik zou met pleizier een jaar in uw plaats zyn, om veel te leeren, dat ik niet weet. En ook uw vooruitzicht vind ik niet slecht. Ge zult, (wat vroeger, wat later) uw eigen zaak hebben. Dan kunt ge bestaan, zonder voor uwe denkbeelden rechtstreeks betaling noodig te hebben ('n groote weelde) en juist hierdoor zullen die denkbeelden zich vryer ontwikkelen. Niets is billyker, dan dat 'n schryver als ieder ander werkman, betaald wordt voor z'n arbeid, maar 't besef, dat-i door behoefte aan die betaling, geperst wordt tot het leveren van onrype vrucht, is vreeselyk! De geest moet spreken, of-i wil of niet. 't Slot wordt, dat-i beroerd spreekt. Dit kan niet anders. O, als ik kon overdoen, wat ik deed, na 't vragen van m'n ontslag te Lebak, maakte ik my tot ambachtsman. Dan immers houdt men z'n gedachten voor zichzelf en openbaart ze niet dan na natuurlyke bevruchting van 't gemoed. Iemand, die ideen moet verkoopen om te leven, wordt per se, psychologisch gesproken, 'n onanist. - Hiervoor kunt ge, door 't vak, dat ge koost, bewaard blyven. En gelukkig biedt dit vak u gelegenheid tot studie in chemie & botanie, wat wilt ge meer? Doch ook, zonder dit, al maakte je jezelf eenvoudig tot winkelier (een der onafhankelykste bedryven, die ik ken!) dan nog kunt ge, eenmaal het gewoon dagelyksch brood hebbende, je geheel toewyden aan hooger dingen. Rousseau, (dien ik volstrekt niet in alle opzichten hoog stel, o neen!) nu, hy copieerde muziek, juist om z'n vryheid als denker en schryver te bewaren. - Och, och, ik mag waarlyk zulke lange brieven niet schryven! Zie je, daar heb je al weer! Als ge eenmaal 'n flinke apotheek hebt, zult ge dit wél mogen en zelfs moogt ge dit nu al in een vry uurtje, terwyl ik 'n fout bega, door daarin toe te geven. Want het is volstrekt niet de tyd, die m'ontbreekt. Maar, schryvende zooals ik onlangs aan Bruinsma deed en nu aan u, raak ik den draad kwyt van m'n broodschryvery. Ik mag evenmin lange brieven schryven, als b.v borreltjes drinken. Wie wat wil voortbrengen, moet zich onthouden van uiting. Dit valt me zeer makkelyk tegenover het publiek in 't groot genomen, maar als ik 'n geestverwant aantref, geef ik zoo graag, wat ik met weerzin aan publiek verkoop. - Wees zeer hartelyk gegroet van uw vriend

Douwes Dekker

Dat ‘duitsche trompetter’ doelt op een der eerste hoofdstukken uit ‘Specialiteiten’

Ah, dit nog. Wat ik Doedes zeer kwalyk neem, is zekere zinsnede, waar-i ongeloovigen lastert. Hy noemt spottend het ‘geweten der Atheisten.’ Is de kerel gek? Juist zy die wél gelooven, zitten eeuwig te wurmen met allerlei akeligheid in 't gemoed. Ze krimpen in elkaar van angst voor hun kribbig lievenheertje, met wien ze altoos 'n nadeelig saldo schynen te hebben en die 'n lastige créditeur is. Een catholiek zou weer zeggen, dat het geweten van Doedes niet in orde kan zyn, omdat hy geen eerbied heeft voor den Paus of voor St Jutmis! Die lui kunnen niet leven zonder spokery!