Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

23 januari 1855

van

Multatuli

aan

Tine Douwes Dekker-van Wijnbergen (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 9. Brieven en dokumenten uit de jaren 1846-1857 (1956)

terug naar lijst

23 januari 1855

Brief van Dekker aan Tine. (M.M.)

Het handschrift bestaat thans uit drie dubbele velletjes postpapier, genummerd 2, 3 en 4. Het eerste dubbele velletje is niet teruggevonden. De tekst van de aanhef tot aan het sterretje werd afgedrukt naar de publikatie van Mimi (Brieven II, blz. 178; Brieven WB II, blz. 140). De Duitse gesprekken in deze brief zijn in gotische letters geschreven.

Arnhem, 23 Janij. (1855.)

Dingsdagavond.

Gister ben ik hier aangekomen, beste lieve Eef, en eerst nu verman ik mij om aan u te schryven. Zoo innig graag als ik mij gehaast had om iets goeds medetedeelen, zoo hard valt mij het tegendeel. Gij hebt evenwel uit mijn eerste telegram reeds begrepen hoe het staat! Ja, lieve, ik ben bitter bedroefd. Ik heb geen lust u mijn wedervaren nu te schrijven. De hoofdzaak weet ge en dit is helaas genoeg! De rest volgt mondeling.

Over Hrt. kan ik u waarlijk niets zeggen. Ik weet het niet meer. Doe, zeg of schrijf of doe niets, alles naar uw idee.

In weerwil der allermoeijelijkste reis ben ik zeer gezond en voel mij zelfs sterk. Hoe is het mogelijk! 't Is een tour in dit seizoen te reizen met postwagens. Ik ben van Coblentz naar Keulen in een nacht, van 's avonds 6 tot 's morgens 6, doorgereden. Later hoorde ik dat dit de koudste nacht geweest was die wij van den winter nog gehad hadden; en ik had niet aan koude gedacht.

Ik heb uitgaande en zelfs thuis komende nog van mijn armoedje hulp verleend, en het was mij een bitter genoegen daarbij als het ware tot God te zeggen: Zie, hoe ik handel. O 't is wreed!

Bewaar u zooveel mogelijk voor ons kindje, ik zal 't ook doen. Vaarwel! Kus het lieve hartje.

Onbegrijpelijk is het dat ik in weerwil van alles toch nog avonturen gehad heb. Ware ik een weinig beter gestemd dan zoude ik u daarover schrijven.

Doch wel beschouwd wat kan ik beter doen om den langen avond door te brengen. Eerst was ik van plan geweest wat in de sneeuw te gaan loopen omdat het beter is als alleen te zijn in de kamer. Je weet hoe het dan is, alsof de muren op u liggen, doch ik wil liever thuis blijven en u vertellen van mijne Oostenrijksche muzikanten familie, van het meisje uit Neuwied, van mijn cachenez en mijne pantoffels.

Misschien doe ik er nog wat bij over den pruisischen artillerie hauptman, den hongaarschen avonturier en... ja, lieve god, een boekdeel zou ik vullen kunnen met de beschrijving van wat ik in die twaalf dagen ondervonden heb! Ik kom van avond niet klaar met alles, dus het pikantste alleen.

Den 11den 's morgens moest gij denken dat ik met de stoomboot vertrokken was. Te zes uur dacht ik dit ook, maar een kwartier later wist ik het beter. Toen lagen wij met zware mist op den Rijn voor anker. Gij begrijpt mijne stemming.

Toen ik 's morgens mijn billet voor de boot nam moest ik wachten op twee vrouwen die voor mij aan de beurt waren. Ik werd ongeduldig daar het zoolang duurde. Die lieden schenen niet klaar te kunnen komen. Er scheen gekibbel te wezen over den prijs, de muntsoort en de herleiding van Pruissisch tot Holl. geld. Daar het mij verdroot gaf ik nader acht waaraan het haperde en beschouwde - neen dat deed ik later - ik beschouwde later de beide vrouwen. Zij waren fatsoenlijk maar armoedig gekleed; de eene droeg eene harp, de andere een guitarre. Zij hadden fijne handen en reine nagels.

De oudste (circa 40 denk ik) was mager en uitgeteerd, maar had wonder fijne trekken. Daar lag smart op. De jongste was frisch en gezond, hoezeer nog al grof van wezen. Beiden hadden tranen in de oogen!*

Maar vóór ik dit alles gezien had, streek ik hun geld (dubbeltjes, stuivertjes, centen kreutzers en silbergroschen alles door een) weêr weg, - legde er eenige rijksdaalders voor in de plaats en zeide tot den man voor 't raampje: ‘Ik reis ook mede op de boot, die menschen zullen dat straks met mij wel verrekenen.’ De vrouwen zagen mij aan als of zij geschrokken waren en spraken geen woord. Zij gingen met hun billet weg en ik vond ze lomp.

Niet waar, - niet eens te bedanken? - De man in het huisje, de bureauman, de registerman, - de ambtenaar enfin, zeide dat het wel zeer gelukkig was dat ik die zaak had uitgemaakt want zeide hij - -

Ja, wat zoude een ambtenaar zeggen? Zou hij zeggen: die menschen zijn met hun vieren - (twee waren reeds vooruit op de boot, een man en nog een meisje) - in Holland gekomen om met spelen in vaudevilles en koffijhuizen iets te verdienen; -

De man is ziek geworden. Men heeft hen 20 dagen aan de praat gehouden zonder ze ergens te engageren - Zij hebben alles verteerd wat zij bij zich hadden - Hij heeft zijne contrabas moeten verkoopen om te eten; -

Nu trachten zij hunne woonstede weder te bereiken, maar zij hebben geen geld genoeg om de boot te betalen, - of liever zij hadden wèl genoeg maar die vrouw wilde dien thaler niet geven - -

‘Want mijnheer, waarachtig - ze had nog een thaler, maar dien wou ze niet geven mijnheer, en dus mijnheer is het gelukkig dat U gekomen is, want - - -

Ja dit alles zeide de ambtenaar, -

Maar wat meer?

Gelukkig dat ik kwam daar die arme lieden anders in het voor hen vreemde land moesten achterblijven en hongeren?

Neen.

Het was gelukkig omdat het zoo lastig is de eens afgeknipte en als geplaatst geregistreerde billetten weêr intenemen bij de boekerij - -

O, heilige administratie! Wat staat het schoon als men zoo zijn hart en zijn gevoel netjes tusschen roode en zwarte lijntjes in en vast geregistreerd heeft. Ik nam mijn hoed af voor den accuraten ambtenaar en ging op de boot in de salon. Ik was slaap te kort gekomen, en ging dus op de bank liggen na dien eigenaardigen blik op de medepassagiers geslagen te hebben die de honden ons of wij den honden nadoen als ze elkander tegenkomen een blik die zoo nagenoeg vraagt: zullen wij bijten of spelen. Groet jij eerst of ik? enz.

Ik sliep in - ontevreden met mijne Oostenrijkers, want vandaar kwamen ze, omdat ze mij toch wel hadden kunnen bedanken. Toen ik wakker werd vraagde ik den kelner of er niet muzikanten voorin waren? Gewiss, zei hij. De vrouw is hier geweest en heeft bij U gestaan - - te schreijen. Maar gij schijnt vast te slapen mijnheer!

Een oogenblik daarna kwam ze. Zij bedankte nu recht anständig voor het leenen en bood het geld terug aan.

Het was weêr de zelfde rommel klein geld van zoo even-maar nu was er een Thaler bij.

Dat geld had eene geschiedenis, dat voelde ik.

De kleine Duitsche munt was het overschot van het reisgeld herwaarts. Men had het in Holland niet kunnen plaatsen dan met verlies, en men kan toch den silbergroschen die 6 cent waard is niet voor 5 geven. Dát bankeroet ware te groot geweest.

De kleine Hollandsche munt - één kwartje was er bij als reus van waarde onder de rest - die munt was opgehaald op het blikken blaadje als men het Lied der Thräne had gezongen of den lieven Alpenhorn of het afgezaagde maar toch schoone Scheiden thut weh!

Maar het lied der tranen - ja, wel behoorden die centen en die stuivertjes bij een tranenlied!

Maar de thaler, - de thaler! De man had zijn contrabas verkocht, en zij had nog een thaler?

Ik nam het geld en hield mij of ik het natelde - -

Die thaler? Ik vraagde met de oogen.

O Gott diesen Thaler gab mir meine Mutter vor zwanzig Jahren! De rest begrijp je. Er was mist gekomen. Wij avanceerden niet. Gij begrijpt hoe ik gestemd was over mijn lot. Toen hoopte ik nog te zullen slagen, en meende dat een dag verlies mij benadeelde. Ik was bitter bedroefd - maar mijne Oostenrijkers hadden eene aangename reis.

O, kon ik U de welsprekendheid schetsen van dier lieden dankbaarheid.

Zij hadden gevraagd mijn naam te weten ik schreef dien op. De oudste vraagde hoe zij dien moest uitspreken want zeide zij ik wil dien goed noemen als ik voor U bid!

Neen zeide Anna hare zuster. Nicht für dich - sondern an dich will ich beten.

Der Name thut nichts, zeide de derde - dat was de zuster van den man, een leelijk meisje - der Name thut nichts - wir sagen Er - und die Heilige Magd wird's verstehn!

Is dat niet welsprekend!

Zij hadden in de salon der boot op hun verzoek gespeeld en ge-zongen, want hadden zij den kapitein der boot gezegd Was können wir sonst, wir arme Leute? -

Maar die andere had niet mee gezongen. Te Duisburg verlieten wij gezamenlijk de boot. Zij lieden om naar Lippestadt te gaan en ik op de spoor naar Keulen. Zij allen begeleiden mij naar de spoor. Onder weg vraagde ik haar of zij anders niet mede zong? Sonst wohl, Herr, - aber jetzt - verzeihen sie - als ich Ihnen ansah - hatte ich gar keine Stimme!

Welsprekend!

En toen Anna het lied der tranen had gezongen en ik zeide dat het schoon was, verdween zij uit de salon.

Een oogenblik later kwam zij weêr, - zij had het voor mij uitgeschreven. Ik zal het U toonen. Het is net en zelfs fraai geschreven - vooral als men nagaat hoe moeijelijk het schrijven op eene stoomboot gaat.

Het lied inziende bedankte ik haar, en zeide Es fehlt noch etwas daran, Fräulein.

Was denn, Herr? vraagde zij.

Ihre Name.

Zij ging er meê weg en gaf het mij toe gevouwen weêr.

Toen ik het later opende, zag ik dat zij het laatste woord des lieds dubbel onderstreept had.-

Dat woord was: Wiedersehn!

Welsprekend, niet waar.

In 't stationsgebouw nam ik afscheid. Ik was geroerd - en maakte het kort, zoo als gewoonlijk.

In de waggon trof ik een' ouden Heer. Ik verschool mij in een hoek, - en dacht aan U, Edu, onze toekomst, - aan God of geen God.

Daar werd het portier opengemaakt en snikkende vielen de meisjes en de vrouw en de man den wagen in. Zij kusten mijne voeten.

O God als ge er zijt, - neen, neen, dat is onmogelijk!

Schreijende weerde ik hen af. De conducteur kwam er tusschen, - de bel luidde voor 't laatst, de stoom floot, ik zag een der meisjes vallen doordat zij meêloopende het portier nog grijpen woû, - en toen zat ik alleen in mijn hoekje van den spoorwagen.

Die menschen waren mij dierbaar geworden.

Sind das ihre Verwandten, Herr vraagde de oude Heer in den anderen hoek.

Ja, mijnheer, antwoordde ik, ja, ja - dat is mijne familie, want zij zijn arm.

Sind die Mädchen hübsch, vraagde hij.

Juist dat was de vraag, niet waar - of de meisjes mooi waren?

Neen, neen, neen, waarachtig niet, ze waren niet mooi.

En toen spoorde ik verder, en dacht na en sprak met God. Of 't een gebed was of een lastering, - eene aanbidding of een loochenen van zijn bestaan dit weet ik niet, maar zeker heb ik gezegd: als ge er zijt, zie naar mij.

Ah! zou Pieter zeggen, daar komt de aap uit de mouw. 't Was een schelvisch voor een kabeljaauw - -

(Zulke woorden klinken plat, - dat kan niet anders als ik Pieters woorden aanhaal na de mijne).

‘Ah zou hij zeggen - 't was om winst, - 't was eene speculatie! Je wou met God een accoord maken: ik geef de Oostenrijkers één, Gij geeft daarvoor terug zeventig maal zeven!

Pieter, - als dat zoo geweest ware, had ik nog niet anders gedaan dan Uw bijbel leert; uw bijbel die die speculatie letterlijk voorschijft.

Maar waarlijk, aan Uw bijbel heb ik niet gedacht, aan Uwe Joden-speculatie heb ik niet gedacht, aan Uw beloonenden en straffenden God heb ik niet gedacht, toen ik den armen een kus gaf en een handdruk en een thalerschein en eten en een hartelijk woord - Neen, dááraan dacht ik niet.

Ik dacht aan mijn God; - mijn God die edel moet zijn en groot en mij moet begrijpen en beminnen of niet zijn.

En zoolang ik zulken God niet zie, geloof ik aan God niet!

Openbaar U aan mijn hart, als gij er zijt!

Dit nu is één avontuur.

tweede avontuur. Dit was op de terugreis. 't Is van geheel anderen aard. Moedeloos en bedroefd zat ik op de Pruissische postwagen tusschen Maintz en Oberwesel. Tot Boppart toe had ik tegenover mij een meisje die met knie en hand en oog de gewone vrijmetselaarsteekens gaf: ik wil wel kennis met je maken. Wij meenden in Boppart tot 's avonds te moeten wachten en ik had mij laten overhalen om zamen met haar in het posthuis te eten enz. Dàt zoude een avontuur van gewone platte genre geworden zijn.

Vraag je nu hoe is het mogelijk dat je in die stemming (ik keerde huiswaarts!) zoo iets kon toegeven, - dat is mijzelf een raadsel, - of liever ik begrijp het wèl. Zij zag er goed uit. Ik was, in weêrwil van mijn toestand altijd ik. Onze knieen en handen raakten elkaêr, - In Duitschland is eene romantische atmospheer, - Zie uwe plaatjes, - enfin, in weêrwil van alle weêrwillen - het was zoo.

Maar, ik herhaal, dàt ware eene gemeene gewone platte historie geworden.

In Boppart aankomende, had zij commissies te doen en ging uit.

Ik hoorde dat er oogenblikkelijk gelegenheid was om verder te komen met eene Omnibus naar Oberwesel. en ik maakte graag van die gelegenheid gebruik om mijne nieuwe intieme kennis in den steek te laten, zoodat zij later thuis komende in 't posthuis den vreemden Heer met wien zij souperen (enz.) zou, niet meer gevonden heeft.

Om opregt te wezen moet ik zeggen dat als ik meer geld had gehad, en ik niet de fatale terugreis maken moest, ik waarschijnlijk in Boppart op haar zou gewacht hebben.

Ik maakte bovendien de geheele reis weifelend. Dan eens wilde ik snel voort om thuis te komen, dan weder schrikte ik terug voor de Holl: grenzen en den gevreesden 31 Januarij. Ik dacht er gedurig aan om ergens te blijven in de buurt van H. om van daar aan de L te schrijven, en dan weder te H te beproeven.

Maar ik ging in de omnibus en liet mijne schoone zitten.

Deze omnibus was met twee banken langs. Men steeg achter in. Uit vrees dat zij mij zien mogt stapte ik er dadelijk in, en zat dus geheel voor aan het verst van de deur. Nog tien personen kwamen na mij. De wagen heette voor 12.

Kort na het afrijden - (ik was innig blij dat ik van háár af was) wordt er in een gehucht halt gehouden.

Heeren zeide de Conducteur, daar zijn twee Dames. Er is nog ééne plaats, moet das Mädchen in de koû op de bok zitten.

Neen riepen de passagiers - ik althans riep het, - neen wij zullen plaats maken.

De wagen heette voor 12. Dat zou 13 geven. Ik woú op den bok gaan maar ik kon er niet uit komen.

Want, - let wel ik zat het verst van de deur.

Om er uit te komen moest ik 20 knieen passeren.

Ja. maar - - stel eens dat iemand er in komt, - hij of zij moest ook 20 knieen passeren om bij mij te komen, niet waar? -

Stel u dat eens goed voor.

Welnu - toen wij afreden van 't gehucht zat het meisje (de Dame, meen ik, - de andere was iets als een Dienstmeisje - op mijn schoot.

Nog begrijp ik het niet, en zij - Jettchen ook niet.

Maar dàt is zeker dat zij drie dagen en drie nachten met mij gereisd heeft, - dat wij te Oberwesel in eene kamer geslapen hebben, dat zij mij in mijn slaap haar heeft afgeknipt en het hare in de plaats heeft gegeven, - dat zij mij briefjes heeft geschreven en mij in Amsterdam weer een brief beloofd heeft, en dat ze toen ik te Coblentz haar verliet, schreijende aan de postwagen stond.

Nu denk je dat het een gemeen meisje was, niet waar? Neen geloof me. Dat woord eer en deugd in den gewonen zin genomen - ik hecht daaraan als ge weet niet zooveel - moet ik zeggen dat ik dat meisje in eene kaserne van kurassiers vertrouwen zou. In Oberwesel moesten wij op de post wachten. Ik vraagde haar waar zij zoolang ging. Hoor eens zei ze, rond uit gezegd zou ik wel bij U willen blijven maar dat is toch niet goed. Ga in het logement, dan ga ik met mijn mädchen bij haar vader - dat is onze schipper.

(Háár vader was koopman in Neuwied en zij was met de dochter van den schipper voor zaken op reis). Maar zei ze, daar ik toch graag bij U ben, kom ik van avond bij U. Misschien zag zij in mijn gezigt iets dat haar tot nadenken bragt, want zij voegde er dadelijk bij: Ja, maar ik breng mein mädchen mit, en bovendien ik vertrouw geheel op U. Ik kan dat meisje niet beschrijven. Zij was knap - hoewel een weinig grof, zooals vele meisjes daar, maar hare wijze van zijn was waarlijk hoogst eigenaardig. Haar vader was rijk, zeide zij, en aan sommige omstandigheden merkte ik dat dit waar was, want overal werd zij met veel ont-zag behandeld. Zij had iets gebiedends in haar toon dat aardig was om te hooren, vooral bij de zachtheid die ze er bij had.

De post in Oberwesel zou 's avonds 12 uur afrijden; wij kwamen te zamen in 't posthuis. Het was bitter koud. De postmeester had tijding dat de post door sneeuw enz. was opgehouden en wij dus wachten moesten, wie weet hoe lang.

In die postkamer stond eene kanapé. Toen riep ze mij alleen en zeide. Hoor eens, ik heb slaap - en wil hier op de bank slapen. Kom bij mij zitten en slaap ook als gij kunt maar - - ik heb de dochter van den schipper weggezonden. Weet je waarom ik dat gedaan heb?

Ik: welnu?

Zij. Om met U alléén te wezen - Ik wil dat gij mij liefhebt, en ik wil dat ik gerust bij u kan inslapen. Ik weet dat ik er goed uitzie, en ook hoe jongelui zijn (zij zag mij aan voor 25 jaar) maar ik heb U lief en vertrouw op U.-

Tijd voor de post, 11½ uur dag beste Eef -