Multatuli.online

3 mei 1887

Brief van C. Vosmaer aan F. Smit Kleine. Dubbel velletje postpapier, waarvan blz. 1-2 en 3 (⅔) beschreven. (N.L.M.D., Den Haag; fotokopie M.M.)

's Gravenhage

3 Mei 1887.

Waarde vriend,

Gosler [1.] Gosler: W. Gosler, uitgever in Haarlem; zie bij 21 feb. 1887..... ja, ik wil het gaarn gelooven.

Intusschen ik heb den man beloofd in der tyd dat ik zou helpen om hem in Letterkunde [2.] Letterkunde: de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, letterkundig genootschap uit 1766; de leden worden nog altijd bij coöptatie verkozen. te krygen - en hem dus nu ook weer voorgesteld. Gy zult nu misschien geen lust hebben op hem te stemmen. Maar stem in àlle geval op onzen Capel [3.] Capel: W.C. Capel (1853-1934), Nederlands dichter, publiceerde onder het pseudoniem Florentijn. (Florentijn). En nu wat Dekker aangaat: een recensie over Millioenen st: - ik weet er geen. Maar ik kan u eenige authentieke detaïls zeggen: in en bij Wiesbaden zag ik de plaatsen en personen in kwestie. Lord... is een bekende persoon in W. [4.] Lord...: vgl V.W. V, blz. 231. De malle oude dame ('t is sjant) [5.] oude dame: vgl V.W. V, blz. 229. was de wede Donker Curtius, geb. de Salis:

Staccata en de herberg en den toren heb ik gezien.

de meeste typen zijn na 't leven geteekend: ook de natuur.

Ik vind in het boek een schat van geest en fantasie.

De cijfers? - hm! deskundigen twijfelen daar zeer aan en ook aan het bewijs over Pythagoras. De goede Dekker was ook op dat punt een zonderling. - à la Oera Linda - hij vond soms moeizaam dingen die al lang gevonden waren. Ik zou zijn becyferingen niet hoog aanslaan. In al wat er wetenschap is wilde hij wel doen - en daar lag juist zyn kracht niet. En waar zijn unieke kracht in lag, in zijn Kunst, minachtte hij haar.

Met d'Ablaing heeft D. in de laatste jaren geen betrekkingen gehad.

Gaarne wil ik uw stuk vluchtig doorlezen - meer durf ik niet belooven. Maar dan zal ik u opgeven wat ik er in vind.

Sachse over mij? [6.] Sachse: J.E. Sachse schreef een studie over Vosmaer in 1890, verschenen in Mannen van beteekenis in onze dagen (blz 400 e.v.) Zonderling, de man kent mij niet. En ik geloof dat mijn werk niet zonder mijn persoon en mijn boeken en kennis te beoordeelen is. Wat is hij? Schoolmeester? Kom toch op Letterkunde, dan spreken wij elkaar weder eens. Met vriendschappelijke groet

tt.

C.V.