Multatuli.online

24 februari 1887

Brief van [?] Van der Veen aan Mimi. Enkel velletje postpapier, waarvan blz. 1 en 2 () beschreven. (M.M.)

Alkmaar, 24 februari 1887.

Baanstraat. A.4.

Hooggeachte mevrouw,

Met ontzetting vervulde mij het bericht van het overlijden van mijnen meester ook. Hoe heb ik in den Tolk van den Vooruitgang en in Oost en West getracht, mijne dankbaarheid te betuigen, voor wat hij mij heeft bewezen. Hem dank ik mijne vorming en mijne zelfstandigheid. Ik heb gesnakt naar het oogenblik waarin ik hem mondeling dat kan zeggen. Doch dat is nu onherroepelijk voorbij. Eén ding echter weet ik:

was wir lieben

ist geblieben,

bleibt - [1.] Was wir lieben enz: Wat wij liefhebben is gebleven, blijft (du.)

Ja! ik heb hem lief en 'k betreur het diep dat hij ons jongeren is ontvallen. Bij alles wat thans in mijne studeerkamer mij aan hem herinnert, zou ik o zoo gaarne - vergeef me als ik 't U vraag - een lok zijner haren of eenige asch bezitten, als een herinneringsteeken.

Mevrouw! ik begrijp zoo goed dat thans uwe ziel bitter bedroefd is, maar och - neem het een dankbaren en ook bedroefden leerling niet kwalijk dat hij u durft bidden om een gering relikie. [2.] relikie: kennelijke verschrijving.

Met de meeste hoogachting

Mevrouw

Uw dn

Van der Veen.


nadere informatie

Brief van Van der Veen aan Mimi