Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

17 januari 1879

van

Multatuli

aan

R.J.A. Kallenberg van den Bosch (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 19. Brieven en dokumenten uit de jaren 1878-1879 (1989)

terug naar lijst

17 januari 1879

Brief van Multatuli aan R.J.A. Kallenberg van den Bosch. Twee dubbele velletjes postpapier, waarvan blz. 1-7 en 8 (¼) beschreven. (M.M.) Het laatste vel is volgeschreven op 18 januari 1879, maar onvoltooid gebleven. Met blauw potlood is door de laatste alinea heengeschreven. Gegroet. Wordt vervolgd.

beste Van den Bosch! Ik zou wel weer kunnen beginnen met de betuiging dat ik niet wel ben, maar 't verveelt myzelf. Klagers over ziekte en historieschryvers hunner kwalen zyn typisch onverdragelyk. Dit weet ik. En waarschynlyk zou ik nooit in die fout vervallen zyn, als niet juist dat onwelzyn den grond opleverde waarop ik m'n aanspraak op verschooning bouwen moet. Neem m'n vorig geseur daarover op als 'n blyk dat ik me verplicht acht my by U te verontschuldigen. Sedert vele jaren hebt ge my zoo hartelyk belangstellend en met opoffering uwerzyds behandeld dat my m'n dorheid altyd gedrukt heeft. Dit zou niet zóó erg 't geval geweest zyn, als ge staaltjes van m'n droomerigheid hadt bygewoond. By de zeer weinigen die me van naby kennen is 'n deun in omloop: ‘men moet Dek nooit iets kwalyk nemen’. Wel, dat is makkelyk voor den betrokkene, zal men zeggen, en ‘op zoo'n prerogatief kan men er maar frisch op toe zondigen!’ Zeker, en ik rekommandeer dan ook zoo'n stelling niet als algemeen principe. Ook eisch ikzelf niet dat men my alles vergeve, maar men doet het als men my in 't intime leven heeft gadegeslagen, omdat men dan overtuigd is dat ik 't goede wil, maar belemmerd word door... eigenaardige fouten die niet makkelyk te omschryven zyn. By elke aanraking met vreemden moet ik me geweld aandoen. Wat is dit toch? M'n vorige woning was tegenover de kaserne. Al wat er te zien viel van de soldaten (of byna alles, want ik had andere opmerkingen ook) bepaalde zich tot de verzuchting: zou nu al dat volkje elkaar verstaan? Voelen zy allen zich op hun gemak met hun kameraden? M'n vrouw is 'n engel van goedheid voor my, 'n rechte soeur de charité, [1.] soeur de charité: liefdezuster (fr.); non, die zich aan verpleging wijdt. en toch is 't my onmogelyk haar precies te zeggen wat ik denk, meen of voel.

Een vreeselyke grief [2.] grief: (hier) verdriet (angst). heb ik sedert eenige jaren te dragen! De gissing nl. dat m'n eerste vrouw my nooit begrepen heeft, en dat ze slechts uit goedigheid en zachtheid - och, 't is me zoo hard dit te zeggen - met my meepraatte. ‘Hoe kom je daar nu aan? vraagt ge. Och, 't blykt me o.a. aan m'n kinderen die, door háár opgevoed, telkens blyk geven weinig of niets van my te weten.

Van m'n kinderen heb ik veel verdriet. Nonni is 'n lief goed [3.] lief, goed: oorspr. gevolgd door talentvol. meisje die talent heeft ook. Maar my is ze vreemd. Om invloed op haar te krygen zou ik haar van de meet af moeten trachten te veroveren. Dit kan ik niet, daar ik my zoo erger over de taak-zelf dat het rechte middel (onverstoorbare zachtheid) boven m'n kracht gaat. Doch ook zelfs de keus om dit te beproeven werd me nooit gelaten. Er zyn ‘vrienden’ en ‘vriendinnen’ die haar tegen my steunen. By 't minste verwyt, by de minste opmerking van myn kant, loopt ze weg. De aanleiding tot dat helsch tegenwerken wortelt in Holland. Sedert zéér vele jaren heeft men van Holland uit (V. Vloten was de schakel waardoor m'n tegenstanders zich in aanraking stelden met de italiaansche omgeving) tegen my en m'n vrouw ingenomen. De mededeeling van al de treurigheid die daaruit voortvloeide, zou 'n boek vullen, of liever ze is onmogelyk. En 't spreekt van zelf dat ik niet alles bewyzen kan. Doch al ware dit anders, ge begrypt hoe bitter 't my valt die dingen te behandelen, vooral letter voor letter op schrift!


(‘Niet bewyzen’ zei ik daar. Toch zeer veel, en voor den niet-bevooroordeelde volkomen voldoende. Men behoefde slechts de honderden brieven te lezen van m'n arme Tine. Geen enkele waarin niet de hartelykste liefde en hoogachting spreekt. Toch ontv. ik twee brieven van haar waaruit 'n smart is voortgevloeid die nooit genezen kan. V. Vloten zond haar nu-endan eenig geld. 't Was gedeeltelyk van U, niet waar! Misschien hoofdzakelyk van U, of. -
Ik weet dat V. Vl. 'n slecht mensch is, en acht hem in staat tot schelmery [4.] schelmery: oorspr. stond er laagheden. op àllerlaagst terrein, op 'n terrein - basta.
Nu dan, de hulp? die haar door bemiddeling van V. Vl. gewerd, was 't eenige wat zy in zekere periode bezat om de kinderen in 't leven te houden. Ik zond haar altyd wat ik maar eenigszins kon, en dat kan ik uit 'n zeer groot aantal brieven vol hartelyke dankbetuigingen bewyzen. Maar in 'n periode van onmacht vernemende dat V. Vl. met de mare van zyn hulpvaardigheid rondliep, verzocht ik m'n vrouw publiek te verklaren dat ieder die zich met háár bemoeien wou zich tot my moest wenden. Dit heeft ze uitgesteld en ten-slotte niet gedaan! Om dat zoogenaamd beschermen ‘buiten my om’ was 't V. Vl. juist te doen. De italiaansche ‘vrienden’ kregen gedurig berichten uit Holland, en dit werd me door de kinderen als 'n grapje meegedeeld, dat ik was: le premier auteur de la Hollande! [5.] le premier auteur de la Hollande: de grootste schrijver van Nederland (fr.) Ik kon zooveel geld verdienen als ik maar wilde en had ook veel geld, maar onthield het m'n vrouw en kinderen! Dit nu geloofden zy wel niet, omdat ze weten dat ik gul ben, en altyd deed wat ik maar eenigszins kon, maar op den duur verbitterde het toch. Het woord ‘premier auteur’ (ik heb 't later tot 'n belachelyke scie [6.] Scie: steeds herhaalde aardigheid, stoplap (fr.) weten te maken) klinkt in 't buitenland heel anders dan 't in Holland doen zou 'n ‘Premier auteur’ is iemand die als Sue, Victor Hugo & t.q. [11.] & t q: e tutti quanti, en al dezulken (it.) kasteelen bouwen laat, of millioenen wegsmyt als Alex. Dumas.
En andere inblazingen! Myn tegenwoordige vrouw was met opoffering van al wat ze had, de weldoenster van ons allen geweest. Aan m'n kinderen gaf ze les. My leidde zy als 'n blinde - en dit doet ze nog - nadat m'n vrouw en kinderen door 'n infernale machinatie ten-tweeden-male naar Italie waren gedreven. Het relaas van de wys waarop dit geschiedde, is me nu te zwaar. Ik wil 't U wel vertellen als ik er toegestemd ben. Maar dit is niet altyd het geval. Gy weet dit, gy. Eens, in 1862 (3?) vroeg ik U iets aangaande Uw gezin. Een afwyzende beweging was uw antwoord. Herinnert ge U dat? Het was op de zolderkamer in de Kalverstraat te Amst. -

De laatste paar bladzn schynen 'n tusschenzin te moeten beduiden, iets episodisch. Of ze uit is, weet ik niet. Hoe dit zy, ik breek maar af. 't Is wel mogelyk dat ik straks terugkom op 't onderwerp dat ik daar aanroerde, maar orde te brengen in m'n schryven, zou me onmogelyk zyn. Eén bladzy die gedrukt worden moet, kost me soms dagen, en meer. Want het gebeurt dat ik verward rakende, afbreek, en dan vele weken lang den draad niet weervind. In de publiekschryvery is dit 'n groote fout, en 'n last ook, o vermoeiend! Maar in part. mededeelingen heeft het toegeven in zoo'n slordigheid wel wat goeds. Men blyft natuurlyker. Over 't geheel is 't schryven voor Publiek iets onzedelyks! Velen zouden moeten denken verkeerd te lezen by dit woord, maar ik meen het precies zooals 't er staat. Het voortdurend poseeren bederft de taille van 't geduldigst model. Om er geen spit in den rug van te krygen moet men 'n mannequin wezen. Ik kan U niet zeggen hoe my 't fraseeren verveelt! Er is 'n onbegrypelyke kracht (van geest, van wil, van gemoed? Ik weet het niet. Ook van ‘gehoor’ had ik er by kunnen zeggen. En van ‘smaak’ ook) enfin, er is groote inspanning noodig om 'n zuiver gemoedelyk oprecht mensch te blyven, als men zich met publiekschryvery heeft afgegeven, tenminste als men zich, eenmaal voor publiek schryvende, die taak à coeur [7.] à coeur: ter harte (fr.) neemt. Dit laatste moet ik er by zeggen, want veel schryvers zyn als mensch slechts daarom niet bedorven, wyl ze als schryver zoo slordig zyn. Ze lyken op modellen in 't atelier die 't lang zonder spit uithouden omdat ze leunen tegen den wand der traditie, tegen 't staketsel van deun en frase. Dit laatste valt me, ik geloof meer dan ieder ander, in 't oog. -


(Ge kunt U niet voorstellen hoe ongunstig ik oordeel over de meeste boekenmakers! Dit is zeer pynlyk voor me, daar ik telkens my tegen my zelf in bescherming moet nemen, als de vraag in my opkomt of 't ook afgunst wezen kan, of althans vitzucht. Dit is waarachtig zoo niet! Ik ben bly als ik iets ontmoet dat ik schoon vinden kan, en dan voel ik neiging om m'n lof te overdryven, als om mezelf te bewyzen dat ik geen genoegen schep in aanmerking maken.
Maar wat moet ik denken van m'n oordeel als ik door vermeend-bevoegden hemelhoog zie pryzen, wat my voorkomt zeer gebrekkig te zyn? Om m'n oogen te sparen leest m'n vrouw my alle avenden voor. 't Laatst wat we hadden, was het beroemde ‘Homo sum’ van Ebers. [8.] Georg Moritz Ebers (1837-1878), duits egyptoloog en romanschrijver van o.m. Homo sum (1878) en Uarda (1877, 3 dln.) Ik vind het ellendig. De ‘Oearda’ van denzelfden schryver, heb ik niet kunnen uitlezen. Maar ‘Homo sum’ heb ik tot het slot toe geslikt.
Schlosser's Algemeene Geschiedenis [9.] Friedrich Christoph Schlosser (1776-1861), duits geschiedschrijver. is 'n paar dozyn banden commonplace-praatjes in vry slechte styl. Is dàt werk beroemd? Men leert er hoofdzakelyk dìt uit, dat de Geschiedenis à faire is! Voor Gibbon [10.] Edward Gibbon (1737-1794), engels geschiedschrijver van o.m. History of the decline and Fall of the Roman Empire (1777-1788, 6 dln.) heb ik hooge achting. Maar ik heb hem nog slechts gedeeltelyk gelezen. Ik moet weer van voren af aan beginnen, en heb daarvoor den volgenden winter bestemd ‘als god wil en wy leven’ zeggen de vromen er by. Nu ja, als ik leef.)

M'n afkeer van schryvery werkt zeer nadeelig op m'n produktie. Ik worstel gedurig met dien tegenzin, en dit was evenzeer 't geval toen ik door nood gedrongen, en geen ander middel vindende den Havelaar schreef. ‘Evenzeer’ maar niet méér dan nu. De zoogenaamde ‘roem’ (die trouwens in Holland niets te beduiden heeft!) is my 'n walg, vooral wanneer ik den (zeer betrekkelyken!) opgang dien m'n werken maken, in verband breng met den smaak van 't publiek, blykbaar in 't ophemelen van werken die ik ellendig vind.

18 Januari 1879

Ik weet niet waar ik heen wilde, en 't doet er niet toe. Ik ontving daar een nummer van het weekblad ‘Oost & West’ waarin de redaktie een stuk van my heeft opgenomen dat van '57 dagteekent. Kent Ge ‘Oost en West?’ Het is een pikant blaadje dat wèl verdiende wat opgang te maken, vooral by de lamlendige redaktie van z'n meeste mededingers. Alle Tydschriften komen me natuurlyk niet onder oogen maar wàt ik er van zie... maakt me begrypelyk waarom ik zoo weinig invloed heb. Ten mynen aanzien is doodzwygen het parool. Ik begryp dit wat de schryvers aangaat, maar dat het publiek dat toch m'n werken schynt te koopen, want telkens drukt Funke op-nièuw, dit begryp ik niet! Die redaktie van O & W. schynt me genegen (ik ken slechts Plettenberg-zelf en Roorda. Van de andere medewerkers geen enkele, zelfs niet by naam) zóó genegen zelfs dat ik soms vrees dat ze verdacht zal (....)