Multatuli.online

3 april 1878

Brief van Multatuli aan Titia van der Tuuk. Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. (M.M.)

Rotterdam, 3 April 78

Waarde Juffr van der Tuuk!

Vriendelyk dank voor Uw schryven van gister dat ik hier vond toen ik van den Bosch waar ik ‘gesproken’ had, thuis kwam. Ook ik wil gaarne persoonlyk kennis met U maken, omdat ik weet dat ge 'n dapper meiske zyt. Maar 't is me zeer moeilyk, nu te bepalen waar ik 19-22 dezer wezen zal.

Ziehier hoe de zaken staan. Ik verneem dat de h.h. Le Gras, V.Z. en H. die alles voor me beredderen, nog eenige lezingen hebben aangenomen,

nam: Schoonhoven (overmorgen)
Kampen, Zutfen (?)
Deventer
Meppel
Zwol, op den 17n. [1.] 17 april: wordt uiteindelijk 12 april.

Na dien 17n is er halt gekommandeerd, en dit moest ik wel doen, want ik ben moê. Ook voel ik pyn in de keel, en al ware dit anders, het verkoopen van wyzighedens verveelt me. Ik verlang naar huis, en zal m'n hart ophalen aan 't oplaten van zelfgemaakte vliegers. Het zoontje van den heer Haspels (12 jaar) dien ik naar W.b. zond om m'n vrouw gezelschap te houden, kan me tot pretext [2.] prétexte: voorwendsel (fr.) dienen.

Maar na die slotvoordragery te Zwol, kan ik niet terstond naar huis vertrekken, wat ik anders wel wenschte. ‘Wel, zegje dan ben je den 19n & 20 nog in Holland?’ O ja! Maar ik heb zeer veel relatien, vrienden familie & geestverwanten afgescheept met:

‘Wees zoo goed me, zoolang die kermisreis duurt, als dood te beschouwen.’

Begryp, S.V.P. dat ik in de dagen tusschen de publieke voordrachten in, m'n keel moest sparen, en bovendien altyd veel te doen had. Zelden ga ik 'savends voor 2 uur naar bed, daar ik den nacht moest gebruiken om aantevullen wat me gedurende den dag door bezoeken &c ontroofd was. (m'n arme keel!)

Alzoo nà dien fameuzen 17n, lig ik onder allerlei servituten van belofte & afspraken. Ik wil griffermeerd worden als ik ze op 't oogenblik allemaal kan opnoemen. Maar ik weet dat HED [3.] HED: hun edeler. getal legio is. Ik kan waarlyk niet uitrekenen of ik nà, en zoo ja, of ik terstond nà den 17 naar Amsterdam en naar Hoorn moet, twee plaatsen waar ik schulden van piëteit heb aftedoen. En, wist ik nu maar op welke datum ik te Kampen, te Deventer te Meppel, te Zutfen wezen moet! Dan zou ik kunnen berekenen of ik van een dier plaatsen uit, U kon komen zien. Ik zette op pag 1 by Zutfen 'n vraagteeken. Misschien weet gy nu of, en wanneer, ik daar kom. Zou 't u schikken dáár te komen?

Ik heb 't vreeselyk druk. Die voordragery is eigenlyk by zaak, en ik zou 't in 't geheel niet meerekenen als er niet aan verbonden was: sporen (my 'n ware marteling!) kellners, vigilantkoetsiers, kamers bespreken, slecht weer trotseeren, aanraking met Pleizier-kennismakers, aanhoren van bakerpraatjes - och, zoo vervelend! De rammelslag's [4.] rammelslag: vgl. V.W. IV, blz. 357. zyn de wereld nog niet uit. -

Als ik nu maar zeker was dat ik te Zutfen kom. Zoo ja, maak dan S.V.P. dat ik daar iets van U verneem. Aan de post zal men weten waar ik logeer. Een briefje komt dus terecht.

Ik zou wel zeggen: ik zal te Lochem komen, maar ik weet niet of ik daartoe den tyd hebben zal.

Voor heden vriendelyk gegroet van t.a.v. DouwesDekker

Dr Van der Tuuk is 'n vriend van my. Hy is zeer ver in indische taalkennis, en bovendien 'n zeer geestig en... flink ongeloovig mensch. Ik geloof dat zekere zoo pikante brieven in den ‘Tolk v. Vooruitgang’ van hèm zyn. (Over genomen, meen ik, uit 'n Soerabayasche Ct).