Multatuli.online

27 maart 1878

Brief van Majoor E. Bernhold aan Mimi. Twee dubbele velletjes postpapier, waarvan blz. 1-7 beschreven.

Met envelop, waarop in handschrift Madame Douwes Dekker Wiesbaden Dotzheimerstrasse 48 fr[ei] en met poststempels Germersheim 28/3, Wiesbaden 28/3 78. (M.M.: Dossier Bernhold, bijlage 17)

Verehrte gnädige Frau!

Herzlichen Dank für Ihr gütiges Schreiben, aus welchem ich mit Freude ersehe, dass der kleine Mann sich heimisch fühlt und besonders dass Sie, gnädige Frau, freundliche Zuneigung zu ihm fühlen.

Sie wünschen über die Verhältnisse des armen Kindes Aufklärung - ich müsste Ihnen einen traurigen, entsetzlich traurigen Roman erzählen, ein Trauerspiel, dessen Erinnerung mich heute noch tief unglücklich macht, wenn ich den wahren Sachverhalt des Ur-sprungs des armen kleinen Weltbürgers Ihnen mittheilen wollte, ich müsste Ihnen Leidenstage - wie Leidensjahre - aus meinem Leben, aus meinen Erfahrungen erzählen, die fast unglaublich sind. -

Ich bitte Sie innig, erlassen Sie mir dieses - ich lüfte den Schleier dieses Unglücks nur mit schwerem Herzen - ich will lieber einen ungünstigen Schein auf mich ruhen lassen, als Anklagen. Ich habe den armen Kleinen einige Tage nach seiner Geburt, nachdem ich ihn auf meinen Armen taufen liess, im strengsten Winter von einem Dorfe, wo seine Mutter bei einem Arzte einige Zeit zubrachte, jener Pflegerinn zugebracht, die Ihnen das Kind übergeben - sie hat brav und wacker an dem Kleinen gehandelt und wenn gnädige Frau den Knaben wieder zurückgeben würden, wüsste ich nichts Bessers, als ihn jener Frau anvertrauen. Dem Kinde ein älterliches Haus zugeben, wie ich trotz der traurigsten Umstände vorhatte, wurde mir zur absoluten Unmöglichkeit gemacht. Im vergangenen Jahre war ich in Folge einer Krankheit, die ich mir durch Erkältung beim Reiten zugezogen, dem Tode nahe - mit schwerem Herzen gedachte ich des armen Knaben, da ich ohne Vermögen nur von meinem Gehalte lebe und in Folge langjähriger Krankheit wegen zweier schweren Verwundungen im Kriege noch bedeutende Abzahlungen für Kurkosten und ausserdem für Pferdsankäufe hatte. Der Gedanke, dass das arme Kind Zeitlebens unter Menschen wohnen, soll, welche dessen Verpflegung und Erziehung, wenn auch gewissenhaft, was ich nicht genug anerkennen kann, doch eigentlich aus materiellen Gründen übernommen haben, der Gedanke, dass der Kleine nie eine liebe Heimat haben soll, beunruhigte mich sehr, allein ich wusste keinen Ausweg. Die Mutter des Kindes, die Wittwe eines Mannes von altem Adel, hat zwei ziemlich erwachsene Söhne, 16 und 15 Jahre, und ein Mädchen von 10 Jahren - deren Unglück war, zu früh ihren Mann verloren zu haben. Sie werden mich fragen, warum ich sie nicht geheirathet habe? Diese Frage kann ich nicht beantworten. Ich habe Ehrenhaftigkeit und Gutmüthigkeit bis über die Gränzen der Vernunft, bis zur Selbstverleugnung walten lassen, weiter konnte ich nicht gehen, wenn ich einige Achtung vor mir selbst erhalten wollte.

Vergeben Sie gütigst, wenn ich Ihnen nicht mehr sage und neh-men Sie auch diese Äusserungen als im tiefsten Vertrauen gegeben - ich will Niemand anklagen, möchte nur wenigstens annähernd die Gründe meines Handelns darlegen. -

Taufzeugniss und Heimatschein des Kleinen werde ich mir sofort schicken lassen - ich selbst segne die Stunde, in welcher der arme Knabe eine wirkliche liebevolle Heimat erhält und erkläre mich auch zu jedem materiellen Opfer, soweit dieses in meinen Kräften steht, bereit. -

Die Mutter des Kindes sieht ihrer Familienverhältnisse wegen der Befreiung von dieser Sorge nicht nur aus materiellen Rücksichten, denn hierunter hatte sie nicht zu leiden, sondern ihrer doch schon erwachsenen Kinder und ihrer Verwandten wegen, die nur einen Theil des Trauerspiels kennen, sehnsüchtig entgegen.

Verehrte gnädige Frau wünschen nun zu wissen, auf welche Weise Ihen das Kind wirklich gehören würde - wollen Sie den armen Knaben als ein kleines Mitglied Ihrer Familie wirklich aufnehmen, so würden Sie einfach gerichtlich die Adoptirung des Kinders erklären - die Mutter und ich würden gerichtlich unsere einwilligung konstatiren.

Die Mutter hat allerdings Vermögen, aber diess gehört, da es Vatergut ist, den Kindern - sie hat nur die Nutzniessung - ob sie etwas thun will oder kann, darüber will ich sie schriftlich befragen und mir erlauben, das Resultat mitzutheilen.

Ein zweiter Weg wäre, ich selbst adoptire das Kind und übergebe es Ihrer gütigen Obhut mit allen Rechten - mich leiter nur die Sorge, den armen Knaben ein mütterliches Herz, eine wirkliche Heimat zu schaffen, damit der Arme nicht durch die Schuld der Aeltern leidet. - Das arme Geschopf heisst Eduard Beermann, der Familienname der Mutter, ist am 26. Januar 1876 in Sulzheim bei Schweinfurt geboren - der Vormund des Kinder, natürlich nur pro forma, da ich die Sorge übernommen habe - ist Dr. Rauch in Sulzheim.

Nun, glaube ich, soweit es die Umstände erheischen, volle Aufklärung gegeben zu haben, behalte mir aber eine Besprechung vor, welche leider vor dem 10-12 April nicht sein kann, da Inspicirungen aller Art in den nächsten Wochen in Aussicht stehen, die meine Anwesenheit als detachirter selbständiger Commandeur absolut erheischen. Es thut mir innig leid, Ihren freundlichen Wünschen momentan nicht weiter entgegenkommen zu können - der Dienst geht in unserem Berufe jeder Pietät, jeder Privatrücksicht vor. Aber ich werde die Ehre haben, gnädige Frau, sobald als mir möglich ist, zur weiteren Besprechung [Sie] zu besuchen. Ihre gütigen Briefe sind so herzlich und sympathisch, dass er mir wohltut und ich mich freue, Sie kennen zu lernen, denn ich habe leider den Glauben an die Herzensgüte der Menschen etwas verloren.

Gott behüte Sie, verehrte Frau und Ihr Haus - es mag kommen, wie es will, durch die liebevolle Aufnahme des armen Kindes bin ich Ihnen aus tiefstem Herzen dankbar.

Mit herzlicher Verehrung

ergebenster

Eduard Bernhold

Germersheim, 27. März 1878

Vertaling:

Vereerde, geachte mevrouw!

Hartelijk dank voor uw vriendelijk schrijven, waaruit ik met vreugde opmaak dat de kleine man zich bij u thuis voelt en vooral dat u, geachte mevrouw, zich hartelijk tot hem voelt aangetrokken. U verlangt opheldering over de omstandigheden van het arme kind - ik zou u een treurige, ontzettend treurige roman moeten vertellen, een treurspel, waaraan de herinnering mij nog vandaag de dag diep ongelukkig maakt, als ik u de echte stand van zaken rond de afkomst van de arme kleine wereldburger wilde meedelen, dan moest ik u dagen - zo niet jaren - van leed uit de loop van mijn leven, uit mijn ervaringen vertellen die bijna ongelooflijk zijn. -

Ik verzoek u met klem, ontslaat u mij van deze verplichting - ik zou de sluier over dit ongeluk slechts met bezwaard gemoed oplichten - ik wil liever een ongunstige schijn op mij laden dan een ander aanklagen. Ik heb de arme kleine een paar dagen na zijn geboorte, nadat hij in mijn armen gedoopt was, in hartje winter uit een dorp waar zijn moeder enige tijd bij een arts logeerde, bij de verzorgster gebracht die het kind bij u heeft gebracht - zij heeft alles braaf en flink voor de kleine jongen gedaan en als u, geachte mevrouw, de knaap weer terug zou geven, dan zou ik niets beters weten dan hem aan deze vrouw toe te vertrouwen. Het is mij absoluut onmogelijk gemaakt het kind een ouderlijk huis te geven, zoals ik ondanks de treurigste omstandigheden van plan was. In de afgelopen jaren was ik, als gevolg van een ziekte die ik me op de hals haalde door te sterke afkoeling bij het paardrijden, dicht bij de dood - met bezwaard gemoed dacht ik dan aan de arme knaap, daar ik zonder vermogen slechts van mijn wedde leef en ten gevolge van een jarenlange ziekte wegens twee zware oorlogsverwondingen nog aanzienlijke afbetalingen voor verpleegkosten en bovendien voor de aanschaf van een paard moet doen. De gedachte dat het arme kind zijn leven lang bij mensen moet wonen die zijn verzorging en opvoeding, hoe gewetensvol ook - dat kan ik niet genoeg benadrukken - toch in de grond van de zaak uit materiële motieven op zich genomen hebben, drukte mij zeer, ik wist alleen geen uitweg. De moeder van het kind, de weduwe van een man uit een oud adellijk geslacht, heeft twee vrijwel volwassen zonen, 16 en 15 jaar oud, en een meisje van 10 jaar - had het ongeluk haar man te vroeg te verliezen. Nu zult u mij vragen waarom ik haar niet getrouwd heb. Die vraag kan ik niet beantwoorden. Ik heb mijn achtenswaardigheid en grootmoedigheid tot over de grens van de redelijkheid ja zelfs tot zelfverloochening toe op het spel gezet, verder kon ik niet gaan, als ik enige achting voor mezelf wilde behouden.

Neemt u het mij alstublieft niet kwalijk als ik u er niet meer over vertel en vat u ook deze uitlatingen op als in het diepste vertrouwen gegeven - ik wil niemand een verwijt maken, ik probeer slechts bij benadering de motieven voor mijn optreden bloot te leggen. -

Doopbewijs en pas van de kleine zal ik mij dadelijk laten opsturen - ik zegen zelf het ogenblik waarop de arme jongen een werkelijk liefdevol thuis krijgt en verklaar me bij deze bereid tot ieder materieel offer voor zover dat in mijn vermogen ligt. -

De moeder van het kind ziet door haar familieomstandigheden de bevrijding van deze zorg niet op grond van materiële overwegingen, want daar heeft zij geen last van, maar om haar al volwassen kinderen en haar familieleden die slechts een deel van het treurspel kennen, met verlangen tegemoet.

Vereerde, geachte mevrouw, u wenst nu te weten, op welke manier dit kind u volledig kan toebehoren - wilt u de arme jongen werkelijk als een klein medelid van uw familie opnemen, dan dient u eenvoudig van rechtswege de adoptie van het kind te verkrijgen - de moeder en ik zouden dan voor het gerecht onze instemming betuigen.

De moeder bezit weliswaar vermogen, maar dat behoort, aangezien het door de vader is ingebracht, aan de kinderen toe - zij heeft slechts het vruchtgebruik - of zij iets wil of kan doen, daar zal ik schriftelijk bij haar naar informeren en u, als u mij toestaat, het resultaat meedelen.

Een tweede mogelijkheid zou zijn dat ik zelf het kind adopteer en het aan uw vriendelijke hoede toevertrouw met alle daaruit voortvloeiende rechten - voor mij is slechts van belang dat ik de arme jongen een moederhart en een echt thuis bezorg zodat de stakker niet hoeft te lijden onder de schuld van zijn ouders. - Het arme schepseltje heet Eduard Beermann, de familienaam van de moeder, is op de 26e januari 1876 in Sulzheim bij Schweinfurt geboren - de voogd van het kind, natuurlijk slechts voor de vorm, aangezien ik de zorg heb overgenomen, is Dr. Rauch in Sulzheim. Nu meen ik, voorzover de omstandigheden het vereisen, u volledige opening van zaken te hebben gegeven, maar onder voorbehoud van nader overleg dat echter halaas niet voor 10-12 april kan plaatsvinden, aangezien alle mogelijke inspekties in de komende weken op het programma staan die mijn aanwezigheid als gedetacheerde, zelfstandige kommandant absoluut vorderen. Het doet mij veel verdriet aan uw vriendelijk verlangen voor het ogenblik niet verder tegemoet te kunnen komen - de dienst gaat in ons beroep voor iedere daad van toewijding en voor ieder privébelang. Maar ik zal de eer hebben, hooggeachte mevrouw, zodra het mij mogelijk is, u voor een nadere bespreking te bezoeken. Uw vriendelijke brieven zijn zo hartelijk en sympathiek, dat het mij goeddoet en ik mij er op verheug u te leren kennen, want ik ben helaas het geloof aan de goede inborst van de mensen een beetje kwijtgeraakt.

God behoede u, geachte mevrouw, en uw gezin - wat er ook gebeurt, voor de liefdevolle opname van het arme kind bij u ben ik u uit de grond van mijn hart dankbaar.

Met oprechte toewijding

uw zeer dienstwillige

Eduard Bernhold

Germersheim, de 27e maart 1878