Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

23 februari 1878

van

Elizabeth Leonarda Mulock Houwer-Syriër (bio)

aan

Multatuli

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 19. Brieven en dokumenten uit de jaren 1878-1879 (1989)

terug naar lijst

23 februari 1878

Brief van mevr. E.L. Mulock Houwer-Syriër aan Multatuli. Dubbel velletje postpapier, waarvan blz. 1-2 en 3 (½) beschreven. (M.M.) Linksboven op blz. 1 in blauw potlood de aantekening van Multatuli: Is deze brief niet lief? Ze is ± 66 jaar!

Zierikzee 23 Februari 78

Beste Dekker,

Ja zet maar groote oogen op een brief van mij... maar ik moest U. nog zeggen hoezeer ik het betreurd heb dat ik U. en uwe lieve vrouw, niet meer heb kunnen ontmoeten toen ik voor drie jaren geleden het vaderland verlaten heb. Doch zoo als gij weet zat ik toen in vreeselijke drukte en kon ik ook geen dag langer in Delft blijven, omdat ik op een bepaalde tijd, met mijn kleindochter te Arnhem moest zijn. Wilt ge me nu die, schijnbare, onhartelijk [1.] Verschrijving voor onhartelijkheid. vergeven. Ik zeg schijnbaar want ik kan mij geen tijd herinneren waarin ik u niet genegen was. Gij gelooft mij immers wel? Eind April van het vorige jaar ben ik van Java teruggekomen en woon nu tijdelijk met vier kleinkinderen te Zierikzee om later als mijne kinderen met verlof komen naar Breda te gaan.

Als ik zoo gelukkig ben U weer te zien zal ik u de reden van mijne terugkomst vertellen. Ik ben zeer zeker verlangend U. nog eenmaal te ontmoeten. Ik durf echter niet zoo dadelijk hopen dat gij uit eigen beweging hier zult komen maar kan U. wel de verzekering geven dat hier en buiten de stad vele geestverwanten zijn die U met open armen zouden ontvangen en er veel prijs op stellen U te zien en te hooren. Nu weten vele, want ik heb het verteld, dat gij nog een vriend mijner jeugd [2.] Na Multatuli's aankomst te Batavia (1838) heeft hij enige tijd bij de familie H.W. Mulock Houwer gelogeerd. Zie verder hij 26 februari 1878. zijt en dat tijd nog omstandigheden ooit die vriendschap, in mij, heeft kunnen uitwisschen en ik heb daar altoos mijn roem op gedragen. Dus ook heden nog. Om die reden hebben zij mij nu een kleine, doch niettemin aangename verplichting opgelegd in de hoop dat mijn verzoek een klein beetje meer zal gelden dan het hunne. Gij begrijpt al wat ik U vragen wil of gij het nederige stadje met U bezoek vereeren wilt. Ô doe dat beste Dekker, al was het slechts om mijnent wil. Ik geloof niet dat gij er spijt van hebben zult, want er zullen zeer vele U. komen hooren en ik kan U niet zeggen hoe blijde gij, er mij, mede maken zult want ik heb U zooveel te vragen en te vertellen. Ik verwacht een klein antwoord van U. en goed!!

En nu beste Dekker, van harte gegroet van Uw U steeds

toegenegen E. Mulock Houwer