Multatuli.online

3 mei 1875

Brief van D. Post aan J.W.T. Cohen Stuart. Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. (Partikulier archief, Doetinchem; fotokopie M.M.) Enkele beschadigingen.

Oudeschild, 3 Mei '75

Amice

Ik haast me aan je verzoek te voldoen, omdat ik gevoel hoe in uwe stelling talmen onprettig zijn moet. Evenwel twijfel ik er aan je geheel te zullen voldoen.

Mejuffrouw Mimi Hamming Schepel [1.] Hamming Schepel: Sic. (uit den Haag) nu Mevrouw Douwes Dekker heeft langen tijd lief en leed met Multatuli gedeeld zonder zijne vrouw te zijn. Van Marie Anderson weet ik niets omtrent zulk een verbintenis van meer intimen aard.

HEd. heeft indertijd connectie aangeknoopt met zekeren Jhr. Hartsen (P?). Het gevolg daarvan was dat na verloop van tijd de volgende advertentie in de Haarlemmer Courant werd geplaatst:


‘Ondergeteekende erkent het kind dat Marie Anderson ter wereld heeft gebracht als het zijne.’
(was get) (P.) Hartsen.

Meer is mij omtrent Mej. Anderson niet bekend. Zij is als Mina Kruseman excentriek; daarom niet onbillijk, maar sterk gekleurd in vormen, gewoonten, expressies, handelingen, enz.

Alleen de bezadigdheid van meerderen leeftijd, zou hare irritabiliteit kunnen temperen, - en ontbreekt het haar niet aan Geest, 't is niet altijd de Geest der heiligheid die in haar getuigt.

Identificeer haar dus vooral niet met de bekende jeugdige dame, nu met Multatuli gehuwd, maar neem toch eenige égards in acht omtrent intime verhoudingen.

Mijn werkkring voldoet mij evenzeer als ik mij had voorgesteld. Zoo als ik indertijd schreef hinderen mij enkele vormen, terwijl ik andere weer gaarne wil behouden, doch dit ontneemt niets aan de deugdelijkheid en hooge waarde die mijn ambt in mijne oogen heeft. Ik weet reeds wel gedaan te hebben, en nuttig geweest te zijn. Dat was minder het gevolg eener waarheidsliefde, die meer alledaagsch en meer algemeen is dan Multatuli en Gij met vele anderen denken, dan wel van mijne kalme ernst. Heusch geen grootspraak.

Eén mijner kennissen toen nog student (nu niet meer) wenschte in Debating-Society stellingen te verdedigen over het pauperisme. De eerste luidde: ‘het pauperisme heeft geen recht van bestaan.’ Die stelling is alleen mogelijk in den mond van iemand die de armoede niet kent of miskent. Maar heb ik niet eenig recht U evenals Multatuli, Mina Kruseman, van Vloten, Marie Anderson, Jhr Hartsen, Feringa [2.] Feringa: dr. Frederik Feringa (1840-1905), redakteur van De Vrije Gedachte. enz. enz. te verdenken dat gij allen de stelling vooropplaatst: ‘het kwaad (onrecht, onwaarheid, onkunde ...) heeft geen recht van bestaan.’ - Hoe waar wellicht, de stelling is misplaatst in het Concept-reglement waarin wij onszelven onze levenstaak voorschrijven. - Het kwaad bestaat en wij moeten het bestrijden; met welke wapenen moet ieder voor zich weten. De een hanteert den bijl gemakkelijker dan een ander de vijl. Maar zou de wereld u nog te werken geven als recht, recht was en heerschappij voerde. U meen ik niet. Mij wel! Den slechten predik ik deugd, den braven hooger leven en heiliger stemming dan den zeldzamen maar toch louter menschelijken moed van wáárzijn. Het positivisme is meer passief dunkt mij dan actief al klopt het den mantel der onwaarheid soms duchtig uit. - Multatuli's strijd tegen de modernen mist mijne instemming, omdat [hij i]n het onze louter feilen ziet, en zijn eigen modernismen niet meerekent als factor in het onze. - Waarom verzwijgt hij eigen gebreken en misslagen; dit alleen getuigt [dat] hij niet koud is (als Hartsen) voor het fijne kiesche gevoel dat als zedelijk ideaal niet [i]llusoir is maar werkelijkheid bezit, en gezien wordt door ieder die niet geestelijk blind is.

Maar nu basta! Ik moet heen naar een kransje. Vergeef mijn haast. Vele groeten

t.t.

D. Post