Multatuli.online

2 augustus 1875

Brief van Multatuli aan W. Pik. Twee dubbele velletjes postpapier, beschreven tot boven aan blz. acht. (M.M.)

Wiesbaden, 2 Aug 75

Geachte Heer Pik, hartelyk dank voor de toezending der beide couranten, en vooral voor Uw ‘Onkruid’.

Zeker zal het u verwonderen, maar toch is 't de waarheid, dat ik van V. Vloten's stukken in ‘Onze Tolk’ maar zeer weinig gelezen heb. Ge weet dat de brochure die thans aan de orde van den dag is, 't eerst in dat Tydschrift verscheen, en wel in zeer vele volgnummers. Eén van die nummers viel me te Rotterdam in handen. ('t Was, meen ik, my toegezonden door de Redactie, maar daar ik véél stukken ontvang, die ik ter-zyde leg, weet ik dit niet zeker. 't Is zeer wel mogelyk dat my meer nummers werden aangeboden. Nu, dit doet er niet toe. Gelezen heb ik er maar één.)

Na inzage van dat nummer - neen, zoo begint de zaak niet. Lang vóór die campagne in ‘Onze Tolk’ wist ik dat V. Vl. hevig tegen my uitvoer, zóó dat de flinke Versluys in 't Schoolblad de opmerking maakte dat hy me scheen te ‘sarren’. Mèt Versluys ben ik van oordeel dat de grond ligt in afgunst.

Tot deze gissing ben ik gerechtigd, omdat hy die me vroeger altyd in de hoogte stak, opeens van battery veranderde na m'n stuk over ‘Vrye-Studie’. Dit onderwerp namelyk had ook hy te Delft behandeld.

Of ik zyn aanvallen zal beantwoorden? Och, 't bederft m'n stemming zoo! En... dan moet ik beginnen met z'n stukken te lezen. Ik ben er vies van! Dit zei ik dan ook dezer dagen in de Noten op de nieuwe uitgaaf van den Havelaar. (Nogal komiek, ik weet niet of die noten wel verschynen zullen. Voor vele maanden reeds schreef ik m'n uitgever dat ik dacht aan 2, 3 vel ruimte genoeg te hebben. Maar zie, er blykt nu dat ik 6, 8 (?) vel noodig heb. Daartoe is geen plaats. Hoe dit nu geschipperd zal worden, weet ik niet. Maar 't is m'n eigen schuld. Funke had nu eenmaal alles op 2, 3 vel noten aangelegd, tot de banden toe, en kan nu geen duizenden wegwerpen. Ik zeg u dit, voor 't geval dat m'n uitval tegen V. Vloten - géén beantwoording! - niet daarin voorkomt).

Ja, ik ben vies van den man! En toch beloof ik hem niet: niet te antwoorden. Maar 't moet me gelegen komen. 't Stuit me, hem en z'n brochure aan opgang te helpen, want ik houd me overtuigd dat dáárop (ook in dat stuiptrekkend Tydschrift reeds) de heele zaak was aangelegd.

Ik verneem nu (of liever ik wist het wel, maar 't was me ontgaan) dat ook die C.S. er by wordt aangehaald. Ook iemand die bedelt om repliek! Van doodzwygen heb ik een afkeer, maar dit is hier de vraag niet. De vraag is of ik iederen onbeduidenden kerel die onbekend was, in 't leven schryven moet? Er zou geen eind aan komen!

Hoofdzaak is dat al die dingen myn stemming bederven, vooral in zaken die 't hart raken. Ik lees in 't stuk van D.C. dat ik ‘moedwillig vrouw en kinderen verlaten heb’. (of 't er letterlyk staat, weet ik niet. Ik wil 't niet opzoeken en overlezen. Ook weet ik niet of die woorden van V. Vl. of van D.C. zyn). Dit is een leugen. Gedurende myn afzyn heeft men met 'n helsche machinatie m'n gezin weten te bewegen naar 't Buitenland te vertrekken. M'n arme vrouw meende dat het haar plicht was, maar my was 't 'n wond die nooit heelen zal. Ik heb geen lust zulke intieme zaken met den vuilen V. Vloten te behandelen. Dit weet hy wel, en dáárop spekuleert hy.

Dat tegenstellen van m'n verachting voor Publiek (dat geen recht eischt in de Havelaarszaak en de Fransen van de Putte's duldt als minister!) met hartelykheid jegens menschen die goed en lief voor me zyn, begryp ik niet. Ik ben zeer vriendelyk van aard en zeer dankbaar voor hartelykheid. De Natie, als zoodanig, heeft me slecht behandeld. Moet ik nu 'n persoon of 'n verzameling menschen die me niet slecht behandelen, begrypen in m'n verachting van 't geheel? Waar zou dit heen?-

Maar, nog eens, het is de vraag of 't beantwoorden van zulken mallepraat goed is? Myn oog valt daar op:

‘Met my begint de nederlandsche litteratuur.’

Heb ik dit gezegd? Neen. Maar 't staat er alsof ik 't zeide. De meeste lezers zullen 't zoo opvatten. Het schryven tegen zulke valschheid is vervelend.

Maar dat andere, het aanroeren van intieme verhoudingen, is nog erger! Van Vloten heeft lust in 't wroeten en snuffelen in de intimiteit van 'n ander. Ik niet.

(Zie eens den flinken oorveeg dien Flanor hem toedient ten opzichte van z'n nasporen of O.Z. v. Haren al dan niet met z'n dochters geslapen heeft! Met Flanor geloof ik hier aan ‘likkebaarden’. Ik kende dat woord niet, maar de beteekenis zal wel nagenoeg overeenkomen met myn noot op blz 11 van den Tweeden bundel Ideën.-

Van hooger standpunt bezien dan dagelyksche polemiek en artikelschryvery, moet ik erkennen dat het me niet onaangenaam is - en zeker niet onverwacht! - op die wyze te worden aangevallen. Het hoort er by! Na de mislukking (tot-nog-toe, wel te verstaan) myner pogingen om iets goeds tot stand te brengen voor den mishandelden Javaan, spoorde ik de oorzaken van dat mislukken na. Ik meende die te vinden in den toestand onzer Maatschappy. Vandaar dat ik die toestanden in 't algemeen begon te bespreken. Ik was als iemand die 'n verrotten balk uit 'n gebouw nemen wil, en aldra bemerkt dat het heele gebouw wrak staat. M'n kring van opmerkingen breidde zich uit, en de nederlandsche schryvers, geleerden, doctoren &c. konden niet verdragen dat er 'n vreemde eend in hun byt kwam. Dit verwekte algemeene, of byna algemeene, tegenwerking. Het was te voorzien. Ik heb tegen my, alles wat tot zekere clique behoort, en... vooral dezulken die 't in hoofdzaak met my eens zyn. Dit klinkt vreemd, maar de oorzaak is ligt te vinden. Men neemt het me kwalyk dat ik uitspreek wat velen dachten. Ik had dat vóórgaan moeten overlaten aan professor die en minister die.

En dan de opgang van m'n schryvery als zoodanig. Dat schreit om wraak! Heel natuurlyk.

Maar dat alles is me liever dan 't ellendige doodzwygen! Ik reken op 't jonge geslacht om uit te wyzen of ik al dan niet waarheid zocht, en wanneer dit vonnis goed uitvalt, wordt de rest me onverschillig. Neen, onverschillig niet! Ik ben 'n gewoon mensch, en niet verheven boven heel gewone aandoeningen. Schryvery als die van V. Vl. doet me zéér. Maar... ik moet dat kunnen dragen. Men zuivert de stallen van Augias niet zonder 'n spatje mee te krygen van de modder dien men tracht weg te ruimen. Wie dáár niet tegen kan, moet maar thuis blyven.-

Wees zeer hartelijk gegroet van

t.a.v.

Douwes Dekker

Ik recommandeer U de Schoolbladen waarin de heer Versluys den theol. Dr. V. Vl. op z'n plaats zet. Ze zyn van 't begin van dit jaar, meen ik. Zie ook dáár, hoe hy knoeit met z'n opinie over den Floris van Bilderdyk. Toen ik dat vod had uitgekleed, schreef hy o.a. dat men dit niet van my hoefde te leeren, dat ieder al lang wist hoe weinig dat stuk waard was. Maar... hyzelf had het opgenomen in z'n bloemlezing.