Multatuli.online

*5 mei 1875

Brief van Mina Krüseman aan mevrouw L. (Leven III, blz. 73-74.)

Brussel 5 Mei 1875.

Lieve Hemel! welk een gehaspel, wij zijn den 3den in den schouwburg geweest om Vorstenschool te zien spelen door onze rivales. Och, och, het verpersoonlijkt koningschap was niet vorstelijk en de verpersoonlijkte poëzie was niet poëtisch! De groote moeielijkheid van ‘de rechte man op de rechte plaats’ is onopgelost gebleven, want op de rechte plaats waren onze ingeschoven remplaçanten geen van beide; zelfs stond, naar mijn idée, de Amsterdamsche koningin (Larondelle) een geheele ladder hooger dan de Rotterdamsche, maar 't is mogelijk dat ik niet oordeelen kan, want ik heb niet heel veel verstand van Nederlandsche kunst, dat is een kunst à part. Een kunst met lange passen en wanhoopskreten, om te vertellen dat een roos een bloem is, en een man een mensch! Een kunst met een staart, die ‘moe-oe-oe-oe-oe-oeder’ uitrekt om de menschen moe te maken en de ‘lie-ie-ie-ie-ie-ie-ie-iefde’ voorstelt als het zinnebeeld der eeuwigheid! O eeuw van stoom en électriciteit! Er is een mummie behouden gebleven uit vroeger eeuwen, een menschenvorm, bruin en strak, zoo koud als een wetboek en zoo stijf als een gewoonte; die mummie is het Nederlandsch Tooneel! God zegene alle mummies! Want zij vertegenwoordigen een soort dat verloren dreigt te gaan!

A.S. Zondag moeten wij te Antwerpen spelen, ik denk dat Le Gras weer in zal storten en niet geheel herstellen zal vóór 16 Mei. Eenigen tijd geleden reeds moet er in de Gids en ook in 't Vaderland gestaan hebben dat Mevr. Douwes-Dekker de rol van Hanna vervullen zou in Multatuli's Vorstenschool. Ik hoop dat zij 't spoedig doet, dan ben ik geheel gerechtvaardigd tegenover mijn vijanden, die de Miesje's-intrigue ontkennen willen.

Nu ben ik nieuwsgierig naar de houding van onze directeurtjes na de oorlogsverklaring!

Als ik weer te Amsterdam kom zal ik u meer bijzonderheden vertellen; hoe ik in de comedie naast een leegen stoel gezeten heb, bestemd voor Douwes-Dekker, die niet in mijn buurt durfde te komen; hoe hij zijn vrouw heeft weggehaald, die één plaats verder zat (naast zijn leegen stoel) en die ik den rug had toegekeerd; hoe Mevr. ten Hagen den volgenden morgen ontvangen werd met een snauw, toen zij mij vragen kwam waarom ik haar geapplaudisseerd had en tegelijkertijd uitgelachen; hoe zij en haar kind bij ons bleven koffie drinken en ingewijd werden in de correspondentie van Multatuli, met een deurwaarder (Spoor) tot getuige enz. enz. enz. enfin, zóó veel dwaze dingen, dat ik geen tijd heb ze allen op papier te zetten.

(....)

Mina Krüseman.