Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

19 april 1875

van

Multatuli

aan

Hendrik Johannes Josephus Bos (bio)

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 17. Brieven en dokumenten uit de jaren 1874-1875 (1986)

terug naar lijst

19 april 1875

Brief van Multatuli aan H.J.J. Bos. Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. (M.M.)

abgenützt: afgesleten (du.)

Rotterdam 19 April 75

Beste hartelyke kerel, als Uw brief ware aftedoen geweest met een eenvoudig bedankje, hadt ge gister al antwoord gehad! Maar ik was geroerd door je schryven, en voelde aandrang iets méér te zeggen. Toch zal ik 't niet lang maken, want ik ben onwel, en elke letter kost my moeite. Of ik te Wiesbaden weer wat zal opknappen, weet ik niet. Waarschynlyk wèl, want de ondervinding leerde my dat ik taai ben, te taai naar m'n zin, want ik verlang naar 't eind van m'n leven. Dit klinkt ondankbaar, vooral te Rotterdam, waar me zooveel liefs weervoer, en (nog-eens: vooral!) met Uwen innigen brief voor me. Schryf m'n stemming maar toe aan wat oogenblikkelyke vermoeienis. Ook is 't koketteeren met smart wel wat abgenützt. Maar 't blyft wáár, dat het opzettelyk bewerkt verlies van m'n vrouw en kinderen my een wond heeft geslagen, die niet te genezen is. Daaronder leed ik sedert jaren, en zeer onlangs werd die wond opengereten door de beschuldiging dat ik vrouw en kinderen zou verlaten hebben! Er moet toch 'n ‘publiek’ wezen dat zulke dingen leest, een ‘publiek’ waarvoor men zulke dingen schrijft. Hieruit vloeit voort dat al myn geschryf of niet begrepen is, of niet wordt opgenomen voor waarheid. En dit denkbeeld maakt me moedeloos.

Ik heb er aan gedacht, juist hier te Rotterdam, een tiental vrienden bij elkaar te roepen, en hun inzage te geven van de bewijzen hoe ik steeds naar vermogen voor vrouw en kinderen gezorgd heb. Daartoe echter zou ik eerst naar Wbaden moeten terug keeren om bundels brieven te halen. En bovendien, al ware het, dat men, na die inzage, openlyk verklaarde dat de beschuldiging van V. Vloten lasterlyk is, wat zou 't baten? Morgen of overmorgen komt hy of 'n dergelyk sujet weer met wat anders voor den dag, en ik kan op-nieuw aan 't pleiten gaan op een terrein dat het myne niet is. Toch geef ik in dit geval, omdat die zaak me zoo zéér doet, m'n voornemen niet op, schoon er een bedenking bestaat die ik nu maar even aanroer: Het stuit me, dien V. Vl. aanleiding te geven tot dupliek. Hy zou 't zeker prettig vinden, op nieuw de kolommetjes van z'n tydschriften te vullen met nieuw schandaal. Dat wroeten in m'n intimiteit doet me zeer.-

Nu dan, ik roerde dit alles maar aan, om terloops een der oorzaken van m'n verdriet blootteleggen. Hoofdzaak echter blyft m'n ergernis over de verplaatsing der kwestien. Waarom is er nooit aangedrongen op recht in de Havelaarszaak? Waarom altyd my afgemat met bakerpraatjes die, ook al waren ze gegrond, niet in 't minste verband staan met de zaak waarvoor ik aanvankelyk optrad? - Sedert weken broeit er iets in me dat maar niet ryp worden wil, iets als 'n stichting, het vormen van een kern, een punt van uitgang. Maar, nogeens, 't is niet ryp. Ik denk heel langzaam, en overhaast me niet zoo vaak als daar oppervlakkige beschouwers die prikkelbaarheid van zenuwen verwarren met onbesuisdheid, wel meenen. Mocht m'n denkbeeld vatbaar zyn voor verwezenlyking, dan zult ge een der weinigen zyn, die ik daarover spreek. Ziedaar myn antwoord op Uwen zoo hartelyken brief! Dit is van meer belang nog, dan 't bedanken voor uw geschenk, al ben ik dan recht in m'n schik met de sigaren. Ik heb er één van gerookt, en herinner me niet een zoo goede te hebben aangetroffen. M'n plan is, ze zeer in waarde te houden.-

He ja, dit nog! Doe me 't genoegen, en spreek niet over den inhoud van dit briefje. Wel heb ik nu en dan een enkel woord van m'n (nog onryp) denkbeeld laten vallen, maar ik weet nog niet of ik ooit tot 'n begin van uitvoering geraken kan. Het zal er van afhangen of ik genoeg personen vind, op wie ik kan staat maken, en vooral: of ik slaag in 't vormen van een eenvoudig, helder, praktisch program. Dit heb ik op dit oogenblik nog niet!-

Wees zeer hartelyk gegroet, en geloof dat ik de edele uiting van uw gemoed op hoogen prys stel. Ja, dàt zyn inderdaad bloemen op m'n pad.

Uw vriend

Douwes Dekker

Met m'n onwel zyn bedoel ik geen bedlegerigheid, o neen! In dien zin was ik nooit ziek. Adieu, beste hartelyke kerel! Dank!