Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

24 november 1874

van

Multatuli

aan

Mina Kruseman (bio)

 

Volledige Werken. Deel 17. Brieven en dokumenten uit de jaren 1874-1875 (1986)

terug naar lijst

*24 november 1874

Brief van Multatuli aan Mina Krüseman. (Leven II, blz. 292-294.)

Wiesbaden, 24 Nov. 74.

(....)

Ik ben verdrietig dat je zoo blootgesteld bent aan 't oordeel en de kwaadwilligheid van 't Jan Rap. Jy zelf kunt er tegen, ja, je schreef meer dan eens dat je 'r pleizier in had met Publiek te vechten. Ik heb die smaak niet, noch voor me zelf noch voor u. My doet het zeer dat ieder, die 'n paar frazen weet aan elkaar te lymen, je voor wryfpaal gebruikt. En ik kán niet gelooven dat je 't op den duur niet onaangenaam vindt, want met al je courage ben je zeer gevoelig. Dit kan niet anders!

Begryp nu eens hoe we hier in onzekerheid en onrust over je zitten!

(....)

Hoofdzaak is je stemming. Die wou ik weten!

Lang geleden schreef je ons dat ‘Echtscheiding’ als stuk, 'n prul was. Dat is jammer genoeg! Waarom dan al de beroerdelingen die niet in staat zyn zoo'n prul te maken, dat wapen tegen je in handen te geven? Bovendien dat prulschap ligt hoogstwaarschynlyk in nietige foutjes van facture, die makkelyk hadden kunnen worden verholpen. Ik schrok toen ik las: ‘Zestien tafereelen.’ Want ik ken de oorzaak van dat gebrek aan eenheid, en... 't gevolg! Een klein beetje verbinding der scènes, en 'n hoofdgrief ware weggenomen. Men moet den toeschouwer geen zestien maal tyd geven tot vitten. Doch ook zonder vitlust, de belangstelling wordt gebroken! Och, 't is zoo jammer. Ik ben haast boos op je omdat je Mina Krüseman benadeeld hebt.

Van Kritiek gesproken, lees eens 't Nieuws van 23 dezer, en let op 't stuk dat een uwer critici (hy dien ge vereert met den naam van vyand!) z'n lezers ten beste geeft. Ik bedoel 't stuk over ‘Gemüthlichkeit.’ Men zou 'n jongen van 12 jaar, die niets beters leverde, de beenen stuk slaan! De man schynt weinig bygewoond te hebben. Wat bloemen en 'n koek op tafel begeisteren hem tot 'n hoofdartikel! En zeggende te zullen spreken over 'n zekere eigenaardigheid der Duitschers (die zeer afgezaagde Gemüthlich-keit namelyk) spreekt hy daarover niet eens. Zulke ongare kinderkost wordt door 'n volwassen man, die zwaar betaald wordt, en lid is van God weet hoe veel letterkundige genootschappen, opgedischt aan mannen. Haal dat aan, ingeval ge uw critici antwoordt. Zeg dat iemand, die zulke dingen levert, niet mag meespreken. En herinner aan z'n preekjes ‘over de koe’, over ‘'t paard’, over ‘den eik’, vraag hem of i den moed heeft die uit te geven in één bundel met uw ‘Huwelyk in Indië?’

Ziedaar, nu vind ik het terrein waarop ge den stryd met Kritiek moest gebracht hebben! ‘Gy die aanmerking maakt, wat levert gy?’

(....)

‘Och, 't is zoo verdrietig voor ons dat we niets van je hoorden na die tweede voorstelling!

(....)

Ik zeg ergens (nagenoeg)


‘Het leven van den Kunstenaar is 'n aaneenschakeling van opwekking, inspanning, overspanning, afmatting en moedeloosheid.’

Nu, heel diep ligt die waarheid niet, maar hoe makkelyk te vatten ook, je ziet dat ik 't kén... Waarom dan nietje tot óns gewend, als je verkeerde in die laatste faze van den cyclus? Daarop zal weer nieuw moed vatten volgen. Dit kan niet uitblyven.

D.D.