Multatuli.online

23 februari 1874

Brief van Multatuli aan C. Vosmaer. Twee dubbele velletjes postpapier, geheel beschreven. (M.M.)

De brief heeft enkele doorhalingen en is onvolledig.

Alcibiades: atheens politicus en veldheer (ong. 450-404 v.Chr.)

L'Arronge: Adolf L'arronge (1838-1908), duits toneelschrijver, o.a. van Mein Leopold (1873) en Alltagsleben (1874).

à l' abandon: in de steek gelaten, onverzorgd (fr.)

Niet de ezelinnen: gedicht van Vosmaer, blijkbaar in handschrift ter inzage gestuurd, en op 21 maart 1874 gepubliceerd in De Nederlandsche Spectator, no. 12. Vosmaers gedicht is een polemiek tegen Chambord, de franse kroonpretendent in de lijn Bourbon.

kwantiteit: in de klassieke talen is de versbouw gebaseerd op de verschillen in tijdsduur van de syllaben, in de moderne westerse talen op de verschillen in nadruk.

Zend me s.v.p. als bericht van ontv. een Spectator, dien waarin ge over Mill. St. spreekt. Dien heb ik niet van Waltman ontv.

Wiesbaden 23 febr 1874

Waarde Vosmaer! Daar ligt een stuk brief voor me (aan U) van 11 febr. En hy begint:


toen ik uwen brief van den 1n ontving, was myn lust terstond te antwoorden. Maar ik had achterstand in m'n werk, en dit heb ik nog. Ik betwyfel of gy weten kunt, wat het woord: ‘Achterstand’ in myn mond beduidt.
- Wel mannetje, leg 't dan uit, zegt ge. Alsof niet dat uitleggen zelf een bezwaar was! Welnu, ik kan 't in twee woorden doen, maar... die woorden zyn bitter. En juist zulke bitterheid verwyt ge my in uwen brief. Daarom is 't zoo moeielyk. Ik neem natuurlyk 't woord ‘verwyten’ in goeden zin. Heel zacht en lief knoopt ge uw aan- en opmerkingen die my betreffen, aan indrukken die zy u meedeelde, wél 'n bewys van uw vriendschappelyke bedoeling. Om U uwen brief in 't geheugen terug te roepen, ziehier:

(Daarop volgde kopie van uwe opmerkingen. Of liever daarmee begon ik. Maar, gestoord, bleef ik steken en de brief liggen.)-

En zie, dat kopieeren vloeide voort uit het voornemen U uitvoerig te antwoorden. Maar ach, 't onderwerp is zoo treurig. Wat geeft het my u te overtuigen dat ik 't recht heb bitter te zyn? Liever nog - recht of niet! - dat ik noodzakelyk bitter wezen moet. Zoudt gy niet blind zyn, als men u de oogen uitstak?

Dat m'n bitterheid me benadeelt, ei? Is dit de vraag? Van stoicynsche fiktie houd ik niet. Leed geeft me smart, geluk geeft me vreugd, en daarmee uit! De vraag die dikwyls gedaan wordt: of 'n lyder zich misschien z'n kwaal te zwaar aantrekt...

Ik meen reden tot smart te hebben als ik door zorg en kommer verhinderd word te arbeiden! En... als ik - gestemd of niet! - arbeiden moet ik, d.i. iets produceeren, godbeter't! om niet omtekomen. Heb ik 't nu zoo mis, dat ik hierover bitter ben?

M'n kinderen heb ik voor altyd verloren, mag en moet ik daarover niet bitter zyn? Welk être zou ik wezen, als ik me dat niet aantrok? En, bovendien, vindt ge in de manier waarop ik door m'n Vaderland (alweer godbetert!) behandeld word, geen grond tot bitterheid? Het zou me innig leed doen, indien ge dit niet erkendet. Buiten de zooeven genoemde groote grieven, vind ik dat de bescheidenste mensch zich na al m'n getob en gewurm 'n eenigzins anderen uitslag had mogen voorstellen!

Maar... dat tobben en wurmen is u onbekend. Want al zei ik 't vaak, men is zóó gewoon aan leugen, aan frase, dat de eenvoudige waarheid niet geloofd wordt, vooral in den mond van 'n mooischryver. Als ik zeg dat ik honger heb geleden kryg ik ten antwoord: wat praat je aardig!

Met zoó 'n antwoord is ook de Havelaar afgescheept! Ik had dat boek door 'n ander moeten laten schryven, misschien zou er dan gelet zyn op de daarin behandelde zaak. Naïf wás ik toen ik, dood-arm, m'n ontslag nam te Lebak! Als Alcibiades voor 't rytuig, meende ik dat men my niet overryen zou met... broodsgebrek. Wat 'n hoogmoed! En die paste my niet, want ik ben 'n Hollander. Ge wyst my op andere landen? Eilieve, ik heb met myn land te doen. En al ware dit zoo niet, of men in andere landen my recht zou gedaan hebben tegen-over Indische en Haagsche cliques, is de vraag. Maar zeker is 't, dat het beproefd zou zyn! En even zeker dat men my niet zou hebben overgeleverd aan de kans omtekomen van gebrek. (geen fraze.; vaak heb ik de uren geteld, die ik nog zonder voedsel zou kunnen uithouden.)

Vindt ge in dit alles geen grond tot bitterheid? Dat zou me leed doen. En toch heb ik me steeds hoofdzakelyk dáárover beklaagd ‘dat ik in zoo'n toestand niet werken kon!’-

Iets anders... maar 't is moeielyk zich juist uittedrukken! Wanneer ik van Vorstenschool spreek, heeft het den schyn als-of ik aan dat stuk te veel waarde hecht, als-of ik op de bejegening die me dáármee te beurt valt, m'n bitterheid grond. Dus vooraf 'n heel andere stelling:


‘Wie 'n stuk schryft dat geen opgang maakt, of niet gegoûteerd wordt, heeft niet de minste reden tot klacht. Dan moet-i maar beter of anders schryven.’

Dit is nu afgedaan, niet waar? 't Zou me spyten de aanspraken die ik maak en staande houd, te zien reduceeren tot de kleine verhouding van dépit over 't fiasco van 'n paar vel druks.

Maar, wél mag ik die Vorstenschool gebruiken als voorbeeld van 't geheel. Even als dat stuk word ik ter-zy gesmeten, ikzelf die boven m'n werk sta, want ik ben geen schryver.-

En nu de kwestie over ‘allen’ of ‘niet-allen!’ 't Vraagstuk van de verbrande steden. Een boer zei dat z'n boogert vol rupsen zat. ‘Dat is niet waar, antwoordde iemand die hem in bescherming nemen wou tegen z'n bitterheid, ziehier 'n blaadje waarop geen rups zit.’ Gaat deze troost op?-

Om nu eens niet te spreken van wat er tegen my begaan werd en wordt - 't ergste kent ge niet! - hoe staat het met de omissies? Is U iets bekend van meer of min officiëele waardeering myner pogingen? My niet! Dit omitteeren gaat dan ook hand-aan-hand met de handelingen die wel begaan worden en unangefochten passeeren. Van Vloten - een schelm! - mag me uitschelden en ik kan niet antwoorden omdat-i zich heeft ingedrongen in de intimiteit myner vrouw. - Niet bitter? Waar ziet ge my voor aan! Ik moest 'n onmensch wezen als ik niet bitter was!

En nog-eens, wat baat het of ik nu Holda en U aantoon dat m'n woede grond heeft? Wat heeft me al m'n pleiten gebaat? Zal me dat helpen aan recht in de Havelaarszaak? Aan wat erkentenis van m'n pogen op ander gebied? Nooit, nooit heb ik in Holland iets bereikt! 't Heel eenige is, dat ik nu, hard werkende, d.i. niets doende dan produceeren, - net eventjes in 't leven blyven kan. En... de minste achterstand is 'n bedreiging met ondergang! Is dat billyk?-

Ziedaar juist wat ik vreesde. De verdediging tegen de klacht óver bitterheid, is bitter! 't Kan niet anders.

Sedert... vele jaren reeds heb ik behoefte aan wat ontspanning. In plaats daarvan moet ik voort, voort! Dat het gehalte van m'n arbeid hieronder lydt, spreekt vanzelf. Weldra zal ik geheel uitgeput zyn. En dan?

Om niet ondertegaan (ik zit op zware lasten, dank zy de helsche machinatien die my m'n vrouw en kinderen hebben afgenomen, en waarin die v. Vloten 'n rol heeft gespeeld! - om niet ondertegaan, moet ik 15 vel in de maand leveren. Dit kan ik niet uithouden, vooral daar ik zeer moeielyk werk. Ik ben in 't geheel niet vlug, of liever, m'n vlugheid wantrouwende, leg ik mezelf zooveel revisie op, dat er geen eind aan komt. Sommige bladzyden kosten me... weken! En dat met de zweep achter my: voort, voort, of... gebrek!

Ik vraag U beiden, of hierin grond ligt voor bitterheid! Had ik niet aanspraak op wat loisir? Niet om te rusten - schoon dit misschien niet te veel zou gevergd zyn! - maar om te werken?

En dan nog uitgescholden te worden door den eerste den besten die 'n frase maken kan!

En dan te letten op de wyze waarop Nederland z'n fetichen verzorgt! Ja, zie je, ik moet wel bitter worden by 't rechtvaardigen van m'n bitterheid! 't Spyt me toch, dat gy me genoopt hebt dit punt aanteroeren. Moet ik m'n stemming tegen U bepleiten, wie zal ze dan voor gerechtvaardigd houden? Ben ik dan krankzinnig, ik? My blyft het voorkomen als 'n moord, dat de Havelaar gesmoord is. (ik spreek niet van 't boek. Dáár ben ik misselyk van!) My blyft het 'n schande dat ik niet eens de middelen heb om me... de noodige boeken of tydschriften aanteschaffen! Och, dat is het minste.-

Ik lees in 'n duitsche courant 'n berekening van 't honorarium dat aan zekeren L'Arronge wordt betaald voor... 'n Posse! 't Loopt over 'n millioen thalers! Ja, 't zal wel twee millioen bedragen! Misschien heeft de man 'n prachtstuk geleverd, maar 't is... 'n Posse!

En, twee of zelfs een millioen thalers vraag ik niet. Maar ik wou zoo graag zóóveel ontvangen, dat ik niet elke maand vyftien vellen druks moet leveren op-straffe van broodsgebrek!-

Dat m'n Vorstenschool niet eens de moeite van't spelen is waard gekeurd, hindert my minder. Maar dat er niet op aangedrongen is door Publiek!

En ge veroordeelt myn bitterheid? Hoe is't mogelyk?

Misschien komt U myn doelen op slechte betaling plat voor. Dit zou ten-onrechte zyn, want... het materieele heerscht. Ge zoudt het aandringen op geld niet plat vinden als ge (....)

Doch, soit! Iets anders dan. Ik kreeg onlangs 'n brief van M. Kruseman die me zeer naïf schryft: och, maak nog eens 'n Vorstenschool.

Hoe kan ik dit - of zoo-iets - doen, daar me niet eens de gelegenheid geboden is m'n werk opgevoerd te zien? 't Ligt toch in de rede dat ik oefening noodig heb, niet waar? Zelfs dát levert Holland me niet! Ook niet de middelen om andere stukken te zien. Sedert vele, vele jaren heb ik slechts 3, 4 maal 'n schouwburg bezocht. De paar gulden die daartoe noodig waren, heb ik altyd moeten gebruiken voor behoeften van anderen aard. Een zonderlinge tooneelschryver die de middelen niet heeft om 'n schouwburg te bezoeken!

Basta!-

Uw ‘Niet de ezelinnen!’ is zeer schoon en zeker zyt ge nummer één. Nog altyd wil ik Uw ‘genre’ - neen, 't woord deugt niet - uzelf dan tot onderwerp maken van 'n analyse. Maar ook daarin staat me myn slaverny in den weg. Ik zou er 'n maand of wat voor noodig hebben, en dien tyd kan ik me niet gunnen: ik moet leveren!

Zeg eens, ik erken hoe langer hoe minder verstand te krygen van prosodie. Is 't iets, of is 't niets? Dat ge 't Uwe doet om ons aftehelpen van den klinkklank, is zeker loffelyk.

Wacht even, Ge belooft my 'n grieksch lexicon...

Kerel, we weten zoo weinig van taal! Het oud-grieksch is in zekeren zin... modern. Ach, als ik loisir had! Schooner studie bestaat er niet! Men ziet den mensch worden uit z'n klanken.

Nu dan, prosodie. Ik had 'n grieksch lexicon, oud, leelyk, op zakjes-papier gedrukt, maar ik was er bly mee. Ik had het te Mainz by 't gewicht gekocht. Daarin nu stond 'n zeer uitgebreide verhandeling over prosodie. Jarenlang beloofde ik mezelf die eens goed te bestudeeren, maar 't is er nooit toe gekomen. Toen m'n vrouw, gedwongen in den Haag alles à l'abandon te laten, ten-tweeden male naar Italie ging, bleven de boeken achter. Ze behoorden Mimi, die met veel moeite een kist vol gered heeft. De rest is - 'n waarde van 'n paar duizend gulden! - voor f70 aangerekend. Maar onder 't verlorene was ook die dictionnaire met prosodie. Dat stuk zag er zeer geleerd uit, duitsch geleerd. Ik gis dat ik au fond leegte zou gevonden hebben - gelyk in de meeste duitsche geleerdhedens, zie prof. Lemcke! - maar toch had ik 't zoo graag eens tot 'n onderwerp van studie gemaakt. Dit niet geschied zynde, verzoek ik U my de volgende vragen te beantwoorden: ‘Hebben wy kwantiteit in-acht te nemen?

Neen, ik doe beter U te verwijzen naar 't nootje op blz. 84 bundel Ideen IIb. (Wat Funcke me 'n verdriet doet met de halve bundels! Wie de finesses van die uitgevery begrypt, is 'n kerel!)-

(....) soms 'n hartigen vloek zoo aardig! Juist! Vloeken is leelyk, maar 't principieel nooit vloeken ook! Ik heb liever te doen met iemand die 't moet áfleeren, dan met luî die ‘zoo slecht niet zyn.’-

Ja, ook ik wou hartelyk gaarne met U spreken. Er zyn zooveel dingen die ik in 't schryven oversla, omdat ze my zooveel letters kosten. En elke letter is me zuwider. (Ik ben namelyk aan 't corrigeeren van 'n herdruk)-

Uw brief nalezende, zie ik dat gy in geheel andere stemming zyt dan ik. Nu, juist dit is 't gebrekkige van schriftelyke aanraking.

(....)