Multatuli.online

Waarschijnlijk begin 1874

Brief van Multatuli aan C. Vosmaer. Enkel velletje postpapier, aan beide kanten beschreven en onderaan afgeknipt met tekstverlies. (M.M.)

Doordat de slotzin van iedere bladzijde ontbreekt, is het onmogelijk te beslissen hoe de juiste volgorde van de beide fragmenten is. Uit het consequent gebruik van de u-vorm volgt dat de brief niet zal zijn geschreven na de persoonlijke kennismaking, dus niet na eind mei.

De vermelding van de aanval door C.S. (= Cohen Stuart) in De Vrije Gedachte of de Sneeker courant maakt de datering verantwoord.

Sedert jaren wurm ik met den wensch een blyspel te schryven, en kan er maar niet toe komen. Hoe langer ik er over denk, hoe onmogelyker 't my voorkomt. We hebben geen tweeden persoon. We loopen de kamers niet in en uit, en ook de huizen niet. We hebben geen vocatief voor ongetrouwde dames. En... en... ik weet niet recht wat 'n blyspel is. Dat 's het ergste. Nu, 'n fransche ‘comédie’ dan. Ik kan Molière niet meer luchten of zien. Er zou, meen ik, voor ons hollanders, een heel nieuw genre moeten geschapen worden, en dat genre kan ik niet vinden. 't Moet toch kunnen, dunkt me. Ik zoek al jaren!

Ja, zend my de Vogels. Komt het u ook zoo voor, dat de verandering in meening en smaak sedert slechts 20 jaar zoo byzonder groot is? Gister las ik 'n stuk (‘het’ stuk voor U misschien) van de Génestet over kinderpoëzie. Welnu, er bleek me uit z'n toon, dat hy in nieuwerwetsche opvatting meende te extravageeren. En... 't kwam my voor, als 100 jaar oud! Ik had moeite my overtuigd te houden dat de Génestet wel werkelijk z'n tyd vooruit was. Nóg 'n twintig jaar vroeger schrok men

(....) of zoo-iets.

Ik ben nieuwsgierig of 't stuk inderdaad zóó commonplace is! Toch zal ik er mee in m'n maag zitten omdat ikzelf hoogstwaarschynlyk C.S. niet kan antwoorden. Ik heb er ondervinding van, dat zoo-iets leidt tot speculatie, en bovendien ik heb 'n bisbille met C.S. die ik niet gaarne in de zaak haalde, en toch invloed hebben zou op m'n toon. Ik heb van de weinige personen die my hun opinie zeiden over die wryving met u, byna algemeen, ongelyk gekregen. Nu, ik zou wel eens hun en uw oordeel willen weten over m'n rencontre met dien C.S.! Nu moet ik zeggen dat ik by elk geval van dien aard byna altyd 'n zeer kleine minderheid (of niemand) op m'n zy heb. (Na Lebak vonden al m'n ‘vrienden’ dat ik krankzinnig was geworden. Aan slechtheid werd toen nog niet gedacht. Dit zou ook in de kringen waar men my kende, niet aangenomen zyn, want ik was ook door Slymering zeer geacht. Goed, ik ben gewoon alleen te staan met m'n opinie! Dit zou niets (....)