Multatuli.online

28 en 29 december 1871

Brief van Multatuli aan G.L. Funke. Dubbel en enkel velletje postpapier, geheel beschreven. (M.M.)

De laatste regel staat op blz. 4 verticaal in de marge.

Veth's vertaling: het werk van Alfred Russel Wallace: The Mulay Archipel (London 1869) werd in vertaling uitgegeven als: Insulinde. Het land van den orang-oetang en den paradijsvogel. Uit het Engelsch vertaald en van aanteekeningen voorzien door P.J. Veth. (2 delen; Amsterdam, 1869-1871).

cause célèbre: beroemde rechtzaak (fr.); bedoeld is de kwestie waarnaar Roorda van Eysinga onderzoek wilde doen.

Idee 86: zie V.W. II, blz. 328.

Wiesbaden 28 Decr 1871

Waarde Heer Funke, Reeds sedert drie dagen ligt Uw vriendelyk schryven van 23 dezer voor my, en telkens stelde ik het antwoord om een verdrietige reden uit. Uw voorstel omtrent het honoreren van die correctie en noten is allerfatsoenlykst, en ik kan niet anders dan het dankbaar aannemen. Maar - ik zit op hooge lasten en dat wilde ik U niet gaarne zeggen. Ik begryp zoo dat gy in een jonge zaak gegêneerd kunt zyn, en het drukt my vreesselyk dat ik het myne daartoe zou bydragen. Doch aan den anderen kant, ik heb niets dan den opbrengst van myn arbeid waarover zeer dikwyls reeds lang vooruit is beschikt. Ook behalve de hieruit voortspruitende bekommering, zyn er nog andere zaken die myn gemoed bezwaren, zoodat ik vaak uit verdriet niet werken kan. Als nu 't een by 't ander komt, word ik machteloos gemaakt. (Op die wyze zyn er in 't jaar 69 misschien 2, 3 bundels Ideën ongeschreven gebleven, een bankroet aan arbeid dat nooit intehalen is!)

Ook ik had behoefte aan geld, en liefst voor Ult.o Ik zag er tegen op, U dat te zeggen, en daarom antwoordde ik niét, al peinzende hoe ik 't zou uithouden. Ik geloof dat weinig schryvers met zúlke bezwaren te kampen hebben! Gedurig had ik 't een of ander boek te bestellen, (zoo als nu byv. Wallace, the Malay Archipelago en Veth's vertaling om de noten) of wel andere dingen te doen (een reis naar Keulen waar ik een cause célèbre naspoor die in 1818 heeft plaatsgehad) en dan ontbreekt me telkens het eerst noodige: geld! En niet alsof zoo iets later weer terecht komt! Hoe zal ik dit uitleggen. Als ik gestoord word in myn arbeid, is myn stemming weg, en dikwyls volgt daaruit maanden machteloosheid. Er gaan voor my duizenden verloren, als ik op honderden wacht. Sedert ik Uwen brief ontving, was 't my letterlyk onmogelyk iets te doen! Daar ligt een br. van den heer Wintgens van denzelfden datum als de Uwe, waarop ook antwoord gevraagd wordt, en 't is me onmogelyk hem te schryven. Na 't gebeurde in 69 met v. Helden - buiten zyn schuld, dát weet ik wel - ben ik zoo zenuwachtig dat de minste stoornis van dien aard, my onbekwaam maakt. De gevolgen van dat jaar zyn voor my dan ook al te erg! Ik klaag niet over 't hongerlyden dat ik gedaan heb - letterlyk! ik had zelfs geen droog zwart brood meer! - maar over de werkeloosheid die voortvloeide uit de ergernis daarover. Op dit oogenblik byv. is 't my onmogelyk iets te doen. Dat is toch hard. En meen nu in godsnaam niet dat ik my alleen erger voor my zelf. Neen, juist dat ik nu verplicht ben by U aantekomen met dat geseur, maakt het nog erger. Myn aard zou meebrengen U te antwoorden: o geld komt er niet op aan, dat is byzaak!

Dit zou nu vooral het geval wezen, omdat ik Uwe voorstellen over 't nu gezondene zoo flink en mooi vind. Ik zou er dan ook niets tegen hebben om later, als U bleek dat f400, - (waarvan ik reeds f200, - ontving) te hoog getaxeerd was, dat cyfer te verminderen, - maar ik had graag voor Ult.o geld gehad! Nu zit ik in angst voor den 1n January en moet allerlei kunsten bedenken om alles te schipperen. Intusschen ligt myn werk! Dát is me nooit te vergoeden. Hierin ligt dan ook de oorzaak dat ik tot nog toe zoo weinig heb geproduceerd. Waarlyk, ik zou verder geweest zyn, als ik niet altyd over zulke dingen gestruikeld was! Het is de vraag of ik Millioenen Studien en Vorstenschool - nadat ik daarin eenmaal gestoord werd - ooit zal kunnen afmaken! Is dit niet jammer? Men kan een geldman compleet schadeloos stellen door rente, maar wat ik verlies door uitstel, is niet te vergoeden. Voor 8 dagen wist ik wat en hoe ik werken moest, na m'n oogen wat rust te hebben gegeven. Nu alweer niet! Ik ben er zoo bedroefd over.-

Wat ik U nu eigenlyk vragen wilde, weet ik niet. Want ik wìl U niet bezwaren, en toch zie ik er nu geen licht in. Als ik met geldzaken sukkel, is 't me onmogelyk iets te doen. Zoodra ik maar denk aan iemand die my komt manen, is al myn kracht gebroken, en dat is reeds dagen vooruit het geval. Op die wys heeft Nederland my tot nog toe gesmoord!

Begryp wel dat ik nu niet eens doel op die correctie en noten. Indien ge my gezegd hadt, daarvoor niet meer dan f200 te kunnen geven (die ik alzoo reeds zou ontvangen hebben) dan had ik geantwoord: ‘goed, maar zend my een paarhonderd gulden, om my aan 't werk te houden.’ Dat ware my voordeeliger geweest! En nu 't verdriet dat ik U dezen brief moet schryven. Ge ziet dan ook dat ik het drie volle dagen heb uitgesteld.

En hoe dan voor 't vervolg? Ik moet my zeer zéér inspannen om, terstond f40, - voor 't vel ontvangende, my staande te houden. Ik arbeid zeer moeielyk. Hoe nu, als ik met alle inspanning daarop niet rekenen kan? Gedurig komt my daarby Idee 86 voor den geest: dát hoort er niet by!

29 Decr

Gister avend liet ik weer het vorige blaadje liggen, en lag van nacht te peinzen hoe ik 't maken zou om U niet lastig te vallen. Ik zie er geen kans toe. En intusschen ben ik onbekwaam voor myn werk. Meen in godsnaam niet dat het my 'tzelfde is of ik een gelyke som later ontvang! Eén week tobben kan my maanden lang impotent maken. Ik heb nu sedert den ontvangst van Uw brief aan niets kunnen denken. Ik deed niet dan worstelen met den tegenzin U dat te zeggen, want de rol van maner past me niet. Het maakt my ziek. Ik tref het dan ook ongelukkig zoo telkens te stuiten op dat ééne dat my machteloos maakt. Voor acht dagen had ik werk voor maanden gereed in myn hoofd - nu is alles uitgeblazen, en ik weet niet wanneer ik weer helder word.

Meen toch niet dat ik U iets kwalyk neem. Ik vind het zeer natuurlyk dat gy niet doen kunt wat ge wilt, maar geloof gy dan van Uw kant dat ik niet werken kan als ik bedorven wordt door bittere aanraking met het dagelyksche. 't Is geen praatje, geen fraze, als ik zeg dat ik moê ben. Ik ben gedurig genoodzaakt my met bovenmenschelyke inspanning tot werken bekwaam te maken. Om één ding te noemen zoodra ik door geldzaken geagiteerd ben, kan ik niet zién. Hoe moet dit nu? Och ik had voor 6 dagen nog zoo'n goeden moed in 72 veel te doen; en nu lig ik weer omver. Geloof me in godsnaam, 't is geen hebzucht, geen caprice, maar ik kan niet werken als ik aan geldzorg moet denken. Ik heb al zooveel andere zorg te overwinnen. Het jaar 69 heeft me voor altyd myn kinderen afgenomen! En als ik niet op zoo'n wyze word gesmoord, kan ik best 10 vellen 'smaands leveren. Nogeens, ik weet niet wat ik U vraag, want het denkbeeld U te bezwaren is my vreesselyk. Maar ik moet U zeggen dat ik niet arbeiden kan, als ik aan geld moet denken. Uwe taxatie van die noten en correctie is zeer royaal, en hooger dan ik my voorstelde. Maar my was't voordeeliger geweest als gy die slechts op byv. f 200 hadt geschat, en my dan f200 hadt kunnen voorschieten om my aan 't werk te houden. Indien ge my byv. f100. voor 't vel nieuwe kopy boodt, te betalen over een jaar of ½ jaar dan zou ik moeten bedanken. Zoudt ge nu wel gelooven dat ik beef van zenuwachtigheid omdat ik dezen brief moet schryven! Uwe welwillendheid heb ik ondervonden. Ge zondt me onlangs die f100. nog vóór die correctie ontvangen was. Nu juist dit maakt me myn aandringen des te verdrietiger. Als ik kans zag geld te leen te krygen, al was 't tegen 50%, dan deed ik dit liever dan U lastig te vallen. En dat was me goedkooper ook. Want nu kan ik niets voortbrengen. Zie me toch niet voor hebzuchtig aan. Ik kan niet anders!

Wees hartelyk gegroet van tav

Douwes Dekker

Ik had U over veel zaken te schryven, maar dit kan nu niet.