Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

5 juni 1871

van

Multatuli

aan

Augustinus Josephus van der Ghinst (bio)

 

Volledige Werken. Deel 14. Brieven en dokumenten uit de jaren 1870-1871 (1982)

terug naar lijst

5 juni 1871

Brief van Multatuli aan A. van der Ghinst. Vier dubbele vellen postpapier, tot bovenaan blz. 16 beschreven. (A.M.V.C. Antwerpen; fotokopie M.M.) op bladz. 33: bedoeld is uiteraard de eerste druk; zie V.W. V, blz. 507.

au fur et à mesure: naarmate (fr.)

voor ca 5 maanden: zie 12 december 1870.

blz. 127: zie V.W. I, blz. 99.

Idee 62: zie V.W. II, blz. 320.

N.J. geschenk: Nieuwjaarsgeschenk; blijkbaar een gift in de brief van 22 januari, die Van der Ghinst kennelijk eerst naar Den Haag had gestuurd en vandaar had teruggekregen.

Wiesbaden, 5 Juni 1871.

Myn waarde beste heer van der Ghinst,

Voor 4 (?) dagen schreef ik u in haast een woordje om u terstond gerust te stellen over uwe beide brieven van 22 Januari en 29 Mei. (Neen, de eerste was niet naar Londen geweest. Er stond op 't adres, zeer onduidelyk geschreven: Londer (dit is ‘Zonder’) adres vertrokken. Nu, dat was onwaar. Ik had wel myn adres opgegeven.)

Sedert vele maanden lag 't my op het hart u te schryven, en wat uitvoerig. Juist hierom kwam ik er niet toe. Myn leven is zeer woelig, en de stemming verandert zoo dikwyls, dat een brief van verleden week heden reeds 'n oudheid is, en vaak 'n onwaarheid.

De hartelyke wyze waarop gy u myn lot hebt aangetrokken, verdiende minstens zekere openhartigheid, wat meedeeling! En telkens zei ik: straks, straks! 't Was gelyk iemand die in de bergen reist, en zich voorneemt te rusten op dat eerste heuveltopje voor hem... Och, toen hy daar aankwam, ontwaarde hy dat zich een nieuwe top voordoet die weer moet beklommen worden voor hy adem scheppen kan. En dan weder, en nog eens en altyd door!

Indien ik wachten moest u eenig teeken van leven te geven, tot ik aan wat kalmte geraakt was, vrees ik dat ge nooit van my zoudt hooren. Dit besef drukt my. En gy zyt de eenige niet!-

Heden 5 Juni: Uw brief van 22 Januari (in dien van 29 Mei) ontving ik voor 5 dagen. En ik las dien eerst heden. Hoe moet ik u goed uitleggen, waarom? Van beide brieven zocht ik 't onderschrift, om te zien of ge welligt boos waart over myn zwygen. Want dat vreesde ik. En ik zag dat ge hartelyk gezind waart, als altyd. En er viel geld uit uw brief! Dat roerde my. En ik wilde niet terstond uwe brieven lezen, omdat-

Ik ben namelyk aan 't werken, en werk vervloekt slecht, sedert 'n gansche maand al, breng ik niets voort dat eenigzins deugt. Ik werk al myn blaadjes 10 keer over, en verscheur ze. Dit was al zoo sedert 'n maand, neen lánger al! En let wel dat ik werken moet!

Ik beproefde alles om myzelf te genezen van die onmagt. Maar tot nu toe alles te vergeefs. Soms dacht ik dat de overspanning van het willen my bedierf, en ging wandelen, of iets wertuigelyks doen, vylen, boren, hameren, een slot van 'n deur nemen en schoonmaken, of zoo iets. Niets hielp.

Ik weet wat ik behoeven zou, maar heb 't niet in myn magt dat geneesmiddel te bekomen: eenigen tyd rust en verwydering van eene smart, die sedert een jaar nu op my drukt, de eerste smart van myn leven die onherstelbaar is. Misschien zal ik u later daarvan iets zeggen, maar ik ga 't nu voorby.-

Wat die behoefte aan rust aangaat, ze bestond al voor zeer langen tyd, en áls ik nu slechts goed werkte, zou dát me een betrekkelyke rust wezen. Nu echter martelt my dat onvruchtbaar pogen af, veel meer dan wanneer ik indedaad iets voortbracht.

Die zoogenaamde Mult-Commissie heeft me den doodsteek gegeven. Ik zal genoodzaakt zyn die zaak publiek te behandelen, schoon 't my walgt. In weinig woorden uitgedrukt, hebben die menschen eerst, onnadenkend doch met zekeren goeden wil, party voor my getrokken, doch by de eerste gelegenheid den Petrus gespeeld en vrede gemaakt met ‘Publiek’ ten mynen koste. Het slot is dat zy wel verre van my in iets ook 't minste te hebben gesteund, my zelfs nog de hulpbronnen hebben afgesneden waarop ik rekende.

(Byv. door hunne bemoeienis is my de ½ opbrengst onthouden van den verkoop des Havelaars, waarop ik sedert jaren wachtte, en - maar laat ik niet te zeer breedvoerig zyn.

Myn uitgever Van Helden is welwillend en braaf, maar geldelyk insolide. Uit zyne slordige betaling vloeide de nood voort, waarin ik verleden jaar verkeerde.

Sedert dien tyd zocht ik een anderen uitgever, en werd daarin (door onderhandsche tegenwerking van de Mult.-Commissie) maanden lang opgehouden. Zeer ten laatste slaagde ik in 't plaatsen myner Specialiteiten. Doch ik had aan stemming en tyd meer verloren dan dit stuk my opbracht. De onderhandeling over dat werkje en 't afwerken zelf hebben zeven maanden geduurd! Dit verklare de - anders onbegrypelyke - uitvallen als op blz. 33.

Ge zeidet in Specialiteiten iets meer blyk te vinden van geestelyk welzyn? Ach, tot m'n schaamte moet ik erkennen dat er bittere, bittere kunst is in dat boekje. 't Is geschreven op een pynbank.-

Hoe dit zy, uit de relatie van den uitgever Waltman is voortgesproten een nieuw accoord voor 'n later werk. Hy zou van my aannemen 20 vel: ‘Millioenen-Studien,’ die reeds als feuilleton aanvingen in ‘het Noorden’, doch daarin onverwachts afbraken: ‘omdat de lezers er niets van begrepen’.

Ik maakte de voorwaarde dat hy my geregeld betalen zou, en dit werd door hem aangenomen.

Gelyk ik u zeide werk ik sedert langen tyd zeer slecht. Het was my dus welkom dat ik beginnen kon met de toezending der eerste vellen van 't reeds gepubliceerde. Het herzien en een weinig correctie zou my, hoopte ik, geleidelyk op den weg brengen tot voortgaan.

Toen ik voor een jaar die Millioenen-Studien begon, had ik ze gereed in myn hoofd. Ja zelfs, ik voelde overvloed van indruk. Die was uitgewischt, maar ze zou terugkomen, vooral daar ik nu geregeld zou kunnen voortgaan, zonder elken dag in angst te zitten. Ik maakte, daarop rekenende, allerlei regelingen en afspraken, en verheugde my in de betrekkelyke kalmte. Als nu de denkbeelden maar terugkomen, dacht ik.

Ik zond alzoo twee vellen waarop de betaling volgde, zooals de afspraak was.

Den 24 Mei zond ik 't derde vel... 't was aangeteekend, en is dus ontvangen.

En zie, daar viel den 31n uit uw brief een muntbillet van f10,-... Let nu op 't verband tusschen dit alles! Myn indruk was, gelyk altyd sedert 6 weken: ‘Werken! Laat ik me door géén aandoening van 't spoor leiden!’ En over die f10: ‘Goddank, ik kan 't in grooten dank terugzenden, v.d. Ghinst is niet ryk, 't zou slecht zyn hem te bezwaren, nu ik door dit accoord my zal kunnen helpen! Maar... eerst werken! Zoodra ik een paar vel goed heb en verzonden, zal ik die beide brieven lezen, en dan uitleggen waarom ik dit geld niet noodig heb. Intusschen is 't vreemd dat ik niets verneem van de op 24 verzonden kopij. 't Zal morgen komen!’

Zóó dacht ik den 31n Mei. Tot heden 5 Juny ontving ik niets. Zoo begon ook Van Helden in Augustus!

By alle andere dingen, komt nu weer die nieuwe ergernis. Het is niet 't gemis van geld op zich-zelf, maar de onzekerheid of ik zal kunnen voortgaan, die my belemmert. Het weinigje rust dat ik, in veel hoogere maat nog dan 't betalen van myn arbeid verschaffen kan, zoo noodig had, wordt my nu weer benomen.

't Is de vraag niet of dat geld ten laatste komen zál. Ik denk ja! 't Is in het belang van den uitgever zelf, want er wordt op myn werken veel verdiend. Ook is 't de vraag niet of die vertraging zyn schuld is (hy is een beginner, verneem ik) de zaak komt hierop neer dat al zulke tegenspoed my afmat, en me nog ongeschikter maakt tot arbeiden, dan ik na al myn tobben reeds ben.-

Heden eerst nam ik my voor uwe brieven te lezen. Ik behoef u wel niet te zeggen hoe uwe hartelykheid my roert. En nu kom ik terug op 't zoo-even gezegde, hoe wisselvallig de stemming is in myn bewogen leven. Indien ik u den 31n Mei terstond had geantwoord, zou ik u heel anders geschreven hebben dan nu, en myn betrekkelyke opgeruimdheid had geen grond gehad. Ik zou alleen wat geklaagd hebben over de geestverdooving waaronder ik lyd, maar met de hoop dat dit voorbygaand wezen zou. Nu weet ik 't waarachtig niet. Den 31n schreef ik 't uitblyven van de verwachte remise aan de Pinksterdagen toe, en spelde daaruit geen dóórgaande belemmering. Nu, lettende op de ondervinding met Van Helden, moet ik mij wél voorstellen, dat het weder den ouden weg zal opgaan.-

Ik laat nu daar, in hoeverre die geheele zaak - ook zonder die eeuwige herhaling van teleurstellen - my in allerletterlyksten zin tot 'n broodschryver maakt! Ook dit is reeds treurig. Maar ik moet my schikken. Volgt er uit dit alles echter, dat ik om en voor brood schryvende, nog niet eens brood heb, dan is 't nog erger.

't Is moeielyk de rekening van een ander te maken, en vooral in die rekening acht te geven op verlies van stemming. Die Waltman nu by voorbeeld had my den 27 of 28 Mei f40 moeten zenden. Stel eens dat ik die morgen ontvang (heden is de posttyd voorby) Dan moet ik hem crediteren voor de ontvangst. Maar hoe crediteert hij my voor de ergernis van 't wachten waardoor myn gereedschap (namelyk myn geest) bederft, zóo dat ik dagen en weken ná de ontvangst van dat loon, niets kan voortbrengen?

Op die wyze heeft Van Helden my voor schatten benadeeld!

In 't byzonder geval van thans, moet ik erkennen dat ik - ook zonder dit vergeefs wachten - door geheel andere oorzaken reeds bedorven was. Maar toch, de kans op herstel van myn arbeidskracht wordt er niet grooter door.

En is 't niet bitter dat men zoo grof omgaat met myn gemoed, als ik zelf uit pligtbesef, en om geen indruk te laten verloren gaan, de brieven van hartelyke vrienden 5 dagen ongelezen laat liggen?-

Van hartelyke vrienden! Ja, en ook geheel tegenovergestelde zaken! Sedert vele dagen had ik eenige stukken ontvangen (kamerspeeches en recensies in couranten my betreffende) waarin ik word aangevallen en zelfs uitgescholden. Ik wist dit, maar stelde 't lezen uit, om te kunnen werken. ‘Zoodra ik myn Millioenen-Studiën weer helder voor den geest heb, en daarmede iets gevorderd ben, zal ik 't wagen’ dacht ik.

Welnu, heden - voelende dat er toch niets aan myn stemming te bederven viel - heb ik 't gewaagd. En ik ben bitter! De zotste laster wordt tegen my ingebragt, hoe platter hoe liever! Zal ik antwoorden? Maar, zeer dikwyls is dit de wensch van een krantenschryver! Het geeft hem stof om zyn kolommen te vullen, en zyn courant vindt aftrek. Bovendien, in Indische bladen wint men altyd door 't tydverloop van myn antwoord. Het gif heeft gewerkt voor myn tegengif aankomt.

Wat nu byv. die Vrye-Arbeid in Indië aangaat, de (valsche-)liberalen zeggen, dat ik my ‘verkocht heb aan 't Behoud’. (De prys daarvoor schynt nog al laag te zyn. Ik heb niet eens de middelen om de couranten te lezen, waarin 't gezegd wordt. Een welwillend jongmensch in Holland schryft die artikels voor my over. Van daar dan ook dat ik iets wist van den inhoud, voor ik ze gezien had).

Ik gis dat die indische kwestie u minder interesseert, doch hoop dat gy er op zult letten ter wille van den Havelaar. De heele zaak komt hierop neder, dat ik, als Havelaar, met die (zoogend) politieke kwestie my niet inliet. Als ambtenaar en als mensch deed ik myn pligt, zonder my te bemoeien met een stelsel van Regering.

Daar ik nu echter in moraal en religie zeer ónbehoudend ben, verbeelden zich de liberalen dat ik ook in die indische kwestie aan hun zy moest wezen.


1o Was dit zoo niet. Maar:
2o Al ware ik voor die Vrye-Arbeid, dan nog zou ik niet met de liberalen zyn meegegaan, omdat die kwestie niet aan de orde is, en slechts dienen kan om de hoofdzaak waarvoor ik optrad, te verduisteren, gelyk dan ook tot heden geschied is.

Verbeeld u dat een officier van Justitie roof en moord ontdekt. Hy wil die zaak vervolgen. Als mensch en ambtenaar tevens is dit zyn pligt. De Minister verbiedt en verhindert hem voorttegaan. Hy daarop zegt: ‘dan kan ik u niet dienen. Voor ik weder in dienst van 't Land treed, moet ik weten of't Volk uwe of myne inzigten deelt? Of men wil dat misdaad al of niet gestraft wordt?’

Die vragen stelde ik in myn Havelaar aan de Natie voor.

Doch zie, sedert eenigen tyd broeide er ontevredenheid met zekere rigting in de wetten. Stel eens: verschil van gevoelen over préventieve gevangenis of zooiets.

Is het nu niet valsheid by voortduring zich dáármee bezig te houden, instede van te onderzoeken of die officier van Justitie al dan niet gelyk had in zyne beschuldigingen? In den heelen Havelaar wordt over dien Vryen-Arbeid geen woord gesproken. Ik dacht er niet aan! De vraag was eenvoudig, of de wet zooals die toen bestond, en thans nog, denk ik, tegen roof en moord behoort toegepast te worden? En geef nu wel acht dat alles wat ik beweerd heb, in 't geheim onderzocht is, en wáár bevonden werd!

Toch weigeren behouders en liberalen my recht te doen. In de behoudende couranten waar men van myn oordeel over dien huichelachtigen Vryen-Arbeid met zeer veel ophef gewaagt, komt geen woord voor over myne zaak. Zy gebruiken myne opinie als wapen tegen de liberalen, maar wachten zich wel van aandringen op regt in de Havelaarszaak.

En wat de beschuldiging aangaat van veranderd te zyn. Reeds in '61 schreef ik dat die Vrye-Arbeid voor de Javanen, een huichelachtige leugen was.

Zie overigens in de Inleiding der Minnebrieven dat ik ook toen weigerde vóór dien vryen-arbeid te schryven. Heb ik geen gelyk dat ‘Publiek’ niet lezen kan?

Een Bataviaasch blad, dat my dan ook dat veranderen van opinie verwyt, en er zelfs byvoegt, dat ik tracht redacteur te worden van 't (zeer behoudend!) Haagsche dagblad, maakt my zoo zwart mogelyk. En... op de hollandsche wys, d.i.: door 't afsnyden van middelen van bestaan. Sedert jaren namelyk sukkel ik met uitgevers.

Er wordt op myn werken veel gewonnen, maar... er behoort onafhankelykheid en moed toe om voor my uittegeven. Bovendien, daar ik nu sedert 15 jaren (!) zwerf als een vagabond (in den letterlyken zin van 't woord!) en nooit of zelden één week verzekerde existentie vóór my had - waaraan dan ook dat afgebrokkelde van myn Ideën te wyten is - kán ik geen afgewerkten bundel aanbieden. Ik ben altyd genoodzaakt accoord te zoeken tegen betaling au fur et à mesure ik lever. Dit maakt dat het getal uitgevers, waarmede ik in relatie treden kan, zeer beperkt is. Doch het wordt gereduceerd tot byna nul, als men my zóó discrediteert, dat niemand my 't eerste vel betalen durft, uit vrees dat ik in 't vervolg niet zal leveren. Wat doet nu 't liberale Bataviaasch Handelsblad? Het schryft: ‘dat ik aan zooveel Uitgevers geld schuldig ben, en daarvoor 't beloofde werk niet lever.’ Zulke dingen zyn doodelyk voor my.

Zeg nu niet: ‘ik zou’ enz. Zie hier. De zaak is dood-eenvoudig niet waar. Ik ben aan geen enkelen uitgever geld schuldig. Maar wat baat het of ik dit zeg? Men kan niet lezen! Even als met het aan wal brengen van een drenkeling, blijft het: ‘Ja, er moet toch iets van aan zyn... ik weet zeker daarvan iets vernomen te hebben.’ Dat iets is dan wel juist het tegenovergestelde van wat men beweert, maar tóch doet het zyn effect.

Dat algemeen streven om my 't bestaan moeielyk te maken, gaat tot het ongelooflyke. Zou men 't kunnen gelooven dat de Multatuli-Commissie die zich vereenigde om my te steunen, volstrekt niets in myn voordeel deed, maar zelfs de van Lenneps bewoog om my dat geld van den Havelaar niet uit te betalen?

In een Arnhemmer courant stond voor ca 5 maanden dat ik ‘bittertjes dronk, in achterbuurten meisjes naliep, myn tyd doodde met billard spelen en geborgde cigaren rookte’. Van nr 1, 3 & 4 geeft men geen toelichting, maar nr 2 blykt, volgens eene my nageschreven zinsnede, aan den Havelaar ontleend te zyn (bladz. 127). Misschien aan Idee 62. Voelt ge hoe bitter moeielyk het schryven valt, als men zoo dagelyks ziet te doen te hebben met een Publiek dat niet lezen kan? Want het is de speculatie op die onbekwaamheid die de onbeschaamdheid geeft van myne woorden zóó op te vatten.

Doch men heeft aan zulk valsch verdraaien niet eens behoefte. De zotste, platste leugen is welkom. Ik weet niet ooit een geborgde sigaar gerookt te hebben, om de eenvoudige reden dat ik geen enkelen tabaksverkooper ken dien ik crediet zou durven vragen. Wel is 't gebeurd dat ik niet rookte - een groot gemis! - omdat ik geen sigaren betalen kon. Ook heb ik andere schulden - en groote! - Maar hoe men aan die ‘geborgde sigaren’ komt, is me een raadsel. En tyddooden met billardspel. En bittertjes drinken!

Zie, ik woonde 10 maanden in den Toelast, een logement in den Haag. Nu kon ik byv. in de courant zetten eene sommatie aan den logementhouder en zyne bedienden: ‘of ik ooit - ik zeg niet bittertjes - maar één enkel glas dronk? Bitter of ander spiritueus vocht? En of ik niet zelf aan tafel waar 't wyndrinken verpligt was, gewoonlyk myn halffleschje onaangeroerd, of althans nooit ledig staan liet?’ In één woord, ik kan niets verdragen, zelfs niet één glas bier. Op 't Congres te Gent had de heer Limnander (? de voorzitter) de goedheid thee voor my te doen maken.

Ik kon over 't algemeen vragen of ooit sedert byv. 20 jaren iemand my had zien billard spelen. Ik ken het ter nauwernood.

Ik kan vragen of myn arbeid - voor zooverre die publiek werd - getuigt van tyddooden?

Welnu, dat alles is ydel! Ik verneder my te vergeefs. Want het is vernederend af te dalen op zúlk terrein. En 't baat niet. Wat belet de menschen, die zoo iets doen drukken, daarna weer iets anders te zeggen? Ik heb er aan gedacht de velen, die my op die wyze vervolgen, aanteklagen voor 't geregt, wegens laster. Welnu, ik durf niet. Ik vrees dat geen Hollandsche Regtbank my recht zou doen!-

O! dit alles belemmert zoo de vlugt van mynen geest! Het dooft de liefde uit. Al wat er liefelyks suisde in myn ziel wordt overstemd. En 't is juist dát gevoel, dat my zoo onbekwaam maakt. Want al dat razen en schelden wondt myzelf 't meest. Ik wilde niets liever dan zacht en goedig zyn. Maar dat wordt me onmogelyk gemaakt, en ik vrees zoo, dat ik door overmaat van bitterheid weldra niet meer in staat wezen zal 't ware van 't onware te onderscheiden.-

Daarby komt dat de gedurige teleurstelling my zoo dikwyls tot 'n woordbreker maakt. Tal van menschen dien ik geld schuldig ben en dien ik betaling beloofde, rekenende op van Helden, op de hulp der Mult.-Commissie, op het geld van van Lennep - in Novr was 't my toegezegd, 't is myn wettig eigendom! - beschuldigen my nu van ontrouw! Ik kan toch niet aan iedereen uitleggen hoe dit alles gegaan is. En die insoliditeit in betaling geeft dan aan velen aanleiding om meê te schelden, zoodat ik, die alles offerde wat ik offeren kón, en niets liever doe dan helpen en geven, word uitgemaakt voor 'n bedrieger, die zyn schulden niet betaalt.

Dat is dan koren op de molen van m'n vyanden! 't Verwondert my dat ze by dien bestaanden voorraad van klagten, nog de luxe aanwenden van niet-bestaand tyddooden, billardspelen, meisjes-naloopen in achterbuurten en bittertjes! Hunne verbeelding doet helaas, onnoodig werk. Zeer dikwyls kunnen ze my krenken zonder liegen!

Toen ik in Juni 70 meende en hoopte geregeld aan 't werk te blyven, nam ik allerlei verpligtingen op my, die ik niet heb kunnen vervullen. En myne vrouw en kinderen in Italie! Sedert langen tyd tracht ik - om te kunnen arbeiden! - hun toestand te vergeten. Maar daarover moet ik zwygen, 't zou me leiden tot den onherstelbaren slag, die my door 't gebeurde van 't laatste jaar werd toegebracht, en waaronder ik zal gebukt gaan zoolang ik leef.

Ze weten niet wat ze my gedaan hebben! By dien slag is al 't overige niets. Ik kan daarover niets meer zeggen.-

Ik lees weder uwe beide brieven. Hartelyk dank voor uw N.J. geschenk! Daarvan kunnen véél sigaren gekocht worden, en ik zal ze niet behoeven te borgen.

Geloof toch niet dat ik gedurende al den tyd van myn zwygen u vergat. Ik wachtte altyd op de gelegenheid u iets goeds te melden. Helaas! als ik voor acht of tien dagen geschreven had, zou ik 't ten onrechte gedaan hebben!

Ik ben nieuwsgierig naar den indruk dien 't stuk over Specialiteiten maken zal. Ik was wel genoodzaakt daarin weder veel belangen te kwetsen, en zal er dus over gehavend worden. Als men zich dan maar bepaalde tot de zaken die ik schryf en my niet zoo persoonlyk aanviel. Het leven in Holland is me onmogelyk geworden door die taktiek. Ik ontmoet overal of kwaadaardige vyandschap, of vrienden van Rammelslag's gehalte. Dat is even onaangenaam.-

Het trekt myn aandacht dat gy zoo byzonder ongustig oordeelt over de katholieken. Juist dezer dagen kwam ik in aanraking met een Duitscher die precies zoo oordeelde.

Nu weet gy dat ik, die alle goddienery voor een pest houd, zoo min protestant ben als katholiek. Maar, hoe komt het nu dat ik, met myn verstand alle godsdienst wegwerpende, wat myn smaak als artist aangaat, minder fel op 't Katholicisme dan op de Protestanten gebeten ben.

Ik zoek de oorzaak hierin:

1. Dat gy, in België, de katholieken heb leeren kennen als politieke partij. Dit is by my 't geval niet. In Holland is 't louter een zaak van domme geloovery, en raakt den Staat niet, zoomin als de Joden. Ook die zouden zich misschien anders openbaren, indien ze politisch een rigting vertegenwoordigden.

2. Ik lyd en onderga meer van protestantsche booswichten. Zoo'n Duymaar van Twist is het type van een protestant. Koud, droog, dor, zwygend, en... voor zichzelf zorgend.

3. Van der jeugd af klemde my myne protestantsche omgeving. De katholieke zal dit u gedaan hebben.

4. Ik sprak van m'n smaak als artist. Er is meer kleur in 't katholicismus. Voor my is de geloovery een skelet. Welnu, de katholieken kleeden het aan, geven 't een kaarsje in de hand en een bloemkrans op 't hoofd. Dit is nu onzinnig. Maar... de protestanten rukken hulsel en krans weg, en willen toch dat men 't rammelend geraamte schoon vinde. Dit komt my nog ongerymder voor, als tenminste dit woord een comparatief toelaat. Ik spreek daarover op bladz. 230 van myn Ideën.-

Van Ideën gesproken, reeds seder maanden ligt de kopy voor vel 16, 17, 18, 19, 20 & 21 gereed. Waarom van Helden geen voortgang maakt met drukken, is me een raadsel. Ik vrees dat hy geldelyke onaangenaamheden heeft met de drukkers. Vel 19 heb ik reeds voor lang gecorrigeerd.-

Houd het my ten goede dat ik in dezen brief veel over myzelf en niets dan treurigheid schryf. Ik moest u of niets schryven of zóó.

En nu ga ik voor de 100e maal beproeven of ik aan 't werk kan komen. 't Is vreeselyk, die onmagt! En ik voel dat dit worstelen daartegen my hoe langer hoe meer afmat. Er is my een doorn in 't vleesch gedrukt, die my vergezellen zal tot het graf. Ze weten niet wat ze gedaan hebben.-

Wees met de uwen zeer hartelyk bedankt en gegroet van uwen

liefhebbenden vriend,

Douwes Dekker.

Denk vooral niet dat ik op 't oogenblik behoefte aan geld heb. Ik woon veel kalmer dan by Mainz, en ben hier niet zoo spoedig aan 't uiterste. Neen ik ben niet om geld verlegen voor dagelyksche behoefte. Ik erger my slechts zoo, dat die uitgever nu z'n woord breekt, en ik dus niet weet of ik ditmaal zal kunnen doorwerken. In die hoop namelyk had ik 't heele accoord gesloten.

Zeer hartelyk gegroet.

Gy hebt u vergist in de meening dat het adres van Aflevering 3 der Ideën van myne hand was. van Helden schryft nagenoeg als ik. Ik ben niet in Holland geweest.