Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

15 januari 1871

van

S.E.W. Roorda van Eysinga (bio)

aan

Multatuli

 

deze brief in handschrift

download handschrift

Volledige Werken. Deel 14. Brieven en dokumenten uit de jaren 1870-1871 (1982)

terug naar lijst

15 en *16 januari 1871

Brief van S.E.W. Roorda van Eysinga aan Multatuli. Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. Het laatste gedeelte van deze brief, van Ik was alzoo af, is niet in handschrift teruggevonden en werd met verandering van y in ij afgedrukt naar de publikatie door Mimi (RvE, blz. 50-52).

kassi makaran: bedankt voor het eten.

Dorrepaal: bankier te Semarang.

Mr. Baron. W.K. v. Dedem: Willem Karel baron van Dedem, advocaat te Semarang; met hem had Roorda in 1863 een duel gehad.

Traupman: franse massamoordenaar; zie V.W. IV, blz. 247.

Mijn broeder: de predikant S.W.F. Roorda van Eysinga.

Martyrs: de franse schrijver François-René Chateaubriand (1768-1848) publiceerde o.a. Le génie du christianisme (vijf dln. 1802) en Les martyrs ou le triomphe de la religion chrétienne (1809).

pudibonderie: preutsheid (fr.).

Kortz: Mimi tekende hierbij aan: niet duidelyk geschreven.

betjoenen: toespeling op een door Multatuli in zijn ‘Over Pruisen en Nederland’ vertelde anekdote; zie V.W. IV, blz. 42.

Brussel, 15/1 71

Waarde Dekker! Uw derde brief deed mij nog meer genoegen dan de twee vorige, ook, omdat er meer opgewektheid uit sprak. Gij zijt een held. Gisteren las ik in de N. Rott. Ct de bewering, overgenomen uit de Daily News, dat betuiging van medelijden onkiesch is. Ik zal niettemin onkiesch zijn. Ik heb deernis met uwe scheiding van Uw gezin. Er gaat geen genot boven ouderweelde. Gij schijnt nog niet met de Mult. Commie. gebroken te hebben. Daarom vlei ik mij, dat gij spoedig de uwen zult wederzien. Die arme vrouw!

Ik had ongelijk met tot u, die zóo veel meer lijdt, te spreken over mijn tijdelijk onwél-zijn. Het was egoïstisch. Maar als mijn lichaam ontstemd is, ben ik klein. Alleen bij zware operaties geef ik geen geluid. Zoo is het ook in het psychische. Toen mijn banvonnis mij aangekondigd werd, bleef ik dood bedaard, bedankte den deurwaarder, dacht aan het woord van Paulus: ‘Laat alle dingen betamelijk en met orde geschieden’ en zeide tot mijn' bediende, daar het etenstijd was: ‘Kassi makaran.’ Maar kleine contrariétés maken mij boos.

Het opstel over Kern heb ik verbeterd gezonden aan de Sneeker Courant, die altijd moedig partij voor U, Stieltjes en mij trok. Aan Straatman schreef ik ‘Dat het Handelsbl. Multat.'s antwoord aan Kern niet opnam, begrijp ik; dat de N.R.C. zijn antwoord aan de schrijvers van 2 en 6 Jan. weigerde te plaatsen, evenzeer; maar dat Gij geen gastvrijheid verleent aan mijn art over K., had ik niet verwacht. M. was eens uw medewerker; Nederl. heeft groote verplichting aan hem en hij verkeert in kommervolle omstandigheden. Dat zijne betrekking tot u onaangenaam eindigde, doet weinig ter zake!’ Ik vroeg aan de Sneeker weder 2 ex., waarvan één voor U. Het deed mij groot genoegen, dat Ge mijn vorig schrijven niet verkeerd beoor-deeld hebt. Daarom nog twee aanmerkingen. Dat ook ik den Max H. slecht gelezen heb, is eenigzins onjuist. Kort na de lezing dichtte ik den Vloekzang en nog veertig maanden later, zonder den M.H. te hebben herlezen,: ‘De laatste dag der Holl. op Java’ in proza. Bij wien kweekte Uw boek vruchten? Ook in mijn art. over Nieuwenh. bezieldet Gij mij.-

2e mijn zwijg-systeem. Gij kent mij niet. Ik haalde altijd de kastanjes uit het vuur, wist dit ternauwernood zelf, maar vernam het vóór zes à zeven jaren. Chris v. Beresteyn, mijn oud-schoolmakker, auditeur-milit. te Semarang, moest naar Ngawie om een' soldaat te doen ophangen. Hij pleisterde te Solo, ontmoette in het logement R. Kampf en begon met dezen een gesprek.

- ‘Welke Europ. zijn hier zoo al?’ - K. noemde ook mij.

- ‘Hé! heet hij Sikko?

- Ik weet 't niet. Misschien wel. Zijn naam begint met een S.

- Wel! dan heb ik school met hem gegaan. Haalt hij nog altijd de kastanjes uit het vuur?

- Ja, op dat punt is hij niks veranderd.’

In Toeban dwong ik de vrij-arbeiders mijn voorbeeld te volgen en mild te zijn. De een beroemde zich een plank van f2 voor f0.12 te hebben gekregen; de ander, dat hij aan koelies slechts f0.10 per dag gaf plus afval uit de keuken. Een derde deelde mede, dat de bevolking in zijne buurt zich met rauwe planten uit het bosch moest voeden. Ik verhoogde b.v. den inkoopsprijs van een £ puiken tabak van f0.10 tot f0.80. Ik werd ontslagen, maar men kon niet terug. Mijn lastgever verteerde in Europa in 2½ jaar f75000. Eveneens mijne verbanning. Ik verdedigde de weduwe van Zanten tegen de plunderzucht van Dorrepaal en d'Abo. Mr. Bon. W.K.v. Dedem, die Mirandolle als D's gemachtigde opvolgde, een geoefend schutter, daagde mij uit voor mijn' toast. zie brochure: Mijne Verbanning en mijn Vloekzang. Hij was altijd vriendelijk jegens mij geweest, maar wou geld maken. Ik kon geen getuige krijgen voor een duel à bout portant. De kogel raakte bijna mijne haren zoodat mijn hoed door de zuiging van den luchtstroom viel. Ik schoot toen in de lucht. Nadat zijn toeleg mislukt was, wou hij op nieuw beginnen door te vragen, of ik voldaan was. Ik antwoordde: ‘Ik heb met u niets meer te maken.’ Daarna redigeerde hij Dorrep.'s verzoek om mijne verbanning. Zijn oom Sloet gaf fiat. - Maar Dorrepaal plunderde minder. De gehuurde moorde-naar is nu rijk. Nieuwenh., die de geschiedenis van Dorrepaal-Traupmann kende, beval dezen aan voor 't leeuwenkruis,-

Mijne oppositie in de Indische couranten sinds het banvonnis heeft eveneens de Indische drukpers behoed tegen herhaling van adminieve willekeur. Zoo Gij geen uitgever hebt, wil ik voor U Hovens Greve, te Steenwijk, wel schrijven. Een eerlijk ‘moderne.’ Vroeger was hij redr. van de St. Ct., maar werd afgedankt, omdat hij de Javaansche zaak te lief had. Wat heeft ook een Steenwijker daarmeê te maken? Harddraverijen en schaatsenrijden, kijk dat is wat anders.

Uit d'Ablaing's antwoord zult Ge gezien hebben, dat hij bang schijnt op familiaren voet met mij om te gaan. In zijn kantoor was hij altijd fideel. In het openbaar schaamt hij zich over mij. Weer eene illusie verloren. Maar het gaat met de genegenheid als in de krachtkunde: Wat men in breedte verliest, wint men in diepte.

Mijn broeder was in 68 op 't Congres. Hij is eene Johannes-natuur, maar onder menschen gegêneerd, daardoor schijnbaar pedant; zijn leven lang gevoed met de slechte spijs der godgeleerdheid, waaraan hij zoo gewend is, dat hij er niet buiten kan.

De schrijver in de N.R.C.t van 2 Jan. is vermoedelijk de Putteaan van Rees.

Vriendelijk dank voor de ‘Divagaties’, waaruit ik weder veel geleerd heb. Het moet u buiten u zelven brengen uw werk zoo verknoeid te zien. Dat het Publiek ze minder begrepen zou hebben dan b.v de ‘Idéen’, is zeker eene leugen van ‘Nederland’. Gij zijt een waar liberaal. Juist, omdat ik u ook als zoodanig vereer, zou het mij leed doen als gij, die te recht van de meerderheid afwijkt, u liet verleiden tot paradoxen. Daaronder reken ik nog altijd uwe verdediging van Nap. iii en den Haagschen Lion. Of juister: Gy acht, omdat gij de tegenpartij terecht veracht. Ik veracht beiden, maar Willem iii veel minder dan Nap.

Dit is minder schoon in effect, dat is waar. Gij zoekt, als kunstenaar, licht en bruin.

Indien de Doertoghe's sterven. Onze schrijftaal schijnt meer dan die van andere volken verschil van de spreektaal meê te brengen. Zou uw taalgevoel niet gekwetst worden, als gij na een' deftigen volzin, b.v.: ‘Zijne hand sloeg de maat bij de muziek van duizenden kartouwen’ of na een' brommenden volzin over Sion Gods en bazuinenschal het woord ‘even als’ ontmoettet, in plaats van gelijk? Onze taal schijnt eene taal voor preeken en verhandelingen, gelijk het Fransch voor causeries en het Engelsch voor zaken. Sicherer noemde 't Latijn eene taal om te commandeeren. Gij weet, Talleyrand heeft een' breeden rug. Ik herinner mij niet, waar ik (vóór jaren) het woord las, dat Gij ‘mooi’ vindt. In 't oorspronklijk stond, geloof ik, honnête, wel is waar iets anders dan consciencieux of scrupuleux, maar een generiek woord. De uitroep kon, dunkt me, ook opkomen bij iemand, die veel met huichelaars had omgegaan, zoo als met Talleyrand, oud-abbé, minister, gezant het geval was, die bovendien geleefd had tijdens de constitution civile du clergé, die opvoering van de godin der Rede, het Concordaat en de herstelling van ‘den dienst van het altaar.’ (Chateaubriand's ‘Martyrs’ en Génie du Christianisme’). Nog eene vraag tegen Uw ‘Vrye-Arbeid’. Waarom hebben de door u voorspelde bloedige tooneelen zich nog niet voorgedaan in de afd. Batavia, Buitenz., Krawang, Tjiassem, Pamanoeka, waar de invloed der hoofden toch reeds gebroken of vernietigd is?

Van Kesteren castreert ook mijn volzinnen. Ik had het woord van Hegel overgenomen: ‘De oorlog is de keizersnede van de menschheid; hy verlost de gemoederen met geweld’. v. K. veranderde keizersnede in zegen!! Misschien vreesde hij den huichelzin van een publiek, dat, gelijk de vrouwen, dikwijls te vaster van mond is, naarmate het zich losser van zeden betoont. Misschien was zijne pudibonderie de uitwerking van zijne verloving. Ook schrapte hij de bewering van Herschel ii, dat onze slaperigheid (torpor) blijkt uit den geringen aanwas van onze bevolking - Vroeger bezat ik uwe werken. Om te kunnen trouwen en verhuizen verkocht ik mijne biblk behalve de boeken, die als gereedschap dienen. Zij had mij ± f10000 gekost en bracht 387½ op. - Ik was alzoo myn trouwste indische vrienden kwyt. Sedert schaf ik my slechts nieuw gereedschap (Publications nouvelles) aan, en enkele werken om te lezen, zooals de nieuwe uitgaaf van uw Ideën, en zal daarmee voortgaan. Maar tegenwoordig lees ik slechts om stof te hebben voor de Locomotief. ‘Ik leef van roof en diefstal.’ Lezen om te lezen doe ik bijna niet meer. Ik ben een daglooner, en weet niet te woekeren met mijn tijd, waarvan mijn Marietje veel rooft. Verlies voor 't hoofd, winst voor 't hart. Vele liberalen smalen nu op Gladstone's onzijdigheid, na vóór twee jaren zijn naïeve ontwapening te hebben toegejuicht. Bijna ieder weldenkende is meer of min naïef, vooral als hij geene studie van de natuur heeft gemaakt.

16 Jan. Daar ontving ik uw vierden brief. Gij zijt te dankbaar voor iets natuurlijks dat mij niets kan kosten, want ik heb 't toch ook verkorven bij Publiek. Ook ik maakte in de Locomotief onderscheid tusschen 't art. van v. Rees en dat van Veth. Van den eersten zeide ik: ‘een ongenoemd maar niet onbekend Oud-Off. die veel in Algem. Orders schijnt te hebben gestudeerd. (Hij bezorgde daarvan eene uitgaaf.) Wij zullen M.'s repliek afwachten, die te intelligent is om te liegen. Maar de Oud-Off. heeft zich in een zeer ongeschikt oogenblik zeer gedienstig betoond, en had wel aan D. v. Tw. zelven de verdediging kunnen overlaten.’ Die v. Rees beschrijft in zijne ‘Herinneringen’ allen met wie hij te Gombong in garnizoen lag, behalve mij. Wij waren daar zeer vriendschappelijk. Maar hij scheen bang te zijn dit openlijk te erkennen. Misschien wilde hij mij ook doen begrijpen dat ik de onbeduidendste was. Ook daar haalde ik de kastanjes uit het vuur, door verzet tegen Reekel (Kortz). Ik werd dan ook na vier maanden verplaatst naar Padang en tot straf het duizelingwekkend standpunt van eerste luitenant onwaardig gekeurd. Van Rees menageert la chèvre et le choux.

Omdat ik 'n afkeer heb van 't onaniseeren van 't verstand, van schrijven zonder inspiratie, vertaal of compileer ik meestal iets goeds, liever dan iets slechts voort te brengen.

Het indisch publiek heeft Ahnung van billijkheid. Thieme werd vervolgd omdat ik in het Soer. Hand. gezegd had, dat, als Willem iii weggejaagd werd door de duitschers, de van Zuylens, Heemskerk's enz. den vreemdeling zouden binnenhalen en de haagsche turftrappers ‘betjoenen’ tot paardendienst met goudstukken waarop de beeltenis van hunnen vorigen souverein prijkte. Thieme verklaarde voor den rechter, dat zijn blad bloeide, omdat ik de waarheid zeide én aan de Hasselman's én aan de v.d. Putte's. Hij werd veroordeeld tot slechts f100 boete!

Mijne vrouw, moeder en ik drukken u hartelijk de handen. Ik ben slaperig. Van nacht getobd met de twee kinderen.

Uw vriend

Roorda.

Kunt ge niets verdienen door in 't Duitsch te schrijven, b.v. in het nieuwe orgaan: Im neuen Reich? Indien gij in Engeland gingt wonen zoudt gij u, geloof ik, spoedig in geld kunnen baden. De Britsche bladen en tijdschriften betalen het best. Maar jammer, dat geloof! The Fortnightly is nog het minst kerkelijk. Maar aan hun god houden zij vast. Houwe Piet! houwe! houwe!