Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

12 december 1870

van

Multatuli

aan

S.E.W. Roorda van Eysinga (bio)

 

Volledige Werken. Deel 14. Brieven en dokumenten uit de jaren 1870-1871 (1982)

terug naar lijst

*12 december 1870

Brief van Multatuli aan S.E.W. Roorda van Eysinga (RvE: blz. 1-6).

Terwijl de brieven van Roorda over het algemeen bewaard zijn gebleven, is die waarop het onderstaande het antwoord vormt, niet teruggevonden.

brochure: namelijk Nog-eens Vrye-Arbeid in Nederlandsch-Indië (Delft, J. Waltman, 1870); zie V.W. V, blz. 387-479.

klaag ik over u: zie V.W. V, blz. 388-389.

uwe verbanning goedkeur: zie V.W. V, blz. 439.

Senne: de rivier waar Brussel aan ligt.

domicilium citandi: plaats om iemand te dagvaarden. (lat.)

esquiveren: ontwijken, ontsnappen (fr.)

Wiesbaden, 12 Decr. 1870.

Zeer waarde Roorda, Grooten dank voor uwen lieven brief, die me echter niet familiair genoeg was. Beter u.

Sedert jaren, en speciaal voor vyf maanden, verlangde ik u te spreken. Dit wacht namelyk hierop dat ik me eenigszins zal kunnen roeren. In Juni en Juli meende ik dat dit het geval worden zou. Ik werkte en werd betaald. Maar op eenmaal brak alles af. ‘Noorden’ betuigde dat z'n lezers er niets van begrepen. ‘Nederland’ een tydschrift waar in ik ‘Divagatiën over zeker soort van liberalismus’ schreef, ‘had geen fondsen’. (Ik denk dat ook daar het begripsgebrek der lezers wel eenigszins in 't spel was... nu, heden las ik die stukken over Liberalismus voor 't eerst, en beken dat ik ze - zóó gedrukt - ook niet begryp.)

En myn uitgever van H. Hoor eens, alle overleggingen zyn ydel als men niet weet hoe men in leven blyft. Geen voorstel klinkt aannemelyk, als 't uitloopt op de finale: en attendant prêtez-moi cinq francs! Die absente 5 fr. bederven veel goeds.

Als schepelingen die, pompende, geen loisir hebben den koers te regelen, is uwe en myne taak: boven blyven! Zoolang we daarmee tobben, kunnen we niet voortgaan in gewenschte rigting.

Maar wel weet ik waar we heen moeten, en daarover hoop ik u te spreken, zoodra 't boven blyven buiten kwestie is. Zal ik daartoe geraken? ‘Vrienden’ doen 't hunne om my tegen te werken.

Ik las in 't Noorden uwe flinke stukken, en stond meermalen op 't punt u daarover te schryven. Uw oordeel over belgische toestanden trof my gewoonlyk. Ook ik... bin in Arkadiën gewesen, d.h. ik woonde ook in Brussel. Och, lieve god, waar woonde ik - soms niet wonende! - niet!

Maar dat alles is heden de zaak niet. Ik had u andere dingen te schryven, en heb geen tyd om kort te zyn.

In een brochure die dezer dagen uitkomt klaag ik over u, dat ook gy door zwygen hen helpt die my smoren willen. Zy hebben gelyk, want als ik op de been kom zal ik regt doen. Maar gy hebt ongelyk hen daarin te steunen. Dat zwygsysteem is... hollandsch.

Ge zult tot uwe verbazing lezen, dat ik uwe verbanning goedkeur. En ik zeg er nu by, dat ik 't ook perfect vind dat men u geen pensioen geeft. Ik zoude u - als hollandsch G.G. altyd! - ook gebannen hebben. Ook ik gaf u, als hollandsch minister, geen pensioen. Een derde zaak: myn oordeel over Vryen-Arbeid is 't uwe niet...

Welnu: in één kwartier sprekens hoop ik u in die drie kwestiën aan myn zy over te halen.

Ge zult de billykheid uwer verbanning, 't onbillyke uwer pensionering en de verderfelykheid van Vryen-Arbeid inzien, en r zelfs lust in krygen die meeningen voor te staan in 't publiek.

Daarover wil ik u spreken zoodra we een oogenblik kunnen rusten van pompen.

Twee parabels:

Een steen was gespleten. De twee pas-gescheiden zyden die voor 't eerst het licht zagen, keken elkander aan met sympathie. Er was ‘rym’ in de oneffenheid van hare oppervlakten. Hol beantwoordde aan bol, voor 't concave van den een, had de ander iets dat convex uitstak. Al waren ze niet vereenigd, ze voelden dat ze in en aan elkaer passen zouden. Een voorbyganger schopte de beide brokken weg, zoodat het een in de Senne, het ander in de Main viel, waar ze op verschillende wyzen werden afgerond. Toen pasten ze niet meer op elkander en er was zekere wryving noodig om ze weer tot aan elkander sluitende deelen van een geheel te maken.

Daarom had ik u willen spreken. En ik wil dit nog.

De tweede parabel is... nog mooier!

Na 'n bloedige actie, waarin de vlag was verloren gegaan, vond men ergens op een bos stroo een zwaar gewond soldaat. Hy kon niet spreken en zich ternauwernood verroeren. ‘Vrienden’ hadden medelyden en spraken hem nu en dan toe. Maar hunne welwillendheid baatte hem niet. Het eenige wat ze voor hem hadden kunnen doen, was den onwelwillenden te beletten hem aftedringen van zyn legerstee. Ook waren er die hem smoren wilden. Wel namen de welgezinden die boosaardige pogingen kwalyk, maar ze verzetten zich niet zoo krachtig tegen dit pogen als de lyder gewenscht had. En telkens trachtte hy te spreken, maar kon geen geluid geven.

Medelyden, vruchteloos mede-lyden - o, alle medelyden is een fout! - wordt vervelend. Men beklaagde hem... en liet hem over aan den vyand die 'm smoren wilde, en wegdringen van de brits waarop hy zoo gesteld scheen...

Welnu, onder dat stroo had hy de vlag verborgen! Daarom:

Duld niet dat men my smore!

Waarlyk, zoodra ik u spreken kan, zyn er andere dingen te behandelen dan de personeele belangen. De vlag!

Vrye-Arbeid? Ik meen dat ge er vóor zyt. Dat verwondert me. Wilt gy de Weledele Heeren Dorrepaal en consorten tot prinsen maken? Dat is al te edelmoedig. En Jonathan Johnson & Co. tot magnaten? Neen! Laat Nederland én hier én ginds blyven wat het is, tot op den stond der finale afrekening.

Wy mogen niet meewerken tot verplaatsing van 't domicilium citandi der enorme leugen die zich Holland noemt. 't Zou me zeer onwelkom zyn als de deurwaarder die te zyner tyd moet aankloppen te Buitenzorg, een ‘verhuisd’ ten antwoord kreeg. Denk daarover eens goed na, en bekeer u van Vryen-Arbeid.

Wel wis en waarachtig: Vrye-Arbeid, maar asjeblieft niet voor Droogstoppel.

Zie, in de 5, 6 laatste regels heb ik meer gezegd dan in de brochure. Een lam stuk: ‘van 'n nederlandsch standpunt’.

Ik dank u wel voor uw portret. Dat is een lieve attentie. En 't myne? Ik heb er geen, en kan op 't oogenblik niet laten maken. De uitlegging is te omslachtig. Er bestaan portretten van my, waarvan ik de betaling nog schuldig ben sedert jaren. Iemand die my voor duizenden bestolen heeft, beweert een paar honderd gulden van my te moeten hebben, en heeft dat pak portretten in de vlucht weten optevangen. Voor procederen heb ik geen geld. En als ik 't had betaalde ik liever die pretense schuld aan den dief, dan geld weg te gooien voor pleiten in Holland. Zoodra ik my bewegen kan hoop ik ook die portretten weer te krygen, en dan zal ik er my een genoegen van maken u een te zenden.

Myne familie is door gebrek uit Den Haag gejaagd naar Italie. Dat is de 4de maal dat m'n vrouw 't niet langer kon uithouden.

Ik lyd veel. Aanklagt! Geen klagt, o neen! En gy, vry-arbeider, woudt Holland de gelegenheid geven te esquiveren door 'n achterdeur? O, als ik u spreken kon!

Wacht u wel iets uit dezen brief aan te roeren. Verklap niet waar de vlag ligt. Het eenige waartoe ik my aanbeveel is afbreuk te doen aan 't smoor- en wegdring-systeem.

Wees met uwe gade zeer hartelyk van my gegroet. Tracht... in leven te blyven! Zoolang ons dit gelukt is er hoop. Intusschen worden we oud! Ja, die broodschryvery is afmattend. Adio!

Uw liefhebbende vriend

Douwes Dekker