Multatuli.online

Lijst van brieven op datum

18 maart 1868

van

Multatuli

aan

Johannes Hasselman (bio)

 

Volledige Werken. Deel 12. Brieven en dokumenten uit de jaren 1867-1868 (1979)

terug naar lijst

18 maart 1868

Brief van Multatuli aan J.J. Hasselman, Dubbel velletje postpapier, geheel beschreven. (U.B. Leiden; fotokopie M.M.)

alle stukken van dien tyd: deze berusten nu in het Multatuli Museum; ze zijn afgedrukt in V.W. IX.

s Hage 18 Maart 1868

Aan Zyne Excellentie den Heere Hasselman

Minister van Kolonien

Excellentie!

Het onderzoek dat na myn vertrek van Lebak (ik meen onder leiding van den heer Pahud zelven) door den heer Brest van Kempen plaats vond, eindigde met eene ‘ernstige berisping van den Regent’ en het ontslag van diens schoonzoon, den Demang ten wiens huize myn voorganger zyn laatste maal genoot, of liever - gebruikte.

De heer Pahud was my zeer ongenegen, en de heer B.v.K. had ook liever een anderen uitslag gezien.

Profr. Veth, in den Gids van 1860 (July & Augs.) maakt hieruit o.a. op:


‘Dat Havelaar volkomen gelyk had.’

Toch schyn ik, van Indie uit, aangevallen te zyn. Ik moet dit opmaken uit zekere uitdrukking van den heer F. v.d. Putte.

Wàt men tegen my heeft aangevoerd, weet ik niet. De gewone manier in zulke zaken is: de hoofdzaak te bedelven onder bydingen. Dit is zeker, dat de heer D.v.T. in eene Kabinets missive van 23 Maart 1856 No. 54 erkende dat ik by de Regering gunstig genoteerd stond. Hoe men het nu kan hebben aangelegd, om, na dit testimonium, gegeven door een Landvoogd die verstoord op my was & die natuurlyk inzage had genomen van myne antecedenten - my aantetasten, weet ik niet.

Om my echter tegen zulke aanvallen te wapenen, en te beletten dat òf de Lebaksche zaak worde verdraaid, òf dat ze op den achtergrond worde geschoven ter wille van dingen die met het punt in kwestie niet te maken hebben, ben ik zoo vry Uwe Excellentie te verzoeken den brief te willen lezen dien ik rigtte tot den heer van Twist, een brief dien ik eerst jaren later publiceerde, en waaruit blykt dat ik niet zocht aan den weg te timmeren.

Indien alles wat ik in dien brief zeide, wáár is (gelyk ik thans nog kan staven) geloof ik aanspraak te mogen maken op herstel. En dit zoude van goede werking zyn op anderen, die nu - na myn voorbeeld, hunnen pligt niet durven doen.

Indien ik ééne onwaarheid heb gezegd, wil ik ongelyk hebben in alles. Het éénige zoude zyn dat myn voorganger eerst den dag na z'n bezoek by den Demang bezweken is, en niet eenige oogenblikken, gelyk ik van de Weduw meende verstaan te hebben. Anders is alles stipt waar, en - bewysbaar. Ik heb alle stukken van dien tyd, zelfs de kladnota's van myn armen voorganger.

Ook kan ik bewyzen dat ik zacht te werk ging. Maar toen ik dàt vernam, mogt ik niet zwygen. Ik zou gevreesd hebben lafhartig te schynen in eigen oogen.

Na beleefde groete heb ik de eer met de meeste hoogachting te zyn.

Uwer Excellentie's dienstwillige Dienaar

Douwes Dekker

In de waarheid van nevensgaanden brief aan Mr v. Twist - niet in wat de heer Pahud over my heeft gelieven te schryven, ligt het criterium myner zaak. Schryven is gemakkelyk; - ik heb gehandeld!